De broeders en zusters liefhebben

Verslag van de bespreking van 19 april 2017

1. Liefde als het oude gebod (2:7)
2. Liefde als het nieuwe gebod (2:8)
3. Liefde als een manier van leven (2:9-11)
4. Samenvatting

Voor Johannes is het duidelijk: liefde is het kenmerk van een waarachtige gelovige. Liefde tot God is de inhoud van onze relatie met Hem. Liefde voor andere mensen is het hoogtepunt van alle menselijke relaties. Liefde tot God en de naaste is de kernachtige samenvatting van Gods geboden.

1. Liefde als het oude gebod (2:7)

Je kunt aan Johannes merken, dat hij die liefde ook voelde voor de mensen aan wie hij schreef. “Geliefden” zegt hij in vers 7. (“Broeders”, zegt de Statenvertaling op grond van een verschil in de grondtekst.) De opdracht om lief te hebben is in zekere zin geen nieuw gebod. Het komt al voor in Leviticus 19:18, “U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de Heere.”
De opdracht om elkaar lief te hebben was dus een gebod dat de lezers van de brief vanaf het begin af aan van hun christelijke leven al kenden. Johannes bedoelt te zeggen dat hij in deze brief niet met iets nieuws komt. Ze hebben het gebod al gekend vanaf het begin van hun christelijke leven. Ze hebben dat oude gebod vanaf het begin gehoord omdat in hun leven het Oude Testament de Bijbel was die ze gehoorzaamden. Toen deze mensen het evangelie aanvaard hadden, namen ze dit gebod op zich, zoals ook Jezus het hun geleerd had.

2. Liefde als het nieuwe gebod (2:8)

Toch, zegt Johannes, “schrijf ik u een nieuw gebod.” Op het eerste gezicht spreekt hij nu zichzelf tegen. Is naastenliefde nu een oud gebod volgens het zevende vers, of een nieuw gebod volgens het achtste vers? Johannes gebruikt voor “nieuw” het Griekse woord “kainos” – met een N dus. Het betekent zoiets als “vers”, “fris”. Als hij bedoelde te zeggen, dat het geheel en al nieuw was en ongekend, dan had hij het Griekse woord “kairos” gebruikt – met een R dus. Het scheelt maar heel weinig, maar er zit een wereld van verschil tussen deze twee woorden. Misschien zouden we kunnen vertalen met: “toch schrijf ik u een vernieuwd gebod.”
Wat is er dan vernieuwd of fris aan het gebod van de liefde? In de eerste plaats ligt in het Nieuwe Testament de volle nadruk op dit gebod. Het ontbreekt niet in het Oude Testament, maar het lijkt daar toch ondergeschikt te zijn aan vele andere geboden, die bijvoorbeeld eerder met gerechtigheid en heiligheid te maken hebben.
In de tweede plaats is er voor dit gebod nu een nieuw voorbeeld. De liefde van God die zichtbaar is geworden in het offer van Jezus Christus, die Zijn leven gaf voor de Zijnen, is nu het model. Elders heb ik al eens betoogd, dat de parabel van de Barmhartige Samaritaan vooral wil duidelijk maken hoe Jezus (= de Samaritaan) met ons (het joodse slachtoffer) omgaat. De naastenliefde wordt dus niet zomaar onderwezen, maar voorgesteld als een navolging van Jezus die het al deed, en wel tegenover óns.
In de derde plaats is de liefde tot God en de naaste nu geworden tot het beslissende kenmerk voor de leden van Gods volk. Je kunt aan de liefde die je doet (niet wat je voelt, maar je daden zijn beslissend!) afmeten of je een christen bent en hoe ver je gevorderd bent in je groei.
In zijn evangelie schrijft Johannes daarom zo uitgebreid over een heel bijzondere gebeurtenis. Jezus wast de voeten van de discipelen. Hij, de hemelse leraar en Heere, wast hun voeten als een nederige dienstknecht. En dan zegt Jezus: “Ik gaf jullie een voorbeeld dat jullie ook moeten doen zoals ik gedaan heb” (Joh. 13:1-17). De liefde tot God en de naaste is een nederige liefde, die dienstbaar wil zijn aan de noden van anderen. Er bestaat niet zoiets als trots liefdebetoon. Wie Jezus wil navolgen, zal ernaar streven om lief te hebben zoals Jezus liefhad. Deze liefde is een gevende liefde, die tot offers bereid is.
Het maakt verschil of wij het gebod van de liefde horen in de context van het Oude Testament, of in de context van het Nieuwe Testament. In Christus’ voorbeeld en onderwijs vinden we de vernieuwde en geïntensiveerde vorm van het liefdesgebod.
Dit gebod, schrijft Johannes, is wáár in Hem – omdat Jezus Christus het volledig vervuld heeft – én in u – het is ook een realiteit die zichtbaar wordt in het handelen van de gemeente van Christus. Het is belangrijk dat dit gebod ook “waar” is.
Hoe kun je nu van een gebod zeggen dat het waar is? Als niemand in staat is een gebod uit te voeren, wordt nergens zichtbaar wat het gebod eigenlijk betekent. Het wordt tot een fictie of een utopie. Maar niemand hoeft eraan te twijfelen dat het gebod van deze radicale, zichzelf opofferende liefde voor God en de naaste bestaan kan. Het is geen fantasie, omdat wij weten dat Jezus Christus het vervuld heeft en heeft waargemaakt. Johannes is er van overtuigd dat het ook in de lezers van zijn brief tot een merkbare realiteit is geworden. Natuurlijk zijn christenen ook altijd tot zonde geneigd en hebben vergeving nodig. Desondanks wordt de liefde tot God en de naaste bij hen zichtbaar.
Omdat de gemeente in staat is om zo tot op zekere hoogte te weerspiegelen dat de Heere Jezus ware liefde is, kan er een conclusie worden getrokken. Dat is het derde deel van dit vers. Je kunt er aan zien, schrijft Johannes, dat de duisternis die over deze wereld gevallen is, al bezig is te verdwijnen (“gaat voorbij” staat in de tegenwoordige tijd), en dat het waarachtige licht al schijnt. Dat wil zeggen dat Gods karakter in het handelen van de gemeente al wordt zichtbaar gemaakt. Niet als de bron van licht, maar als de weerspiegeling ervan. Op die manier wordt het handelen van de gemeente tot een zichtbaar bewijs van de waarheid van het evangelie. Andersom gezegd: waar dit niet gedáán wordt, is het evangelie nog niet bewezen.

3. Liefde als een manier van leven (2:9-11)

Johannes heeft echter te maken met mensen voor wie het gebod tot broederlijke liefde maar een bijzaak is. Het gaat om mensen die zeggen, dat liefde een bij-komende emotie is, en dat je zondige mensen niet mag liefhebben vanwege de heiligheid van God, en dat liefde voor de broeder of de naaste alleen maar kan leiden tot morele en spirituele onzuiverheid. De valse leraren uit de dagen van Johannes waren van mening dat zij over een hogere kennis van de goddelijke natuur beschikten en in een waarachtige geestelijke gemeenschap met God konden leven. Die opvatting leidde ertoe dat zij gewone christenen gingen minachten of “haten”. De meeste christenen waren van eenvoudige komaf. Het waren slaven of leden van de werkende klasse – met een modern woord. Maar deze eenvoudige christenen demonstreerde juist hun ware kennis van God doordat zij niet alleen elkaar lief hadden, maar ook in liefde het evangelie verkondigden tegenover mensen die in duisternis gevangen zaten.
Een dergelijk gebrek aan liefde is niet ongewoon. We kunnen ons dat makkelijk voorstellen. Wie een ander liefheeft mag daarbij geen zelfzuchtige motieven heb-ben. Goed dan. Zo makkelijk is dat bepaald niet. Het is iets wat je vaak tegenkomt in de wereld. Mensen zijn selectief in hun vriendschappen omdat ze zich steeds afvragen wat ze aan een ander hebben. Vriendschap wordt een investering waar-van je rendement verwacht. Kan iemand misschien een schakel zijn tussen jou en een belangrijk persoon die je graag wilt ontmoeten? Kan een ander misschien aan jou dienstbaar zijn? Is een ander in staat om jou een goed gevoel te geven over jezelf? Elke keer wanneer iemand zegt een ander lief te hebben maar deze zelfzuchtige redenen koestert, is er geen sprake van een waarachtige liefde. In de taal van Johannes: zo iemand haat zijn broeder of zuster. “Haat” is hier dus niet alleen het tegendeel van liefde in het algemeen, maar alles wat afwijkt van de waarachtige norm van onze zelfzuchtige en vrijgevige liefde zoals Christus die heeft voorgelegd. Wie een ander niet liefheeft zoals Christus hem of haar heeft liefgehad, maar liefheeft ter wille van zichzelf, die is eigenlijk een hater.
Nu mag dit ook niet leiden tot een diepgaand zelfonderzoek, waarin we in onszelf van alles en nog wat aantreffen wat kan duiden op zelfzuchtige motieven of bijkomstige redenen. Het is al te gemakkelijk om jezelf nog harder te oordelen dan God het doet. Het is goed te vertrouwen op de Heilige Geest die in je woont, wanneer die jou zegt dat jouw liefde oprecht is. Je hoeft je niet te bewijzen aan jezelf of een anderen door een overmaat van opoffering, je hoeft deze liefde dan ook niet altijd in de volle intensiteit te voelen.
Als Christus in je woont, is die liefde in jou werkzaam. Daarop mag je vertrouwen. Ook wanneer je het soms niet voelt, en ook als je niet tot het uiterste kunt gaan in je opoffering. Het voorbeeld is wel Christus, maar Christus is niet de (minimale) norm. Ik bedoel daarmee dat we ons niet schuldig hoeven te voelen, dat wij de volle maat van de naastenliefde van Christus zelf niet kunnen waarmaken. We mogen vertrouwen op de Heilige Geest dat hij in ons werken wil en ons zal doen groeien in deze liefde. Het enige – en hoe belangrijk is dat niet voor alles in ons leven! – wat nodig is, is openheid voor het werk van de Geest in ons.
Wie anderen liefheeft, krijgt daardoor ook een diepere gemeenschap met God. Johannes schrijft dat in vers 10. “Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht” – dat licht is volgens 1:4 God Zelf.
Dat “blijven” is een belangrijk woord in de terminologie van Johannes. Het betekent zoiets als rusten in, volledig vertrouwen op, vervuld zijn met. Als je ergens blijft, dan woon je er, het is je natuurlijke plaats om te zijn wat je bent. Voor ons is dus onze natuurlijke plaats en omgeving van ons leven “in Hem.” Je identificeren met Christus, Hem geloven en erkennen en vertrouwen en navolgen, dat is voor een christen de vanzelfsprekende inhoud, bron en doel van het leven. Kijk maar naar deze serie uitdrukkingen uit het evangelie van Johannes:• “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh. 6:5)

  • “Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8:32)
  • Johannes spreekt over de Vader die in Christus blijft (14:10), en over de Heilige Geest die bij ons blijft (Joh. 14:16).
  • Het is in hoofdstuk 15 vooral ook een opdracht: “Blijf in Mij, en Ik in u” (15:4), “blijf in Mijn liefde” (15:9).
  • Als de woorden van Christus in je blijven, dan blijf je in Zijn liefde, en dan zul je Zijn geboden in acht nemen. Als je Hem niet liefhebt, dan neem je Zijn woorden niet in acht (14:24).
  • Wie wel Zijn geboden in acht neemt, zal ervaren dat ook Zijn blijdschap in hem zal blijven (15:11), en dat ook de vrucht van dit blijven in Hem, zelf ook van blijvende waarde is (15:16).

Wie zijn broeder of zuster niet op deze wijze liefheeft, op de wijze dus die Christus heeft gedemonstreerd, van hem kan gezegd worden dat hij zijn broeder of zuster haat. Wie dus tekortschiet tegenover deze maatstaf van liefde – dat is de liefde die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest – is in zoverre nog in de duisternis. Liefde is dus de sleutel van ons leven. Wie de liefde niet heeft, die heeft ook geen licht omdat hij God niet heeft. Maar wie liefheeft en dus in gemeenschap staat met God, die heeft ook licht. Die weet wat hij doet en waarheen hij gaat.
Buiten Christus om leven mensen in geestelijke duisternis. In die duisternis klampen mensen zich aan elkaar vast, tonen ze uiteraard affectie voor anderen, kennen ze vriendschappen. Tot op zekere hoogte zijn die vriendschappen en dat liefde betoon gemotiveerd door eigenliefde. Dat kennen wij natuurlijk ook wel. Het is maar al te menselijk. Maar de echte maatstaf is of wij ook die liefde kennen waardoor wij in nederigheid dienstbaar willen zijn aan elkaar. Met een norm die onmogelijk te bereiken valt, maar wel het doel kan zijn waarnaar wij ons richten: de liefde die Christus heeft gekoesterd voor ons toen wij nog vijanden van God waren en die Hem ertoe bracht om Zijn leven voor ons te geven. “Niemand heeft groter liefde dan deze, die Zijn leven geeft voor Zijn vrienden.”
Ik wil daar wel een belangrijke kanttekening bij maken. Die nederigheid en dat dienstbetoon is een gebod voor allen. Het is geen grondslag voor de een om een ander te beoordelen of veroordelen. We zijn immers niet in dienst van elkaar, maar in dienst van de Heer van ons allen. Wij kunnen niet eisen dat onze voeten worden gewassen. Het nederige dienstbetoon is ook vrijwillig, gemotiveerd door liefde en niet door dwang. Zodra de angst een rol speelt om door anderen te worden veroordeeld als liefdeloos, probeert iemand anders over jouw geweten te heersen. Of laat je toe dat een ander over jouw geweten oordeelt in plaats van dat jij vrijmoedig en vrijwillig je Heer dient.

4. Samenvatting

Het onderwerp van de brief van Johannes is het gebod van de liefde: liefde tot God en de naaste. Het is een teken van de gemeenschap met God dat wij de broeders en zusters liefhebben. Gevoelens van ongenoegen, veroordeling en haat tegenover anderen is een zeker teken dat we niet in het ware licht zijn.

Liked it? Take a second to support Robbert Veen on Patreon!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *