De mythe van de mythe

voor Jarek

Arne

Het is een van de belangrijkste wapens in het arsenaal van de vrijzinnige Christen, dit woord “mythe”. Als we “wetenschappelijk” niets kunnen weten over Jezus, d.w.z. onafhankelijk van de bronnen die we beoordelen als (te) laat geschreven door mensen die geen ooggetuigen waren, bevooroordeeld omdat het de opvattingen van de eigen groep weerspiegelt, propagandistisch omdat het alleen bedoeld was om mensen over te halen mee te gaan doen etc. –  dan blijft over dat we moeten gaan spreken over een mythe. Als we tenminste nog denken dat er een waarheid in zit van enige aard. Anders zeggen we – d.w.z. als je een atheïst bent – liever dat het om een rechtstreekse leugen gaat.

Heeft Jezus bestaan? Op de website van de Vrijzinnig Protestantse Vereniging is dat geen belangrijke vraag. Want er zit genoeg in de verhalen om over na te denken en de mythe van Christus is toch nog een bron van inzicht. Evenals alle andere religieuze verhalen vermoedelijk.

Kortom, dit is het vrijzinnige standpunt: van Jezus weten we niets, maar de verhalen over Hem zijn toch nuttig, als mythe.

2018-04-24_0819

Hier gaan onze wegen uiteen, bij de definitie van “mythe” alleen al. Het is een versluierend taalgebruik. Ik zou zeggen: een mythe is een verhaal dat vanuit een pantheïstische wereldvisie geschreven is en magische elementen bevat. De verhaalkunst van de Bijbel heeft daar niets mee te maken. Wat aangemerkt wordt als mythe is geen product van mytho-poiesis, maar van historio-poiesis. Het citaat van Bultmann is een “humpty-dumpty”, d.w.z. het is een definitie van mythe gebaseerd op de beroemde uitspraak van Humpty Dumpty in “Alice in Wonderland”:

“Als ik een woord gebruik, dan betekent het wat ik het wil laten betekenen – niet meer en niet minder.”

Maar elke conversatie stort ineen als iedereen zijn eigen betekenis aan woorden geeft.

2018-04-24_0827

Rudolf Bultmann definieerde “mythologie” als “het gebruik van beelden om het bovenwereldlijke uit te drukken in wereldlijke termen en het goddelijke in termen van het menselijke leven, de “gene zijde” in termen van “deze zijde.” Alle verwijzingen naar het goddelijke zijn “mythisch”. Dat is een definitie die volgens Bruce Waltke berust op drie pijlers:

  1. Alleen wetenschappelijke “feiten” vormen de echte realiteit.

  2. Het suggereert een verwantschap tussen Bijbelse en niet-Bijbelse verhalen zonder argument.

  3. Uiteraard kan over het bovenwereldlijke alleen in analogiën gesproken worden: antropomorfisme (b.v. Gods sterke arm) en antropopathisme (b.v. Gods toorn) zijn vanzelfsprekend.

Het is zinvol over mythen te spreken als we daar een scherpe definitie aan kunnen geven. Bijbelse verhalen zoals de scheppingsgeschiedenis in Genesis 1 een mythe noemen verdoezelt de verschillen en suggereert dat dezelfde motieven hier aan het werk zijn, zeg maar: een verklaring geven van de wereld. Maar bij voorbeeld de oude mythen die over het ontstaan van de wereld spreken hebben een aantal overeenkomsten die het zinvol maakt de term mythe tot hen te beperken.

  1. Ze veronderstellen dat de wereld op een of andere manier onderdeel is van het goddelijke.

  2. Ze veronderstellen de mogelijkheid van magisch handelen, door de goden of door mensen/priesters.

  3. Ze spreken over een strijd met de chaos met de huidige wereldorde als doel

  4. Ze bevatten het idee van een cyclische wereldgeschiedenis, een terugkeer van het zelfde.

  5. Ze reduceren het werkelijk historische tot het marginale, bijkomstige.

Een snelle blik op de Bijbelse scheppingsgeschiedenis maakt duidelijk dat we te maken hebben met een enorm verschil.

  1. de schepping is volledig verschillend van de Schepper.

  2. De poging tot magie is verboden en God handelt niet “magisch” – d.w.z. hij manipuleert geen bestaande krachten.

  3. Er is geen sprake van een Chaos waarmee gestreden moet worden. de Bijbelse tohoe-wa-vohoe is een toestand van leegte en vormeloosheid, geen ‘macht’ die zich verzetten kan.

  4. De wereldgeschiedenis in de Bijbel is niet cyclisch, maar lineair en loopt van een begin tot een einde.

  5. Het werkelijk historische (Gods daden, schepping, roeping, bovennatuurlijke geboorte, Exodus etc. ) staat verre boven het verklarende verhaal.

De vrijzinnige theologie doet een poging om het historische verhaal van de Bijbel te “mythificeren”, om er daarna als verlichte en moderne mensen de “les” uit te halen – geheel volgens de eigen verlangens en ervaringen. Maar de Bijbel bevat “verhaalde geschiedenis”, en niet narratieve “mythen”. Voor de schijvers van de evangelieën was overduidelijk de waarachtigheid van het verhaal als geschiedenis van groot belang, zelfs wanneer ze die geschiedenis “verhaalden” en niet op een moderne manier reconstrueerden. Mythen zijn historische ficties, die uitdrukking geven aan pantheïsme en magie. Het is niet “historia”.

De Bijbel gebruikt natuurlijk wel de methode van de mythe: het gebruik van symbolen om een psychologische of geestelijke realiteit aan te duiden. Zo is de introductie van de ‘slang” in Genesis 3 een mythische vorm voor een realiteit die niet “beschreven” wordt, maar alleen aangeduid. Maar dat houdt in dat het niet de intentie van de schrijver geweest is een “eeuwige” en cyclisch herhaalbaar gebeuren aan te duiden, maar juist een mededeling te doen van een unieke en eenmalige, historische gebeurtenis. Het “mythische” is in de Bijbel een onderdeel van de vorm, niet van de inhoud.

waltke

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *