Zoon van God en God de Zoon: een oud dogma op de ontleedtafel

Kornel Zathureczky:
Als het canonieke verhaal het soort identificerende linguïstische kracht heeft dat God benoemt als de Drie-eenheid, zoals Marshall terecht beweert, dan is de benaming van de Zoon van de trinitaire God met de eigennaam Christus een onjuiste benaming. De eigennaam Christus neemt afscheid van de linguïstische kracht van het verhaal dat functioneert als het geopenbaarde, goddelijke, linguïstische middel voor de identificatie van de Zoon.
De identificatie van de Zoon door de eigennaam, Jezus Christus, is een “verzakelijkte” naam, een objectiveerbaar teken, waaronder keizer Constantijn kon veroveren. De eigennaam van de Zoon, Dominus Iesus Christus, was het linguïstische teken dat de afslachting van de joodse of islamitische Ander door de christelijke strijder legitimeerde. De eigennaam Jezus Christus of Heer Jezus Christus is een naam die op een utilitaire manier wordt gebruikt om te veroveren, te onderwerpen, uit te buiten of, en dit is misschien wel het grootste misbruik van de naam, om de status quo van de tijd van de geschiedenis te handhaven en te bestendigen.

Wat zegt Kornel Zathureczky hier nu mee?
Drie dingen:
  • Dat we (1) wellicht een innerlijke zelfonderscheiding (niet een onderscheiding als een “gegeven”, maar een onderscheiding-in-actie) in God mogen stellen. Dat we dus mogen zeggen dat God in zich veelvoudig is, wat het woord “echad” ook kan aanduiden: als we het lezen als ver-enigd in onderscheid tot “jachied“, enkelvoudig. (Deut. 6 zegt dat Hasjem “echad”  is.)
  • En dat we (2) niet zonder meer Jezus als de Messias (Zoon van God) mogen identificeren met deze “God de Zoon”. De relatie van God de Zoon (innerlijke onderscheiding in God) en de “Zoon van God” (titel voor een mens in een bijzondere relatie met God) moet dan nader worden uitgewerkt, en de vroege kerk deed dat door de lijnen van het OT te volgen en kwam uit bij adoptianisme.
  • En dat we (3) de identificatie van Jezus met de tweede persoon in de triniteit – pas volledig in het concilie van Chalcedon – moeten zien als de linguïstische (dogmatisch-theologische) verbinding tussen de Messias Jezus die we navolgen, met de goddelijke almacht die een absoluut gelijk, een absolute waarheid, een absolute superioriteit tegenover het jodendom met zich meebrengt. Met alle ellendige gevolgen vandien.

Is het adoptianisme een “ketterij”? Maar dan vinden we die ketterij in het NT terug! Alleen vanuit de latere dogmatiek kan het zo genoemd worden. Is de triniteitsleer een ketterij? Wel als we overwegen dat het NT geen behoefte had om een ontologische identiteit tussen God de Zoon en de Zoon van God aan te nemen. Dat is nergens terug te vinden. Er is sprake van een “linguïstische”  onbepaaldheid in het NT. Het Grieks van het NT is niet in staat volledig weer te geven wat in het Hebreeuwse denken een zekere onbepaaldheid houdt: Jezus wordt benoemd met de Naam “Heer”, met “Zoon”, met “God” – maar een naamsdrager is niet identiek aan Degene die de Naam in zich heeft – en niet draagt. Heeft God de Messias niet die Naam gegeven die boven alle Naam is? Let op:  “gegeven”!

En verder: “Ik en de Vader zijn één” betekent niet: “één en dezelfde”, is niet jachied in de zin van enkelvoudig deze éne. Is het hier niet juist om echad te doen? Een ver-énigd zijn van de Heere God en Zijn Gezalfde in hun wil? Eerder een eenstemmigheid dan een wezensgelijkheid.

Tenslotte: we bedenken het adoptianisme niet in de moderne tijd om de afstand tot het jodendom te verkleinen. Ik zou eerder zeggen: we grijpen terug op het oudste ontwerp van de relatie tussen God en Jezus door het adoptianisme opnieuw als de kern van de belijdenis van Jezus op te vatten. We kiezen voor (een vorm van) adoptianisme omdat de nauwkeurige lezing van het NT het ons mogelijk maakt en de geschiedenis van de verhouding tot het jodendom ons daartoe uitdaagt.

Een gedachte over “Zoon van God en God de Zoon: een oud dogma op de ontleedtafel

  1. Op deze manier lijkt het dat het belijden van de triniteit uiteindelijk de Holocaust tot gevolg heeft gehad……..Zelf denk ik in termen van macht en meer- of minderheden. Het is een universeel verschijnsel dat de minderheden, waar en wanneer ook ter wereld, en vanuit welke geloofsovertuiging dan ook, onderdrukt worden door de meerderheid als machthebbers voor die meerderheid kiezen.
    Leve de scheiding van kerk en staat!
    Ik zit meer met het probleem dat wij, als christenen, goud in onze handen hebben, maar er in de afgelopen 20e eeuwen soms zo vreselijk zijn afgegleden. Ook binnen het christendom heeft de minderheid het vaak af moeten afleggen tegen de meerderheid (roomsen versus protestanten, contraremonstranten versus remonstranten etcetera).
    En dan nog al die verschillende kerken en kerkjes…..

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *