De breuklijn tussen cessationisten en continuationisten – is er een brug?

Het charismatische landschap kan een verwarrende aanblik bieden voor degenen die er geen deel van uitmaken. Charismatische leraren en gemeenschappen blijken in een voortdurende verandering te verkeren, waarbij steeds weer nieuwe gedachten en ideeën de koers van de gemeente bepalen. Vele goedwillende christenen, die zelf niet tot de charismatische beweging gerekend willen worden, aarzelen om het geheel van de charismatische beweging als een ketterij af te wijzen. Het zijn immers toch onze broeders, zeggen zij. Er is alleen maar sprake van een andere stroming binnen dezelfde rivier van de Geest. Zo komt het tot een positie waarin men voor zichzelf, in praktische zin, een cessationist is, terwijl men tegelijkertijd, hoewel met een zekere voorzichtigheid en relativering, het continuationisme aanvaardt.

Een dergelijke positie biedt ruimte aan charismatische gemeenten op grond van een bescheiden tolerantie en accepteert de continuïteit tussen gemeenten die wat minder en gemeenten die wat meer op het werk van de Heilige Geest georiënteerd zijn. Christenen die in deze positie staan, wijzen voor zichzelf de gaven van de Geest af, maar accepteren de mogelijkheid dat anderen in ieder geval oprecht in de bovennatuurlijke werken van de Heilige Geest geloven. Accepteren vaak ook de berichten over de bijzondere werkingen van de Geest. Niet alle claims kunnen toch vervalsingen zijn, zo redeneert men.

Ik ben van mening dat een dergelijke positie een (pragmatische) contradictie bevat. Immers, als mag worden aangenomen dat in onze tijd het bovennatuurlijke werk van de Heilige Geest hersteld is, dan is het onjuist om in praktische zin een cessationist te zijn. Maar omgekeerd, als mag worden aangenomen dat in onze tijd de Heilige Geest niet langer bovennatuurlijk werkzaam is zoals in de tijd van de apostelen, dan mag de claim van de charismatische beweging niet worden geaccepteerd – noch in de theologie, noch in de praktijk. Het standpunt van de semi-cessationist lijkt mij daarom onhoudbaar, zowel theologisch en theoretisch, als praktisch. Als het werk van de Geest elders zichtbaar gebeurt, dan heb je de plicht om erbij te zijn. Als het niet zo is heb je de plicht om je daarvan nadrukkelijk te distantiëren. Er zijn hier geen mogelijke grijsnuances.

Toch vinden we in onze dagen veel mensen die zichzelf ergens tussen de twee extremen plaatsen van het cessationisme en continuationisme. Ik wil hier betogen dat een dergelijke positie onhoudbaar is, strijdig met de claims van beiden. Er is sprake van een innerlijke cognitieve onevenwichtigheid. Het is een poging om enerzijds (praktisch) het werk van de Geest te ontkennen en anderzijds (theologisch) het bovennatuurlijk werk van de Geest te bevestigen.

Het lijkt mogelijk, om de relevante theologische posities af te beelden en je voor te stellen als op een continuum, op een glijdende schaal. Dat werkt ongeveer als volgt. Aan het ene extreem staan de vrijzinnigen die elk werk van de Heilige Geest ontkennen, of het idee van de Geest als een metafoor interpreteren. Een fraai voorbeeld is te vinden in het werk van de filosoof Immanuel Kant. Hier staat de Bijbelse term Geest voor de menselijke innerlijkheid.

Het andere extreem wordt gevormd door diegenen die niet alleen maar het bovennatuurlijke werk van de Geest bevestigen, en niet alleen spreken over bijzondere bedienaren met een zalving tot een specifiek werk van de Geest, maar ook spreken over een nieuwe openbaring die in onze tijd plaatsvindt als een voorbereiding op de eindtijd – zoals in de Nieuwe Apostolische Reformatie. Tussen de vrijzinnige verloochening van het bovennatuurlijk werk van de Geest en de extreem charismatische bevestiging ervan als een nieuw werk in onze dagen, kunnen dan alle andere posities worden gesitueerd.

Dat kan op deze manier worden uitgewerkt:

1) de liberale ontkenning van het bovennatuurlijke werk van de Geest en de herinterpretatie ervan als een metafoor voor de innerlijkheid.
2) de orthodoxe bevestiging van het werk van de Geest in de onderhouding van de natuur, en in de bekering en in de verlichting met de Heilige Geest, noodzakelijk voor het goede begrip van Gods Woord. (Zoals in de meeste evangelische en gereformeerde gemeenten.)

=====cessationistische/continuationistische breuklijn=====

3) de bevestiging van sommige bovennatuurlijke werkzaamheden van de Geest – in tongentaal en genezingen bijvoorbeeld – zonder of met verbondenheid met een bedienaar. (Sommige Pinkstergemeenten.)
4) de bevestiging van alle werkzaamheden van de Geest die in het Nieuwe Testament gevonden worden, als gaven aan de gemeente als geheel. Spreken in tongen, profetieën genezingen, wonderen, woorden van kennis, maar geen herstel van apostelen en profeten in de volle nieuwtestamentische zin. (Gematigde charismatische gemeenten.)
5) de bevestiging van gezalfden die een bijzondere bediening van een of meer van de gaven van de Geest hebben ontvangen. Dat wil zeggen de bevestiging van de volledige restauratie van het werk van de Heilige Geest. (De meerderheid van de charismatische gemeenten. De Toronto zegen, Randy Clark, Van der Steen, Koornstra, Giltjes, Feddes, De Wal et cetera.)
6) de bevestiging van een geheel nieuw werk van de Geest in onze tijd, inclusief het herstel van apostelen en profeten, met betrekking tot de eindtijd en de wederkomst. De Nieuwe Apostolische Reformatie rekenen we dan tot de extreme charismatische beweging.

Naar mijn oordeel is het onmogelijk om tussen (2) en (3), dat wil zeggen op de breuklijn, positie te kiezen. Welke positie zou dat kunnen zijn? De praktijk leert bovendien dat gemeenten vanuit positie (3) geleidelijk aan in de richting gaan van positie (4) tot en met (6). Tussen (3) en (6) bestaan er geen fundamentele breuklijnen met andere woorden, zodra we “sommige bovennatuurlijke werkzaamheden van de Geest” accepteren is er geen principieel en theologisch bezwaar meer te maken tegenover “de bevestiging van alle werkzaamheden van de Geest”, of vervolgens de koppeling van de gaven aan mensen met een bijzondere bediening. Het lijkt me ook duidelijk dat we van daaruit, vanuit positie (5) ook makkelijk terecht kunnen komen bij de extreme charismatische beweging van positie (6).

Nogmaals, welke positie zou dat kunnen zijn, die op de breuklijn zelf te vinden is? Men kiest dan in praktische zin voor (2) maar bevestigt de theologische mogelijkheid van (3). Is dat een consistent standpunt?

Ik zie tussen het continuationisme en het cessationisme geen glijdende schaal. Je bent of het een of het ander, omdat de praktijk van je geloofsleven moet aansluiten bij je fundamentele theologische overtuigingen. Er mag geen tegenspraak zijn tussen wat je denkt en wat je doet. Als de theologie van (3) acceptabel is of misschien zelfs waar is, dan is het onmogelijk om in een kerk te blijven die niet verder komt dan (2). In een dergelijke kerk wordt immers het ware, bovennatuurlijke werk van de Geest, feitelijk en praktisch verloochend. Als je echter de theologie van een kerk volgens model (2) accepteert, dan is theologisch en praktisch positie (3) een voorbeeld van ketterij, waarbij mensenwerk wordt uitgegeven voor Geesteswerk, feiten worden gemanipuleerd om te passen bij theologisch schema, en waar het ware, stille en innerlijke werk van de Geest wordt verwaarloosd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *