De Israëltheologie van Ouweneel – # 1.4.1

Ik lees zo af en toe in “Het Israël van God” van Willem Ouweneel. Een fascinerend boek. Ik wil vandaag kort berichten over een belangrijke gedachte die hij onder woorden brengt in paragraaf 1.4.1

Daar spreekt hij over de roeping van Abraham. In het korte bestek van anderhalve pagina wordt een grote hoeveelheid Bijbelse teksten op een heldere wijze geordend. In de eerste plaats heeft God met de zondvloed geantwoord op een mensheid die was weggezakt in verdorvenheid en geweld – Genesis 6:5, 11.
Wanneer de generaties van na de zondvloed dezelfde diepte van kwaad vertonen als daarvoor, is een zondvloed niet meer mogelijk. De regenboog in de wolken is daar het symbool van. Nu kiest de Here God opnieuw een man uit om Zijn heilsplan voort te zetten. Geen oordeel over de mensheid in dit geval, want Hij “laat alle volken op hun eigen wegen gaan” (Hand. 14:16). Zoals eerst Noach gekozen was, kiest Hij nu zijn zoon Sem, en uit het nageslacht van Sem kiest Hij zich Eber, en vervolgens kiest Hij Terach, en tenslotte kiest Hij Abram.

In Jesaja omschrijft Hij het zo: “Aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem” (Jes. 51:2). Door de familie van Terach en Nachor werden “andere goden gediend” (Joz. 24:2). De keuze van Abraham berustte niet op de voortreffelijkheid van zijn familie. Jozef 24 maakt op die manier duidelijk waarom alleen Abraham in aanmerking kwam. Ofwel Abraham heeft in zijn hart de Here gediend – zoals de joodse traditie aannam – ofwel werd hij door de roeping van de Here tot bekering gebracht.

Maar het belangrijkste is dit. In de zevenvoudige belofte die de Here aan Abraham geeft, zijn er elementen van wat God voor Abraham doet (groot volk, zegen, naam groot maken) vervolgens zijn er beloften van wat de Here zal doen door middel van Abraham (Abraham zal tot een zegen zijn en in Hem zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden), maar in de derde plaats doet hij ook iets met de mensen die met Abram in aanraking komen. De Here zal zegenen wie hem zegenen, en vervloeken die hem vervloeken. Je wordt in Abram gezegend of je wordt in Hem vervloekt. Dat is volkomen afhankelijk van je houding tegenover Abraham en zijn nageslacht. Je kunt niet horen bij de God van Abraham, Isaak en Jakob als je deze Abraham en zijn nageslacht niet zegent, dat wil zeggen “het goede over hen proclameert” en, vul ik aan, daadwerkelijk bevordert.

Ouweneel merkt dan op dat dit een leidraad zal zijn voor de rest van zijn boek. Een stelling die hij ontleend heeft aan de roeping van Abraham en de zevenvoudige belofte. En dat is deze stelling:

de niet-Jood kan niet bij God horen als hij de Jood niet zegent.

De behoudenis is uit de Joden (Johannes 4:22), en dat is het etnische Israël – geen geestelijk Israël of de Kerk. De redding en het behoud voor elke christen is nog steeds “uit de Joden.”

Het lijkt mij een juiste conclusie. Dat is de ware betekenis van de vijfde en zesde belofte die de Here aan Abraham gegeven heeft in Genesis 12. Het is een beginsel dat eenmaal voor alle tijden is vastgelegd. Maar met het reciteren van deze stelling zijn we er natuurlijk nog niet. Het roept ook veel vragen op waar Ouweneel nog ruim 400 pagina’s aan wijden zal. Wat is dan precies deze zegen die we ontvangen wanneer wij Abraham en zijn nageslacht zegenen? Is er een onderscheid met de zegen die wij “in Hem” zullen ontvangen? En is het niet zo dat wij, heidenen, deze zegen niet rechtstreeks van Abraham, maar door bemiddeling van Jezus Christus, de zoon van Abraham ontvangen? En is die zegen alleen maar een proclamatie? Een “het goede toewensen”?

En uiteraard alle andere vragen die we zouden willen stellen over de relatie tussen Israël – in zijn vele betekenissen – en de gemeente van Christus. Vragen waarvan de antwoorden diepe gevolgen hebben voor de wijze waarop wij de Bijbel lezen, denk maar aan onze interpretatie van het boek Openbaring.

In ieder geval is het project van dit boek, namelijk het ontwerp van een “Israeltheologie” die als het fundament en kritische standaard van een “ecclesiologie” kan optreden, van het grootste belang. Daarmee kan eindelijk een einde worden gemaakt zowel aan de onverschilligheid als aan de vijandschap tegenover Israël die de klassieke theologie in hoge mate beheerst heeft.

RAV

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *