De opdracht om te genezen is ook voor ons…?

De kern van de Charismatische leer omtrent wonderbare genezingen, lijkt te komen uit Marcus 16:18. Het is alweer enige tijd geleden dat gebedsgenezer Benny Hinn in het openbaar zei: “ik wist dat de Heer mij had gezegd om te bidden voor de zieken als een deel van de verkondiging van het evangelie, net zoals Hij aan de discipelen had gezegd in Marcus 16:18: ‘zij zullen zieken de handen opleggen, en zij zullen genezen'”. Benny claimde “het kanaal te zijn waardoor de Heilige Geest de zalving geeft die Hij gebruikt om Gods helende macht en tegenwoordigheid te brengen bij hen die pijn lijden en geestelijk hongerig zijn.”

Maar vraag je eens af wat het verschil is tussen de opdracht aan de apostelen Marcus en de praktijk van moderne gebedsgenezers. De opdracht in Marcus behelst de bevestiging van het verkondigde evangelie – de boodschap dus van bekering en vergeving – terwijl de praktijk van Benny Hinn en al zijn navolgers tot op de huidige dag, veeleer het evangelie van de behoudenis vervangen. De boodschap van wonderbaarlijke fysieke genezing gaat de plaats innemen van de boodschap van de vergeving.

Moeten we niet eerder denken aan het verwijt dat de Heere maakt aan het adres van de Farizeeën in Mattheus 16:4, “Het verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken”? Hierbij moet je bedenken, zoals Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Korinthe: “de Joden vragen om een teken… Wij echter prediken Christus” (1 Kor. 1:22, 24). Het is ook opmerkelijk dat er in Jih. 5 gesproken wordt over mensen die geloven in de Naam van Jezus, op grond van de tekenen – de genezingen – die Hij deed. De Heere Jezus wist overduidelijk dat er een vorm van geloven bestaat die uitsluitend met de uiterlijke tekenen van het Koninkrijk verbonden is. Daarom lezen we: “Jezus Zelf vertrouwde Zichzelf aan hen niet toe, omdat Hij hen allen kende en wist van de oppervlakkigheid van hun geloof.”

Als we mogen afgaan op de inhoud van de prediking in de Charismatische Beweging, dan wordt dit zelfde type van oppervlakkig geloof daar ook gevonden. Wanneer gesproken wordt over mensen die tot bekering komen vanwege de prediking in een Charismatische gemeente, hebben we ongetwijfeld te maken met een liefde voor het bovennatuurlijke wonder, en niet een liefde voor de Heer Jezus Zelf.

Maar hier mogen en moeten we sceptisch zijn. De claim van charismatische leiders om te kunnen beschikken over bovennatuurlijke krachten, blijkt al op het niveau van de feiten onwaarachtig te zijn. In een charismatische genezing wordt niets werkelijk van bovennatuurlijke en wonderbaarlijke aard gedaan. En daarbij zijn twee interessante kanttekeningen te maken. De eerste is deze. Zelfs wanneer mensen er achter komen dat van waarachtige wonderen geen sprake is en zelfs wanneer ze het vermoeden beginnen te krijgen dat de charismatische gebedsgenezer in feite de boel flest, is het denkbaar dat ze de man of vrouw in kwestie blijven steunen. Misschien met als motivatie dat wanneer het niet nu al baat, het in ieder geval nu niet schaadt. En wie weet wat er nog gebeuren zal.

Maar het tweede is misschien nog vreemder. Dat ondanks het uitblijven van bewijzen voor de waarheid van de geclaimde genezingen, mensen er in ieder geval vast van overtuigd raken dat de gave van wonderbare genezing nog steeds vandaag bestaat. Ook al zou deze of gene gebedsgenezer door de mand vallen, in het openbaar ontmaskerd worden, op fraude betrapt worden, dan nog wil blijkbaar een groot deel van de Christenheid vasthouden aan in ieder geval de leer dat God ook heden ten dage wonderbare genezingen doet. Mensen willen dat hun voorgangers in ieder geval deze claim uitspreken. Gebedsgenezers moeten beweren, om hun aanhang te behouden, dat zij in staat zijn om de genezingen van de apostolische tijd te kunnen uitvoeren. In werkelijkheid is er een enorm verschil tussen de genezingen in het Nieuwe testament en in de moderne charismatische context.

John MacArthur geeft zes grote verschillen aan, in zijn boek “vreemd vuur”, dat de theologische betekenis van de Charismatische beweging grondig onderzoekt. In deze bijdrage bespreken we de eerste daarvan.

1.

De genezingen in het Nieuwe Testament waren niet afhankelijk van het geloof van de zieke

Ik begin meteen met de aantekening, dat hedendaagse gebedsgenezers inmiddels hun lesje geleerd hebben. Ze zullen nu niet zeggen dat de genezing afhankelijk is van de intensiteit van het geloof van de zieken. Al wordt er wel degelijk gesproken over de noodzaak om in het geloof vast te houden aan de resultaten van de wonderbare genezing, bijvoorbeeld door Martin Koornsta. Een generatie van charismatische leiders eerder, had gezegd dat God zieken  niet kon genezen omdat hun geloof niet sterk genoeg was. Ze geloofden er niet voldoende in. Dat is strategisch gezien ook een handige zet. Wanneer iemand geneest is dat de vrucht van de inspanning van de gebedsgenezer; wanneer iemand niet geneest, is dat de schuld van de zieke zelf.

Geheel anders vinden we in het Nieuwe Testament dat de genezingen van de Heer Jezus helemaal niet afhankelijk zijn van het geloof van de zieken. De blinde man in Johannes 9 wordt genezen zonder dat hij de identiteit van Jezus kent. De verlamde man in Bethesda leerde Jezus pas kennen nadat hij genezen was (Johannes 5:13). En in Lucas 17 is maar één van de 10 melaatsen gelovig geweest tegenover Jezus, en de overige 9 juist niet. Toch worden ze alle 10 genezen.

De hedendaagse charismatische genezers hebben hiervan, zoals ik al zei, het lesje geleerd. Maar eigenlijk wordt het er niet veel beter op. Nu hangt het af van het geloof van de genezer. Waarom zou het geloof van de gebedsgenezer echter in het ene geval haperen en in het andere geval succesvol zijn? Waarom zou God in het heden het succes van een genezing laten afhangen van het geloof of vertrouwen dat iemand heeft?

Heeft ooit iemand uit de Schrift gezegd, wat Arno van der Knaap leert, dat wij moeten “geloven in ons wonder”? Het is duidelijk waarom de gebedsgenezer zou willen zeggen, dat het wonder afhangt van het geloof van de genezer. Het klinkt bescheiden; dat het afhangt van het geloof van de zieke klinkt agressief. Maar beide opvattingen hebben met elkaar gemeen dat we aannemen dat God altijd genezing wil schenken. Dat moet dan worden erkend, voordat God een genezing wil laten plaatsvinden. En dit is in feite de vervalsing van het evangelie: God wil altijd iedereen (meteen, zegt Pastor Arno) genezen als wij – genezer of zieke, of beide – maar geloof hebben. Een gebed voor genezing met de woorden “als het Uw wil is” is altijd een uitdrukking van een beperkt geloof. Dat zijn woorden die het geloof, het vertrouwen beschadigen. We moeten de autoriteit van Jezus gebruiken. (“Ik zeg tegen deze knie: pijn, ga uit van hem! In de Naam van Jezus” – bidt Martin Koornstra.)

Merk dus op, dat de recente generatie gebedsgenezers weliswaar afstand heeft gedaan van de gedachte dat de zieke zijn genezing moet willen en geloven, maar geen afstand heeft gedaan van de gedachte dat genezing in het algemeen alleen afhankelijk is van geloof. De persoon met een gave van genezing moet nu “uitstappen”, of “in de autoriteit van Jezus gaan staan”, en de ziekte bevelen te verdwijnen.

Het is zeker waar dat de Heer Jezus in Zijn genezingen vaak reageerde op het geloof van de mensen. Maar dat wil niet zeggen dat Zijn genezende macht afhankelijk was van hun niveau van gelovigen uit. Wanneer de uitdrukking “uw geloof heeft u behouden” gebruikt wordt, is de belangrijkste betekenis: “uw geloof heeft u gered.” Het geloof van de zieke was vooral verbonden met de vergeving of het behoud, niet in de eerste plaats met de genezing van het lichaam.

(Wordt vervolgd)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *