De Jezusvormigheid van de theologie – tegenspraak met Kuitert

Is de Bijbel door mensen bedacht? Kuitert meent van wel met zijn beroemd geworden uitspraak: “alle spreken over Boven komt van beneden.”

Een van de argumenten daarvoor, is de gedachte dat de Bijbel “mensvormig” over God spreekt. “De taal van het geloof, van de religie, bestaat van A tot Z uit metaforen.” Ik citeer nu uit pagina 172 tot en met 178 van het boek “Jezus, nalatenschap van het christendom” (Baarn, 1998). Kuitert wijst erop dat ook de kerkvaders een pleidooi hebben gevoerd voor een zuivering van de Bijbel. De primitieve Gods voorstellingen moesten uit de Bijbel worden weggehaald. God kan niet toornig zijn, heeft geen gevoelens, heeft geen handen en voeten et cetera. De Bijbel spreekt niet passend over God want ze stellen Hem mensvormig voor.

Tegelijkertijd geldt dat veel mensen niet zonder Gods mensvormigheid in God kunnen geloven. Gewone mensen hadden hun mensvormige God en theologen die filosofie hadden gestudeerd, hadden hun zuivere godsbegrip. In eerste instantie neemt Kuitert het op voor dit spreken over God. Christenen beweren niet dat God net zo als een mens is, “maar dat ze over Hem spreken als over een mens, als ze willen verduidelijken wie God is en wat Hij doet.” Een dergelijke manier van spreken heet dan een metafoor. God is ALS een mens.

Volgens Kuitert is dat niet erg, zolang we beseffen dat we met een metafoor te maken hebben. En zelfs met een hele bijzondere. Een gewone metafoor heeft als vorm bijvoorbeeld “Hans is als Piet.” Dat betekent dat we al iets van Hans weten maar nu nadere informatie over hem krijgen. En dat roept dus een vraag op over het gebruik van metaforen in ons spreken over God. “Weten we iets van God en voegt zijn mensvormigheid nadere informatie toe?”

Volgens Kuitert komt al ons spreken over Boven van beneden. We hebben dus niets anders dan metaforen. De abstracte taal van de filosofen is net zozeer een metafoor als de concrete taal van de Bijbel. Onze metaforische taal voegt dus niets toe. Met de woorden van Cornelis Verhoeven: we cirkelen rondom een leegte.

Maar is dat dan erg, dat de Bijbel over God spreekt in metaforische taal? Hebben bovendien de concrete beelden en uitdrukkingen van de Bijbel niet ook een innerlijk verband met de filosofische begrippen waarmee de klassieke theologie de Bijbelse leer voor het verstand wilde verduidelijken? Dat daarbij ook ongelukken zijn voorgekomen – denk maar aan het verschil tussen het Bijbelse begrip van Gods macht die een grens bepaalt, en het filosofische begrip van Gods Almacht waarin Hij voor alles verantwoordelijk wordt gehouden – staat buiten kijf. Niet elke poging om in filosofische taal de Bijbel te herformuleren kan geslaagd worden genoemd en is vaak afhankelijk van de heersende mode van de tijd. Karl Barth was daarom van mening dat de theologie van deze beïnvloeding door de filosofie moest worden gezuiverd. Zijn Kirchliche Dogmatik is het resultaat van deze zuivering. Toch is het onvermijdelijk dat de systematische theologie logische vormen en wijsgerige concepten hanteert. De vraag is niet of wij die meer abstracte begrippen wel nodig hebben, de vraag is alleen of ze ondanks hun abstractie correct zijn in de weergave van de Bijbelse openbaring.

Wanneer God wordt voorgesteld als een Wezen dat gevoelens heeft, toornig kan zijn, liefdevol kan handelen et cetera, is het maar de vraag of dat alles van beneden komt. Ik bedoel dit: wij besluiten dat dit een metafoor moet zijn omdat God uiteindelijk geen mens is. Dat is op zich een abstracte en weinigzeggende vaststelling. Het maakt “God” tot een leeg begrip, een X waaraan dan vervolgens eigenschappen moeten worden toegedicht.

Het ligt dan voor de hand om te zeggen dat wij Hem eigenschappen toedichten, die wij alleen kennen vanuit onze menselijke ervaring. Wij vullen de leegte met onze ervaringen. Maar overweeg eens het volgende: als deze God inderdaad onze Schepper is die de mens heeft gemaakt naar Zijn beeld en gelijkenis, dan is het onvermijdelijk dat er een analogie bestaat tussen God en Zijn eigenschappen en onze eigenschappen. Als wij betwijfelen of God kan spreken is het goed te beseffen, dat het tegendeel onwaarschijnlijker is. “Zou God die ons geschapen heeft als sprekende wezens dan niet zelf kunnen spreken?” Zou God die ons geschapen heeft dan niet kunnen horen, voelen, handelen? Wij schrijven dat dan niet aan Hem toe vanuit een volstrekt neutrale uitgangspositie – we hebben een onbekende X en we vullen die leegte in met onze eigenschappen – maar de metafoor is gerechtvaardigd op grond van de relatie – de analogie – tussen schepper en schepping.

Dat betekent concreet dit: dat de relatie van God als subject tot Zijn handelingen gelijkenis vertoont met de relatie tussen een menselijk subject en diens handelingen. En zo evenzeer voor de relatie tot zichzelf en het andere. God is het subject van Zijn eigenschappen, evenals wij dat zijn. Anders is Hij geen geestelijk wezen, maar een leegte, een punt waarop wij projecties maken. Dan is er zelfs niet werkelijk een spreken “over Boven”, omdat zelfs “Boven” dan een metafoor is van een niet geheel geslaagde poging om van beneden af te spreken.Als dit “Boven” iets is, dan moet dat meer zijn dan alleen een X.

Het is bovendien een Bijbels gebod dat wij ons van God geen beeld mogen maken. De uiteindelijke reden daarvan is het gegeven dat de Heer Jezus en Hij alleen “het beeld is van de onzichtbare God.” Als wij zeggen dat God is zoals Jezus, ook in de menselijkheid van Jezus, dichten wij God geen eigenschap toe. Wel wanneer wij het menselijke vanuit onze ervaring op God gaan toepassen. Met andere woorden, ons “Jezusvormig” spreken over God als subject is in overeenstemming met Gods spreken over zichzelf. Maar dat is wezenlijk iets anders dan een “mensvormig” spreken over “het goddelijke” als object waar de religie zich mee bezighoudt.

De conclusie zou toch moeten zijn, dat een spreken over God van beneden af, alleen zinvol en mogelijk is wanneer het gebaseerd is op Gods spreken van Boven uit. Inderdaad mogelijk! De axiomatische veronderstelling van elke theologie is dan ook, zoals Karl Barth het formuleerde: Deus dixit! God heeft gesproken! Daarom is het metaforisch karakter zowel van de taal van de Bijbel als van de theologie als van de christelijke filosofie geen hoogmoedige overdrijving onze kennis, maar juist de door God Zelf gegeven mogelijkheid om met deze God in een dialoog te treden.

Liked it? Take a second to support Robbert Veen on Patreon!

Eén antwoord op “De Jezusvormigheid van de theologie – tegenspraak met Kuitert”

  1. Analogie: Ons spreken, ook spreken met elkaar, is wel een gift en een model “van boven”. Hoe zouden we “beneden” met elkaar kunnen spreken zonder te kunnen vorderen in elkaar leren kennen; het gesprek zou spoedig stoppen.

    Hoe zou dan ons antwoorden aan onze Schepper kunnen plaatsvinden, als Hij bij Zijn ons aanspreken, ons niet meegaf Hem tenminste enigszins te kennen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *