De conversatie met het naturalisme

Het verschil in perspectief tussen een naturalist en mij kan misschien op deze manier nader bepaald worden: de fysica behandelt alles wat in de menselijke ervaring rechtstreeks kan worden bereikt. Het beweeglijke, veranderlijke, dat een bepaalde plaats heeft in de ruimte een bepaalde duur in de tijd, het levende en het psychische, maar ook de ruimte en de tijd zelf – voorzover deze door bijzondere experimenten en theorievorming ook bereikt kunnen worden. Als zodanig is de fysica een deel-wetenschap, omdat het de werkelijkheid op een specifieke manier benadert, dus niet over het levende als zodanig, of over het psychische als zodanig spreken kan. Alleen de stoffelijke dingen zijn het voorwerp van onderzoek in de fysica.

 


Een korte toelichting op deze post vind je hier:


De naturalist is iemand die zegt dat in het stoffelijke een voldoende verklaring kan worden gevonden voor alles wat bestaat zonder uitzondering. Een “spiritualist” is iemand die daarentegen meent dat juist uit de stelling dat alles stoffelijk is – in de ruime zin waarin ook kwantumvelden in de definitie vallen – blijkt dat er meer is dan het stoffelijke. Een dergelijke uitspraak is immers zelf niet stoffelijk en niet een effect van een natuurlijke oorzaak. 

De spiritualist komt er dan toe vragen te stellen die vanuit fysisch perspectief misschien zinloos zijn. Hoe hangen alle stoffelijke zaken met elkaar samen? (Dus niet hoe hangen ze stoffelijk samen, want dat maakt een herhaling van de vraag noodzakelijk. Stel dat we zegge dat al het stoffelijke samenhangt omdat er een universeel kwantumveld is, waarin ze stoffelijk samenhangen, dan nog wordt de vraag noodzakelijk hoe al dit stoffelijke mogelijk is en op grond waarvan het zo en niet anders in een samenhang staat.)  Wat is de grond van hun bestaan?

Er is een niet rechtstreeks ervaarbare grondslag van de samenhang of de eenheid van al het beweeglijke en veranderlijke. Dat is het onderwerp van de metafysica, dat wil zeggen van de wetenschap van datgene wat de ervaring te boven gaat.

Dat impliceert een bijzondere definitie van wetenschap – namelijk als een vorm van redenerende kennis die leidt tot een inzicht in wat niet rechtstreeks ervaarbaar en bewijsbaar is, maar die op een voorzichtige wijze zoiets als redelijkheid en aannemelijkheid probeert te vinden voor het geestelijke. Eerder vergelijkbaar met de waarheidsvinding in een rechtszaak, dan met het verklaren van de resultaten van een experiment.

Daarin ligt het inzicht besloten dat de bijzondere wetenschappen en de rechtstreekse menselijke ervaring een bepaalde beperking hebben. Het inzicht  dat er een ervaring mogelijk is van het alomvattende en absolute. Dat we dus niet alleen maar leven onder de horizont van het feitelijke, maar dat ons kennen ook inzicht in het noodzakelijke en absolute weet te bereiken.

Dat absolute kun je in ieder geval voorlopig definiëren, als datgene wat in geen enkele theorie over de werkelijkheid niet kan zijn, dus zelfs wanneer de feiten anders waren dan ze zijn toch noodzakelijk is, en in die zin  volstrekt noodzakelijk is. (Het tegendeel daarvan is het hypothetisch noodzakelijke, datgene wat noodzakelijk is op grond van het feitelijke. Zo is het noodzakelijk te bevestigen dat Caesar de Rubicon over getrokken is, wanneer het een feit is, dat hij de Rubicon is overgetrokken.)

Het is natuurlijk denkbaar dat al het feitelijke geen enkele verklaring heeft, en simpelweg is zoals het is. Dan zou de zuivere toevalligheid de laatste reden zijn van alles. (En is een kwantumveld niet een voorbeeld van wat in zich toevallig is?)  In zekere zin is dan de toevalligheid zelf absoluut. Het is wellicht mogelijk dat het geheel van die feiten zelf noodzakelijk is en niet anders kan zijn dan het is. De feitelijke werkelijkheid heeft zichzelf voortgebracht. Maar het is ook denkbaar dat alle feiten en gebeurtenissen die rechtstreeks in de ervaring toegankelijk zijn, als geheel toch verwijzen naar een grond, naar een reden die zelf noodzakelijk is tegenover alle mogelijke feiten en gebeurtenissen. Dat is het absolute zoals het door de metafysica wordt benaderd.

Natuurlijk wordt de vraag of er iets is dat volstrekt noodzakelijk is op verschillende manieren beantwoord. Het materialisme bijvoorbeeld zal zeggen dat er niets is wat niet principieel toegankelijk is voor onze zintuiglijke ervaring. Het agnosticisme stelt dat er wellicht iets is dat boven de menselijke ervaring uitgaat, maar dat men daar op geen enkele manier en niet met zekerheid iets over kan weten. Dat zijn houdingen in het denken die alle metafysica afwijzen.

Dan is er helemaal aan de andere kant de mogelijkheid, dat het absolute niet in onze ervaring toegankelijk is, maar ons wel is gegeven in de intuïtie, bijvoorbeeld in het begrip van een oneindig en volmaakte wezen. Dat is de weg van het ontologische godsbewijs dat op verschillende momenten in de geschiedenis van de filosofie is voorgekomen.

In mijn benadering is de metafysica een kennis van het absolute, in die zin dat wij een intellectuele toegang hebben tot de werkelijkheid om te weten of ze is, wat ze is, hoe ze is en waarom ze is zoals ze is. De metafysica zoekt naar het wezenlijke, naar de grond, naar de reden, naar de uiteindelijke verklaring. Het zoekt naar het absolute als de noodzakelijke laatste grond van het eindige zijnde. Het wordt aangedreven door de intuïtie dat alles met alles samenhangt.

Daarom begint de metafysica met een beschouwing van het menselijk vermogen tot kennen, omdat eerst moet worden aangetoond dat we werkelijk een toegang hebben tot de werkelijkheid die ons uiteindelijk in staat stelt om over het absolute en noodzakelijke te spreken. Daarmee zitten we aan het begin van de metafysica, terwijl het godsbewijs als het ware de laatste gedachtegang is. Over God kunnen we eigenlijk pas spreken als we door de gedachtegang van de hele metafysica zijn heengegaan. Dat maakt het lastig om met het godsbewijs te beginnen, zeker wanneer een van de deelnemers aan de discussie het geheel van de voorafgaande metafysische gedachtegang voorondersteld, en de andere deelnemer aan het gesprek het uitgangspunt en de methode van de metafysica in het geheel niet deelt.

Ik denk dat ik hiermee de bijzondere moeilijkheden van het gesprek over het godsbewijs redelijk heb geschetst. Als je Thomas van Aquino leest zie je dat een hele metafysica is verondersteld die elders is uitgewerkt. Het begrip beweging, het begrip oorzaak of grond, het onderscheid van het geestelijke en stoffelijke, het begrip zijnde et cetera zijn bij Thomas eerder en elders uitgewerkt. Zowel voor het begrip als voor de beoordeling van het godsbewijs is dat echter cruciaal. Net als bij Hegel is de Thomistische metafysica een systematisch geheel, dat veronderstelt dat we het van begin tot het einde hebben doorlopen met (tijdelijke) opschorting van oordeel over de verschillende stappen. Pas aan het einde wordt kritiek mogelijk – die kritiek heeft nooit de eenvoudige vorm van aanvaarding of verwerping, maar altijd van een mee-denken, een betrokken raken in de gedachtegang van binnen uit, in plaats van een verwerping vanuit een gefixeerd standpunt van buitenaf. Immers, zowel in de metafysica van Thomas als in de dialectische filosofie van Hegel wordt een poging gedaan om jouw standpunt als toeschouwer en lezer kritisch  in de reflectie op te nemen en te verklaren. Je bent dus niet zomaar buitenstaander, maar ook jouw gezichtspunt wordt beschreven, onder kritiek gesteld  en verklaard. Metafysica wil ook uitleggen wat het betekent om uitsluitend materialistisch of naturalistisch te denken, wat zo’n gezichtspunt mogelijk maakt, maar dan ook wat een dergelijke gezichtspunt maar relatief geldig maakt.

Op het moment dat je gaat reflecteren op het naturalisme, is het naturalisme als denkhouding – uiteraard niet als levensbeschouwelijke mening, want mensen kunnen meningen hebben die logisch inconsistent zijn – immers principieel overstegen. De reflectie op wat zuiver natuurlijk is, en de stelling dat alleen het zuiver natuurlijke bestaat, is immers zelf geen effect van een natuurlijke oorzaak. De stelling dat alles een kwantumveld is – of welk ander element van het natuurlijke dan ook – is in tegenspraak met de strekking van de uitspraak. De uitspraak alles is natuur, is zelf geen natuur, dus is niet alles natuur, dus weerlegt de stelling zichzelf wanneer ze wordt uitgesproken.

Dat is een belangrijk element uit de metafysische methode, het opsporen van pragmatische paradoxen. Dat zijn de tegenspraken die ontstaan wanneer de strekking van een bewering in strijd is met het feit van de bewering.

Wat ik hierboven heb geschetst komt bij mij op naar aanleiding van de in eerste instantie mislukte conversatie over het godsbewijs tussen een naturalist en – ik duid daarmee mijzelf voor het gemak maar aan – een spiritualist. De naturalist begint bij de kennis van de uiterlijke werkelijkheid en past dat toe op zowel het bestaan van God als zijn eigen mens zijn, en op alles wat daartussenin ligt. (Alles is kwantumveld!) Een spiritualist, als die metafysica bedrijft, begint in zekere zin bij zijn eigen zijn in de meest primaire en primitieve bevestiging dat er iets is, en kijkt naar de implicaties van die primaire bevestiging van het eigen zijn. Dat is wat men noemt de “metafysische aanvangshouding” waarin de spontane levenszekerheden, maar ook de kennis van de resultaten van de wetenschappen als het ware voorlopig en opzettelijk buitenspel worden gezet, in een poging om te bereiken wat aan levenszekerheden, de wereld van de gewone ervaring, en aan de wetenschappelijke benadering van de wereld voorafgaat, wat de grond is van beide manieren van kennis.

Zelfs wanneer alle kennis – natuurlijke ervaring en wetenschappelijke kennis van de natuur – buitenspel wordt gezet, dan blijft als eerste en onbetwistbare feit over dat ik besta. Wat impliceert dat niets kan zijn en niet zijn onder het zelfde opzicht; en dat ik in elke act van het kennen moet veronderstellen dat ik het vermogen heb om de waarheid te bereiken.

De bevestiging van mijn eigen bestaan is onbetwijfelbaar – immers wanneer ik ontken dat ik ben, bevestig ik door die ontkenning dat ik ben. De ontkenning van mijn eigen bestaan leidt tot een pragmatische paradox.

Maar in die redenering heb ik een beginsel ontdekt, namelijk dat ik niet tegelijkertijd mijn bestaan kan bevestigen en ontkennen; omdat namelijk niets kan zijn en niet zijn onder het zelfde opzicht.

En ten slotte, wanneer ik dit accepteer als een kennen,  omdat ik weet dat ik besta, en weet dat niets kan zijn en niet zijn onder het zelfde opzicht, dan pas ik feitelijk het principe toe, dat ik het vermogen heb om de waarheid te bereiken. Daarom is het standpunt van het volstrekte scepticisme ook met ichzelf in tegenspraak. In de poging alle waarheid te loochenen moet ik bevestigen dat ik zeg wat ik denk. Die overeenstemming tussen wat ik denk en wat ik zeg is echter een overeenstemming tussen een werkelijkheid, nl. mijn gedachte, en een uitspraak. Die overeenstemming is nu precies wat we onder waarheid verstaan.

Deze drie oorspronkelijke waarheden zijn niet te ontkennen zonder in een pragmatische paradox te belanden. Dat wil niet zeggen dat we deze drie zekerheden zonder meer als uitgangspunt zouden moeten nemen. Dergelijke zekerheden kunnen alleen maar worden aanvaard als we de poging hebben gedaan om ze te betwijfelen. En dat leidt weer tot een vierde zekerheid: dat waarheid alleen kan worden bereikt in een kritische houding die de mogelijkheid van het tegendeel niet op voorhand uitsluit, maar beproeft.

Kennen is altijd kritisch kennen, zoeken naar gefundeerd kennen, in plaats van zomaar spontane overtuigingen tot een absoluut uitgangspunt te maken. Ook het materialisme of naturalisme, zelfs als dat een spontane onbetwijfelde overtuiging is, mag niet zomaar tot een uitgangspunt worden gemaakt. Wat betwijfelbaar is, moet worden betwijfeld. Ook dat moet in de kritische twijfel worden betrokken. Alleen zo kan het noodzakelijke worden gevonden als datgene wat tegen elke tegenspraak bestand is.

En dit alles wil zeggen dat het zinloos is om vanuit de dogmatische zekerheid van het naturalisme de mogelijkheid van een metafysica – een wetenschap dus van datgene wat aan de ervaring ontsnapt, of wat die ervaring mogelijk maakt, of wat het object van die ervaring mogelijk maakt – eenvoudigweg te ontkennen. Dat geldt naar mijn overtuiging dus ook voor het godsbewijs.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *