8 sleutels tot het begrip van demonen en engelen

Door te denken dat demonen als aparte entiteiten in de lucht fladderen, wordt verborgen dat ze juist in onze geest, en in de structuren van ons samenleven hun oorsprong hebben. In naïeve opvattingen over fladderende demonen hebben zij hun oorsprong op diabolische wijze weten te verbergen.

Een van de belangrijkste bijdragen aan de discussie over engelen en demonen in het Nieuwe Testament is afkomstig van Walter Wink. Hieronder geef ik in acht stellingen het vertrekpunt weer van het eerste deel van het drieluik, getiteld “Naming the Powers”, (1984) waarin het vooral gaat over de taal van de machten in het Nieuwe Testament.

1. Wanneer we lezen over engelen en demonen in de Bijbel, over “overheden en machten”, nemen we als vanzelfsprekend aan dat mensen in de eerste eeuw in deze bovennatuurlijke entiteiten geloofden in dezelfde zin waarin wij ze begrijpen en er niet in geloven. Zijn de overheden en de machten zoiets als onzichtbare wezens die rondvliegen in de lucht, om Gods wil uit te voeren als het engelen zijn, of, als het demonen zijn, af en toe een ongelukkige sterveling te belagen met ziekten, begeerten, of dood? Vanuit de vanzelfsprekendheid van het moderne materialisme zijn we niet in staat de pre-moderne beschrijvingen van engelen en demonen als iets anders te beschouwen dan als visioenen en hallucinaties.

2. Vanuit een modern gezichtspunt kunnen de “overheden en machten” eventueel worden begrepen als sociale en politieke instituties. Op die manier kan de tekst van zijn mythologische laag worden bevrijd. De taal van de Bijbel echter maakt duidelijk, dat de machten niet kunnen worden gereduceerd tot hun materiële manifestatie. De overheden en de machten zijn te beschouwen als de innerlijke en de uiterlijke kant van elke manifestatie van macht. Als volgt:

3. De overheden en machten zijn naar hun innerlijke kant de mentaliteit van instituties, de ideologie van politieke systemen, dat wat een geestelijke samenhang geeft aan vormen van menselijke organisatie, en wat het doel van die organisaties bepaalt op een bijna autonome wijze. Mensen zijn dan eerder in de greep van het innerlijk karakter van het systeem van de macht, dan dat ze het onder rationele controle hebben.

4. Naar hun uiterlijke kant zijn de overheden en machten de officiële politieke systemen, maar ook de aangestelde ambtenaren; de expliciet geformuleerde wetten, maar ook de voorzitters en de CEO’s van verenigingen en bedrijven. De organisatie van de macht die wij de staat noemen, is bij uitstek een voorbeeld ervan: dat woord op zichzelf verwijst naar een innerlijke en funderende samenhang in een veelheid van handelingen, functionarissen en ideeën die samen de manifestatie van de politieke macht in een samenleving vormen. Die politieke macht zelf is aanwezig als regulatieve idee, of als ideaal – zo in sterke mate het begrip democratie- maar tegelijkertijd alleen tastbaar in elke beslissing van de belastingdienst of van de ambtenaar die de sociale uitkering goedkeurt.

5. Het Nieuwe Testament spreekt echter niet over de overheden en de machten op deze gespleten manier. Wij beschrijven mentaliteiten in de sociale psychologie; ideologieën in de politieke wetenschap; en bestuderen het feitelijk handelen binnen de maatschappij en overheid in empirische wetenschappen en (politieke) geschiedschrijving. Het Nieuwe Testament spreekt een andere taal: de overheden en de machten worden gezien als bovennatuurlijk in een bepaalde zin en tegelijkertijd alleen maar aanwezig indien verbonden met een of andere lichamelijke realiteit. Het Nieuwe Testament maakt geen keuze tussen materialisme en spiritualisme, maar begrijpt de machten als gelijktijdig concreet en bovennatuurlijk. Met bovennatuurlijk bedoelen we nu niet een of andere metafysische realiteit, maar we bedoelen de dominantie van de macht die zich onttrekt aan de wil en de controle van degene die deze macht concreet uitvoeren.

6. Het Nieuwe Testament reikt ons een “taal van de macht” aan, waarmee het optreden van de machten in bepaalde opzichten beter kan worden begrepen dan in onze tijd door psychologie en sociologie mogelijk is. En dat ondanks  – of misschien juist dankzij – het feit dat deze taal niet heel precies, en zeer onsystematisch is. Dat blijkt juist aan de taal waarin over de machten wordt gesproken. Een en hetzelfde woord kan steeds in verband worden gebracht met de macht van de duivel, en met menselijke autoriteiten. Bijvoorbeeld door Lucas in een en hetzelfde hoofdstuk: Luk. 12:5 spreekt over de macht, de ” exousia”, van de satan en 12:11 over menselijke machten als “exousiai”. (Ons woord “machthebber” suggereert dat iemand macht heeft, het Griekse woord suggereert dat de macht aan iemand verbonden is, “uit” iemand tevoorschijn treedt.)

7. De machten in het Nieuwe Testament zijn tegelijkertijd hemels, zoals in Efeze 6, de “machten van de boosheid in het hemelse” (voetnoot 1) en ze zijn aards. Dat blijkt vooral bij een nauwkeurige analyse van de taal van de macht – en dat is het grondleggende werk dat Walter Wink ons in deze drie boeken aanreikt. Daarvan is de term “exousia” een van de meest aansprekende voorbeelden. Het woord kan duiden op menselijke autoriteiten, (Lucas 12:11.) Maar evenzeer bovenmenselijke machten aanduiden (Efeze 6:12). De taal van het Nieuwe Testament wordt door ons dan in twee verschillende kaders uitgelegd en vertaald. Maar de strekking van het Nieuwe Testament is nu juist dat alle menselijke overheden tegelijkertijd uitdrukkingen zijn van machten die van bovenaf op ons afkomen.

8. Tenslotte kan van de overheden en machten worden gezegd dat ze tegelijkertijd goed en kwaad zijn. Ze zijn geschapen om de wil van God te doen, maar heten demonisch of satanisch wanneer ze rebelleren tegen hun schepper, zich verzelfstandigen, en de mensheid die ze moeten dienen aan zichzelf onderwerpen.

Voetnoot 1
De vertalingen van het Nieuwe Testament gaan uit van een spiritualistische interpretatie. Efeze 6:12 krijgt daarom in de Telos vertaling deze vorm: “tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].” Het effect is dat we (1) niet meer kunnen spreken van het geestelijke, dat wil zeggen innerlijke aspect van de “boosheid” maar verwezen worden naar entiteiten met een geestelijk karakter en dat we (2) gaan denken aan een bovennatuurlijke ruimte, een landstreek in het hemelse, in plaats van een aanduiding te vinden van een kracht die van boven komt. De machten komen niet uit de hemel, maar ze komen wel van bovenaf, dat wil zeggen ze gaan de menselijke rationele beheersing te boven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *