De theologie van Robbert Veen beweegt zich op een terrein waar maar weinig christelijke denkers zich wagen: de radicale heroriëntatie op het jodendom als oorsprong én toetssteen van het christelijk geloof. Zijn werk laat zien hoe diep het christendom is gevormd door Griekse filosofie en Romeinse macht, en hoe ver dat soms afstaat van de wereld waarin Jezus leefde en sprak. Wat hij voorstelt is geen cosmetische correctie, maar een terugkeer naar het joodse hart van de Schrift.
In zijn exegeses klinkt een scherpe kritiek door op vertrouwde dogma’s. Niet om te provoceren, maar omdat hij vindt dat veel van wat wij “christelijke leer” noemen niet uit de Bijbel zelf komt, maar uit de geschiedenis van de kerk. Zijn herlezing van Paulus is daar een goed voorbeeld van: niet de Paulus van de Reformatie of de systematische theologie, maar de Paulus van de synagoge, de diaspora en de Griekse tekst. Een Paulus die niet de breuk met Israël belichaamt, maar juist de trouw van God aan Israël bevestigt.
Wat zijn werk bijzonder maakt, is de waardering voor de rabbijnse traditie. Niet als exotische aanvulling, maar als de wereld waarin de Schrift ademt. Zijn onderwijs in Hebreeuws, Grieks en Talmoedische denkvormen is bedoeld om christenen opnieuw te leren lezen, zonder de bril van latere dogmatiek. Dat maakt zijn theologie soms confronterend, maar ook bevrijdend: het opent ruimte voor een geloof dat niet tegenover Israël staat, maar er middenin.
Veen schrijft buiten de institutionele kerk, maar niet buiten het christelijk geloof. Juist die positie geeft hem de vrijheid om te zoeken naar een vorm van theologie die trouw is aan de Messias én aan Israël. Het schuurt, het daagt uit, maar het wijst ook een weg terug naar de bron. In een tijd waarin veel tradities wankelen, is dat misschien precies wat nodig is.
Tja, feiten zijn feiten. Feiten onderbouwen het geloof, dat niet in de lucht hangt. En twijfel aan claims van feiten kunnen door onderzoek worden weggenomen. Wie tegen alle argumenten in toch twijfelt, is teveel met zichzelf bezig of stelt te hoge eisen aan de “zekerheid.”
Ik moest denken aan 1 Korinthiers hoofdstuk 15. Vers 12-17.
1 Korinthiërs
15:12 Indien er nu van Christus gepredikt wordt dat hij uit de doden is opgewekt,+ hoe kunnen dan sommigen onder U zeggen dat er geen opstanding* van de doden is?+ 13 Indien er werkelijk geen opstanding van de doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.+ 14 Maar indien Christus niet is opgewekt, is onze prediking stellig vergeefs, en ons geloof is vergeefs.+ 15 Dan blijken wij bovendien valse getuigen van God te zijn,+ want dan hebben wij tegen God in getuigd+ dat hij de Christus heeft opgewekt,+ die hij echter niet opgewekt heeft indien de doden werkelijk niet worden opgewekt.+ 16 Want indien de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt. 17 Indien bovendien Christus niet is opgewekt, is UW geloof nutteloos;