De gezindheid van Christus – Filippi 1:25 – 2:11

We hebben de vorige keer gezien hoe Paulus zijn leven samenvat. “Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst.” Vanuit die houding kan hij rustig aanvaarden wat God voor hem bestemd heeft. Zo bereidt hij dan ook de conclusie dat zijn werk nog niet gedaan is. “In het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.” Hij vertrouwt er zelfs op dat hij zal blijven leven. De gemeente heeft hem nog nodig. Hun vooruitgang in geloof en de groei van zijn blijdschap is voor hem de hoofdzaak.

De gemeente in Filippi heeft veel lof verdient van Paulus. Maar toch heeft hij in vers 27 nog een belangrijke opdracht voor hen. “Wandelt vaardig het evangelie van Christus.” Dat betekent niet alleen dat zij aan God gehoorzaam moeten zijn. Hun leven moet in overeenstemming zijn met de blijde boodschap van de opstanding van Christus. Maar wat betekent dat dan? Gelukkig geeft Paulus daarvoor een paar aanwijzingen. In de eerste plaats moeten ze vaststaan in één geest. Vaststaan – dat wil zeggen niet worden beïnvloed door dwaalleer. Dat betekent ook dat ze samen horen moeten zijn – één geest. Dat wordt ook van ons gevraagd.

Het goede evangelische leven brengt ook strijd met zich mee. De gemeente moet in die strijd samen horen zijn, één van ziel. Het evangelie moet worden verkondigd, en het geloof moet worden bewaard. Het gaat steeds om de hoofdzaak. “Het geloof van het evangelie” is het vertrouwen dat deze boodschap door God is gegeven. De gemeente heeft dus een strijdvaardigheid nodig in het verbreden van het evangelie.

Het evangelie kent ook tegenstanders. Ook dat maken we in onze tijd wel mee. Spot, onverschilligheid, uitsluiting, kan ook het deel zijn van wie nu het evangelie niet alleen gelooft maar ook wil verkondigen. Het optreden van de tegenstanders van het evangelie kan ons schrik aanjagen. We worden angstig en trekken ons terug in ons eigen kleine wereldje. Dat is het derde belangrijke onderdeel van het wandelen overeenkomstig het evangelie van Christus.

Het vierde punt dat Paulus noemt, vinden we in vers 29. In deze strijd zal er ook lijden zijn. De weerstand van de buitenwereld heeft soms ook de vorm van een vervolging. Bijvoorbeeld van de kant van de joodse gemeente in Filippi – Paulus spreekt daar over in hoofdstuk 3:2 van deze brief. In hoofdstuk 3:18 spreekt hij in het algemeen over de “vijanden van het kruis van Christus.”

Tenslotte maakt Paulus op dat de strijd die hij zelf moet voeren, waarover hij zou uitgebreid heeft gesproken vanaf vers 12, dezelfde strijd is die ook de gemeente voert. Daarom kon ik vers 12 tot en met 23 ook toepassen op onszelf. Uiteraard zijn de details niet hetzelfde. Maar de strijd van de gemeente is dezelfde strijd die ook Paulus heeft gekend. Zo worden wij opgeroepen om vertrouwen te hebben om het Woord van God zonder vrees te spreken (vers 14), blij te zijn met de verkondiging van het evangelie door wie dan ook (vers 18), en dezelfde houding aan te nemen die Paulus had. Zodat ook wij kunnen zeggen: te leven is voor mij Christus.

Hoofdstuk 2

Paulus maakt de eenheid, de eensgezindheid van de gemeente tot de hoofdzaak. Er is vertroosting een Christus, omdat Hij de enige bron van troost is. Ook de liefde tussen broeders en zusters in de gemeente is een troost. Dat wij mogen ervaren dat wij het evangelie gemeenschappelijk hebben – de “gemeenschap van de Geest – is een groot goed. En het is mooi als er in de gemeente ook oprechte genegenheid en ontferming is, dat wil zeggen dat ze elkaar oprecht liefhebben en voor elkaar zorgen. Stel je voor dat je gemeente door deze dingen wordt gekenmerkt! Blijkbaar was dat het geval met de gemeente van Filippi.

Paulus hamert er echter op dat er nog iets anders nodig is om zijn blijdschap over de gemeente volledig te maken. En dat is de eensgezindheid waarover hij nu gaan spreken. “Hetzelfde te bedenken” – overeenstemming te bereiken over de hoofdzaak. Dat de gemeente geroepen is om Christus te eren, het evangelie te verkondigen, te leven in gehoorzaamheid aan God. “Dezelfde liefde te hebben” – dat wil zeggen eendrachtig te zijn in de liefde voor God. Paulus gebruikt een reeks van woorden die het zelfde betekenen: eenstemmig zijn, het ene bedenken.

Het betekent niet dat we allemaal exact hetzelfde moeten geloven of denken. Maar wel dat we eendrachtig zijn wat de hoofdzaak betreft. In de kerkgeschiedenis wordt de eenheid van de gemeente vaak gezocht in de vastgelegde geloofsbelijdenis. Voor ons is de Apostolische geloofsbelijdenis ongeveer de vaststaande formulering van ons gemeenschappelijk geloof. Maar hoe bereik je nu eendracht zonder dat je aan elkaar oplegt precies hetzelfde te denken?

Ook dat legt Paulus uit. De eenstemmigheid waarover hij spreekt is het tegendeel van partijzucht en ijdele roem. Partijzucht – dat je probeert de groep waar je toebehoort te laten domineren over andere. Binnen de gemeente kan er geen “wij” bestaan tegenover “hun”. Geen enkele groep mag claimen om de waarheid van de gemeente te bezitten. IJdele roem – in de gemeente moet je niet handelen om eerst te verwerven voor jezelf. Want dat is ijdel, dat wil zeggen het is eigenlijk een vorm van afgoderij, je maakt jezelf tot een idool. Dat alles is het tegendeel van de eenstemmigheid en eendracht waartoe Paulus de gemeente oproept.

De positieve opdracht staat in het tweede deel van het derde vers: “laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf. Laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien.” Hier zien we de houding die tot deze eendracht kan leiden. Dit betekent niet dat wij onszelf moeten wegcijferen, en moeten negeren wat God ons geschonken heeft. Het betekent wel dat we een ander de ruimte moeten geven om zijn of haar gaven in de gemeente uit te oefenen. Een ander voorrang geven. De nederigheid waarover Paulus spreekt betekent niet dat je jezelf kleiner moet maken, voor een ander steeds moeten wijken. Het betekent wel dat je beseft dat jij niet altijd gelijk hebt, of gelijk moet krijgen. Uiteindelijk gaat het terug op het vertrouwen dat de Heilige Geest ook werken kan door anderen in de gemeente. Ook wanneer je denkt of weet dat de gaven van een ander niet dezelfde voortreffelijkheid hebben als de jouwe, is het toch van belang om voor een ander ruimte te laten.

Daarom zegt Paulus ook dat we niet alleen maar moeten letten op wat van ons is, op het eigene, vaak vertaald met “eigenbelang.” Dat betekent niet, dat we helemaal niet mogen letten op het eigene, of dat we onze eigen belangen niet zouden mogen behartigen. Maar niet ten koste van anderen. Wat van een ander is, zijn gave, zijn geluk, zijn gezondheid, moet voor ons ook prioriteit hebben.

Na deze praktische aanwijzingen, die eigenlijk beginnen in vers 12 van het vorige hoofdstuk en pas hier eindigen in het vierde vers van het tweede hoofdstuk, geeft Paulus op een prachtige manier de kern van onze opdracht weer. Het gaat erom dat wij in alle dingen Christus Jezus navolgen. Paulus zegt het zo: “laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was.” Daarmee krijgt hij de gelegenheid om een tekst te citeren, vermoedelijk een lied dat in die tijd gezongen werd, waarin op een prachtige manier onder woorden wordt gebracht wat dat evangelie is. Daardoor maakt hij duidelijk wat het betekent om een leven te leiden dat in overeenstemming is met het evangelie.

Het lied begint met de godheid van Christus Jezus en eindigt met Zijn verheerlijking. Tussen het begin en het einde beschrijft dit lied de vernedering en de verhoging van Jezus. Ik geef kort de betekenis van de verschillende uitdrukkingen:

In de gestalte van God – Christus Jezus is God de Zoon, het Hoort dat God is, is vleesgeworden in Hem. Wie in de “gestalte” of “vorm “sluiten van God kan zijn, moet God Zelf zijn.
Geen roof geacht – Christus Jezus heeft zijn godheid niet gebruikt voor zichzelf. Bij de verzoeking in de woestijn dat Jezus Zijn godheid kunnen gebruiken om zijn honger te stillen, of te demonstreren dat Hij God was door zich te laten vallen van het dak van de tempel – zodat iedereen gezien had dat de dood over Hem geen macht had. Hier kunnen we denken aan Adam, de eerste mens, die aan God gelijk wilde zijn in de kennis van goed en kwaad. De zonde van de eerste mens was het om zelfstandig te worden en onafhankelijk van God. Die mens was geschapen in het beeld en de gelijkenis van God. Dat gaf aan de mensvrijheid en verantwoordelijkheid. Maar die mens heeft dat “als een roof geacht aan), dus niet als een geschenk, maar als iets waarover je zelf kunt beschikken, als iets wat je aan jezelf te danken hebt. Jezus heeft dat niet gedaan. De tweede Adam, God de Zoon, vleesgeworden als Jezus Christus, is altijd gehoorzaam gebleven aan de wil van God de Vader. Je ziet dat in dit kleine zinnetje een uitgebreide theologie onder woorden wordt gebracht.
Zichzelf ontledigd – Jezus heeft Zijn godheid afgelegd, dat wil zeggen ervan afgezien de almacht te gebruiken die aan God toekomt. Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden. Dat is de “ontlediging.” In Jezus is God mens geworden. Het Woord is vlees geworden. Maar dat is nog niet het einde.
Hij heeft “Zichzelf vernederd” – Hij heeft zich onderworpen aan de macht van mensen. Hij is gehoorzaam geworden aan de wil van God, en daarom heeft Hij verdragen wat mensen Hem hebben aangedaan. De leugens van het Sanhedrin, de geseling van de Romeinse soldaten, de veroordeling door Pilatus, de kruisiging, dat alles is Hem ten deel gevallen omdat Hij God heeft gehoorzaamd. De kruisdood is het dieptepunt, de diepste vernedering.

Mensen hebben Jezus in deze vernedering gebracht. In de geschiedenis zijn het Sanhedrin, Pilatus, de Romeinse soldaten verantwoordelijk voor Zijn dood. De wereld heeft haar Heer gekruisigd. Het oordeel van de wereld over Hem is uitgesproken en het vonnis is voltrokken. Maar God heeft het laatste woord. Het tweede deel van het lied beschrijft nu deze verhoging. Ik noem weer een aantal punten:

God heeft Hem “uitermate” verhoogd. De wereld gaf Hem de diepste vernedering, maar God gaf Hem de hoogste verhoging. Door de opstanding liet God zien, dat Zijn Zoon de dood niet had verdiend, en daarmee werd het vonnis van de wereld in hoger beroep vernietigd. Door de opstanding uit de dood heeft God verklaard, of gedemonstreerd dat deze Jezus waarachtig Gods Zoon is (vergelijk Rom .1:4).
Hij heeft Hem de naam geschonken die boven alle naam is – wat is dan deze hoog verheven naam? Uiteraard is het de “naam van Jezus”. Het gaat er niet om dat God aan Jezus nu een andere voornaam heeft gegeven. De Naam van God is Zijn reputatie, Zijn roem in de wereld, Zijn geopenbaarde karakter. Hier zou je ook kunnen denken aan de positie die Jezus inneemt. Niemand heeft een naam zoals Jezus, dat wil zeggen niemand heeft de positie en de roem die alleen aan Hem toekomt. Hij is ver verheven boven Mozes, of David, of jesa-ja of enige andere profeet.
In de naam van Jezus – Paulus spreekt in vers 10 over de eer die uiteindelijk aan Jezus zou toekomen. De engelen en heiligen in de hemel, alle mensen die op aarde wonen, en allen die in het dodenrijk zijn zullen Hem aanbidden en erkennen als hun Heer.
In vers 11 blijkt dan wat deze “naam” eigenlijk inhoudt.
Elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is – daarmee in noemt Paulus de Naam die Jezus nu geschonken is. Zijn Naam is Here, dat is zowel de titel van de keizer als heer van de wereld, maar ook de naam van de God van Israël, die geschreven werd met de vier Hebreeuwse letters JHWH, maar werd uitgesproken met het Hebreeuwse woord adonaj wat wij dan weer vertalen met Heere.
Tenslotte zegt het lied, dat dit evangelie, deze geschiedenis van Jezus die kwam vanuit Zijn heerlijkheid, die Zichzelf vernederde tot de kruisdood, en nu door God verheven is, uiteindelijk tot heerlijkheid van God de Vader is.

In heel kort bestek heeft Paulus de geschiedenis van Jezus geschetst, en ook verwezen naar Zijn toekomst. Jezus verhoogt niet zichzelf maar vernederd zich. Hij vertrouwde alleen op God. En dat is de gezindheid “die ook in Christus Jezus was.” Waarvan Paulus zegt dat die gezindheid ook in ons moet zijn. Onze verhoging is in Gods hand. Wij moeten de weg gaan van de gehoorzaamheid, ook wanneer die tot vernedering leidt. Niet onze eigen roem, ons eigen belang, onze eigen positie is de hoofdzaak, maar wat God wil. Wanneer wij allen die gezindheid zouden hebben, dan hebben wij dezelfde liefde, zijn we eenstemmig, bedenken we het ene.

De lat ligt hoog! We kunnen er niet zomaar vanuit gaan dat wij aan dit ideaal kunnen beantwoorden. Maar dat laat zien hoe diep onze nood is als gemeente. Een handjevol mensen, die voor een deel ver van elkaar leven. Vanwege corona ook weinig mogelijkheden hebben om onze samenhorigheid te beoefenen of uit te leven. We kunnen niet veel anders dan wachten of onze God onze omstandigheden nog veranderen zal. Maar intussen is het goed om te luisteren naar deze vermaning van de apostel en vol te houden, te volharden in de strijd, en het in nederigheid uiteindelijk van God te verwachten en niet op eigen kracht te vertrouwen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *