De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.

Dit bericht is geplaatst in bijbelbespreking, BIJBELSTUDIE, Bijbelstudie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *