Ik geloof in God omdat Hij is – wijsgerige reflectie over de bron van ons geloof

Er zijn mensen die zeggen dat ze eenvoudig weten dat God bestaat, dat ze eenvoudig ervaren dat de Heilige Geest in hen werkt, of dat God tegen hen spreekt in hun gevoelsleven. Vaak is dit het laatste bolwerk in de discussie met atheïsten wanneer de argumenten op zijn: ik weet het gewoon.


Ik geef een korte toelichting op de tekst in deze video:

Dit beroep op een laatste, verdedigbare positie, als een laatste bastion, kan echter niet worden volgehouden. Om twee redenen niet. In de eerste plaats geeft het onnodig terrein prijs aan de kritiek die tot deze terugtocht heeft gedwongen. Niet alle atheïstische kritiek is zinvol, niet alle kritiek is vrij van een contradictie met zichzelf, en het is denkbaar dat hier een andere defensieve positie mogelijk is.

In de tweede plaats geeft ook deze laatste verdedigingslinie geen werkelijke oplossing. Het kan ertoe leiden dat men elke aanspraak op waarheid feitelijk opgeeft, door te stellen dat men nu eenmaal gelooft wat men nu eenmaal gelooft. Daarmee wordt de waarheid van de eigen positie opgegeven of tenminste de waarheid van de kritiek toegegeven. In een postmodern klimaat kan het nog zonder minachting gezegd worden wanneer men daarin hoort: er is geen waarheid maar alleen persoonlijke opinie. Toch wordt daardoor het verwijt mogelijk, dat men de eigen opinie heeft verwaarloosd ten gunste van het napraten van de opinie van een ander. De postmoderne loochening van alle waarheid wordt dan gecombineerd met de postmoderne opdracht tot creativiteit en oorspronkelijkheid. (Hoewel dat paradoxaal is, wanneer namelijk alle opinies mogelijk zijn, dan is er geen grond om uit te sluiten dat iemand zich de opinie van een ander eigen heeft gemaakt.)

Voor zover het geloof ook een weten is – een voor velen al gewaagde stelling – is het in ieder geval geen onmiddellijk, onbepaald weten. Elk weten impliceert immers een verhouding tussen een subject dat weet en een inhoud die geweten wordt. Steeds wanneer we iets weten, is er sprake van dit onderscheid. In de uitdrukking “ik weet het gewoon” is het object geminimaliseerd om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij wat we dan een “zuiver” weten kunnen noemen. Een onachterhaalbare en eigenlijk ook onmededeelbare intuïtie.

Door toe te geven dat ons religieuze weten gebaseerd is op een openbaring die aan mij als individu uiterlijk is, en dat men deze openbaring alleen kent door onderwijs en opvoeding, geven we geen terrein prijs. “Openbaring, onderricht, persoonlijk voorbeeld zijn in het geloofsleven niet toevallig maar wezenlijk.”  (Hegel) De kritiek is er op uit om aan te wijzen dat het geloof ook in uiterlijke verhoudingen staat – men zegt bijvoorbeeld: als je in India was geboren was je een hindoe geweest.  De veronderstelling is, dat deze uiterlijke omstandigheden mijn religieuze identiteit – mijn  geloof – oorzakelijk bepalen. Maar dat is een enorm misverstand: een verwarring tussen mijn culturele identiteit door opvoeding etc. en mijn religieuze identiteit vanuit mijn persoonlijke akten van geloof. De mogelijkheid van bekering vanuit een culturele identiteit als Hindoe tot de religieuze identiteit van een Christen vanuit een persoonlijk geloof wordt dan over het hoofd gezien.

Het simpele feit dat de inhoud van mijn geloof op bronnen berust die buiten mij bestaan, dat de inhoud van mijn geloof dus niet uit innerlijke intuïtie voortkomt, is geen argument tegen dat geloof. Het lijkt mij dat een gelovige daarin ook niet moet meegaan, door te zeggen dat openbaring en opvoeding en onderwijs zuiver uiterlijke omstandigheden betreffen, maar dat ik door mijn geloof daarboven uitstijg. Zonder openbaring en opvoeding kan mijn geloof geen positieve inhoud hebben. En zonder positieve inhoud is het niet zinvol over geloof te spreken en vallen we weer terug in de positie van dat zuivere weten, of van een “gelovigheid” die abstract en inhoudsloos moet zijn. (Zoals in het ” ietsisme”.)

Dat wil echter niet zeggen dat dit element van onmiddellijk weten in het geloof geen rol speelt. We weten immers onmiddellijk dat God bestaat omdat dit een openbaring in ons is. Zonder deze innerlijke en subjectieve verhouding tot het object van geloof, hebben we alleen het uiterlijke. ” Openbaring en opvoeding alleen kunnen het geloof niet tot stand brengen, omdat geloof niet iets is wat van buiten wordt veroorzaakt, mechanisch wordt geproduceerd en door anderen in een mens geponeerd (gesetzt) wordt.” (Hegel)  Openbaring en opvoeding zijn niet de oorzaken van mijn geloof, maar de aanleiding of motivatie van mijn geloof. Wanneer ik de positieve inhoud van de godsdienst als een uiterlijk object erken, dan blijft het noodzakelijk om mij dat innerlijk toe te eigenen. Dat moet er niet toe leiden dat we nu uitsluitend deze innerlijke toe-eigening, noch de inhoud die van buiten komt – door opvoeding, onderricht en openbaring – als de oorzaak van mijn geloof aanzien.

Spreken we over het geloof in deze zin, dat we het reduceren tot de meest fundamentele en elementaire geloofsinhoud, namelijk dat God bestaat, dan blijkt de noodzaak om aan deze beide elementen van geloof vast te houden. God is immers zowel een door mij als subject geweten en ervaren inhoud, als een object dat buiten mijn bewustzijn voor zich is. Deze inhoud ligt in mijzelf, ik ben het die dit denk of geloof; ik ben het die zich van deze inhoud bewust is. God is daarom altijd zoals God voor mij is. Net als alle andere inhouden van mijn bewustzijn, heeft het het kenmerk van mij te zijn, waarin ligt dat het bestaan ervan ook uitsluitend een bestaan in mijn bewustzijn is. Ik heb immers ook inhouden en objecten in mijn droom, ook daarin heb ik een bewustzijn. Dat wil echter niet zeggen dat deze inhouden en objecten ook bestaan.

In de subjectieve voorstelling van “God” ligt echter ook nog deze inhoud, dat God niet alleen een voorstelling van mij is, maar dat Hij ook voor zichzelf bestaat. God is absoluut op zichzelf en voor zichzelf, onderscheiden van mij en zelfstandig. Dat ligt in de inhoud van het begrip God zelf opgesloten. En daarom vinden we deze bijzondere verhouding: datgene wat ik denk en mij voorstel als absoluut zelfstandig en buiten mij existerend, is tegelijkertijd mijn inhoud, deel van mijn bewustzijn, en daarom van mij niet te scheiden.

Hiermee is nog niet beslist over de waarheid van de uitspraak dat God bestaat. Er is alleen vastgesteld dat zowel voor gelovigen als voor atheïsten dit het voorwerp van hun controverse is: de gedachte aan een God die buiten mijn bewustzijn zelfstandig bestaat. Daarin is de inhoud “God” van alle andere inhouden in mijn bewustzijn onderscheiden.

Dit maakt ook het geloof tot een vorm van weten. Geloof mag niet zomaar als het tegengestelde van weten worden gezien. Want wat ik geloof, dat weet ik ook: wat ik geloof is immers een inhoud in mijn bewustzijn. Wanneer ik geloof in God, dan is God een object in mijn bewustzijn, dus weet ik iets van God. Het geloof is een vorm van weten, die zich wel daarin onderscheidt van wat men gewoonlijk onder weten verstaat, dat geloven niet de expliciete vorm heeft van bewijzen en argumenteren. Op die wijze kan een kunstmatige tegenstelling worden gecreëerd tussen een niet-argumenterend en niet-redenerend weten dat we geloof noemen, en een redenerend en argumenterend weten, dat we dan als het betere en hogere aan het geloof opponeren. Een dergelijke oppositie is echter niet absoluut, omdat ook in het redenerend weten een element van onmiddellijk besef schuilt, en het geloof, zeker zoals het mede bepaald is door onderwijs en leer, ook een element van redeneren kent.

Geloven is wel te onderscheiden van weten in die zin, dat het geloof in zekere zin zonder grond is. Heb ik immers objectieve en eigenlijke redenen om de waarheid van een bepaalde inhoud te bevestigen, dan is er geen sprake van geloof. Dat wil niet zeggen dat het geloof geen gronden kent, maar die zijn van een heel andere aard dan die van het weten dat de waarheid zoekt in wat noodzakelijk is. De belangrijkste grond voor het geloof aan God is het gezag dat anderen die ik vertrouw voor mij hebben. De overtuiging dus dat anderen in het bezit zijn van een weten omtrent de waarheid, en ervan getuigen dat zij geloven aan het bestaan van God. Geloof, niet alleen in deze gereduceerde vorm als geloof in het bestaan van God, berust op getuigenis. De absolute grondslag van het geloof, en daarmee ook het absolute getuigenis van de inhoud van de godsdienst, is het getuigenis van de geest. Wonderen of historische beweringen geven geen voldoende grondslag voor het geloof, hoewel ze wel object van geloof kunnen zijn. De ware inhoud van een godsdienst berust uiteindelijk op het getuigenis van de eigen geest, die het getuigenis van anderen als autoriteit erkent en zich toe-eigent.

De erkenning van een getuigenis echter als gezaghebbend, moet uiteindelijk ook berusten op de erkenning van de inhoud van dat getuigenis. Dat moeten we opnieuw benadrukken, omdat we immers in dat getuigenis niet de oorzaak van het geloof, maar alleen de motivatie ervan willen zoeken. Waarom erken ik het gezag van het evangelie van Johannes als een getuigenis voor de persoon van Jezus Christus? Kerkelijke leer, en overwegingen over dat evangelie in historische zin, veroorzaken geen geloof in mij. Wanneer echter de inhoud van dat getuigenis door mij wordt erkend, dan is dat omdat de Geest tot mijn geest “gesproken” heeft, mijn geest weet immers van zichzelf, en weet dat de inhoud van het geloof in overeenstemming is met de eigen aard van mijn geest. De erkenning van datgene wat van buiten komt, is dus niet zonder grond, en geen capitulatie van mijn verstand.

Moeten we niet echter nog een stap verder gaan dan de verwijzing naar de autoriteit van anderen die geloven?

We hernemen een eerder moment in onze argumentatie. In de inhoud van mijn geloof ligt een begrip van God als datgene wat buiten mijn bewustzijn bestaat. Het begrip God is in mij, maar dat begrip bevat de gedachte dat God voor zichzelf is. God is onderscheiden van mij, zelfstandig, op zich en voor zichzelf. Is het echter ook niet zo dat daarin gegeven is, dat de grond, de laatste ultieme grond van mijn geloof, precies ligt in deze bijzondere inhoud in mijn geloof? Het feit dat dit begrip in mijn bewustzijn ligt betekent ofwel dat ik als subject vrijelijk over alle inhouden van mijn bewustzijn beschik en ik mij dus ook deze voorstelling kan maken van een God die buiten mijn bewustzijn bestaat. Ofwel dat datgene wat ik geloof als buiten mijn bewustzijn bestaande, tegelijkertijd ook de grondslag is van het geloof in iets wat buiten mijn bewustzijn bestaat. In het eerste geval spreken we de inhoud van ons bewustzijn tegen, omdat we nu tegelijkertijd stellen dat wij een inhoud hebben van iets dat buiten mijn bewustzijn bestaat, en dan zeggen dat dat slechts een door mijzelf tot stand gebrachte inhoud is. Zo’n inhoud bestaat dan alleen “voor-mij”  en juist niet “voor-zich.”  In dat geval echter spreken wij precies die inhoud tegen, we spreken tegen dat “God” buiten mijn bewustzijn bestaat.

De dialectiek tussen enerzijds God als inhoud van mijn bewustzijn en anderzijds het specifieke van de inhoud, dat God namelijk juist buiten mijn bewustzijn bestaat, roept dus nog een derde element op. Namelijk dat ik in de verhouding tussen mij als subject en het object “God”, juist ook die inhoud als de oorzaak van mijn bewustzijn moet begrijpen. God is niet alleen maar van mij onderscheiden, zelfstandig, absoluut op zich en voor zichzelf, als hoedanig ik God weet, maar Hij is daarin ook – noodzakelijk – de oorzaak van dat weten. Daarmee is gezegd dat ik God niet alleen als een object weet, maar dat ik Hem juist weet als Subject, dat de erkenning van Zijn eigen bestaan in mij legt en mij daarmee tot geloof brengt.

Samenvattend:

  • Ik heb een bewustzijn van God als een wezen dat buiten mij voor zichzelf bestaat.
  • Ik weet van mijzelf dit bewustzijn te hebben.
  • Of ikzelf ben de grond van deze inhoud, of deze inhoud is de grond van mijn bewustzijn.
  • Wanneer ik zelf de oorzaak ben van de inhoud van mijn bewustzijn, bestaat die inhoud niet buiten mij en voor zichzelf. Door aan te nemen dat ik de grond ben van deze inhoud, spreek ik die inhoud tegen. En daarmee heb ik in een en hetzelfde bewustzijn een contradictie.
  • Wanneer de inhoud van mijn bewustzijn ook de oorzaak is van mijn bewustzijn, weet ik waarom deze inhoud in mijn bewustzijn ligt.  Er is geen contradictie.

Daarom kan ik stellen dat ik weet, dat God buiten mij bestaat omdat Hij degene is die de grondslag is van mijn bewustzijn van Hem – wat het geloof maakt tot een daad van erkenning, en niet tot een creatieve verbeelding.

[N.a.v. G.W.F. Hegel, “Der Begriff der Religion”,  Hamburg 1925 (1966), Meiner Verlag, p. 90-96.]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *