Darren Pollock, in zijn boek over Jonathan Edwards (1), en het fundament van zijn cessationisme in de Schrift:
” Het ophouden van de wonderbare gaven van de Geest was, zo benadrukte Edwards, geen straf, geen zwakheid, of iets voor de kerk om over te treuren. Veeleer maakte God rond het einde van de eerste eeuw een einde aan deze categorie van gaven, eenvoudig omdat zij niet meer nodig waren toen zij hun functie hadden vervuld. Het doel van de wonderbare gaven was eenvoudig om de genademiddelen voor de kerk vast te stellen:
“wat de buitengewone gaven [van de Geest] voornamelijk beoogden, was die blijvende openbaring van de gezindheid en de wil van God door Zijn Woord in te voeren en vast te stellen, als het grote genademiddel en de blijvende regel van geloof en praktijk door alle eeuwen heen.”
De buitengewone gaven in het Oude Testament en in het tijdperk van de wonderen in de eerste eeuw werden verleend om de canon van Gods volmaakte openbaring in de Schrift vast te stellen en om de vestiging van de ontluikende kerk in de wereld te helpen. Door de geschiedenis heen deelde God alleen buitengewone gaven uit, wanneer Hij een nieuwe bedeling inwijdde, waarvan de instelling op een zwakheid met de oude bedeling wees.
De buitengewone gaven waren dus alleen nodig, wanneer de genademiddelen onvolmaakt waren ingesteld. Edwards beschrijft deze periode als de kinderschoenen of kinderjaren van de kerk, en interpreteert Paulus’ verwijzingen naar “kinderlijke dingen” in de 1 Korinthe 13:8-13 passage als een verwijzing naar de wonderbaarlijke gaven die hij zojuist besproken had.”
[Noot RAV: verrassend, omdat ik dat nog niet wist van Edwards – of misschien bleef het onbewust ‘hangen’ – en dit precies mijn eigen interpretatie van deze tekst in 1 Kor. 13 is!]
Pollock: “Gedurende de onrijpheid van de kerk, voordat zij haar wortels in de wereld had verzonken en voordat zij een vaste regel voor haar geloof en praktijk had, fungeerden de buitengewone gaven als oefenwielen om haar door dat stadium heen te dragen, en als “leidende koorden” om haar te leiden en de vaste orde in te luiden die haar door het kerkelijke tijdperk heen zou ondersteunen vóór de wederkomst van Christus. “
(1)
The Exegetical Basis of Jonathan Edwards’ Cessationism,
De theologie van Robbert Veen beweegt zich op een terrein waar maar weinig christelijke denkers zich wagen: de radicale heroriëntatie op het jodendom als oorsprong én toetssteen van het christelijk geloof. Zijn werk laat zien hoe diep het christendom is gevormd door Griekse filosofie en Romeinse macht, en hoe ver dat soms afstaat van de wereld waarin Jezus leefde en sprak. Wat hij voorstelt is geen cosmetische correctie, maar een terugkeer naar het joodse hart van de Schrift.
In zijn exegeses klinkt een scherpe kritiek door op vertrouwde dogma’s. Niet om te provoceren, maar omdat hij vindt dat veel van wat wij “christelijke leer” noemen niet uit de Bijbel zelf komt, maar uit de geschiedenis van de kerk. Zijn herlezing van Paulus is daar een goed voorbeeld van: niet de Paulus van de Reformatie of de systematische theologie, maar de Paulus van de synagoge, de diaspora en de Griekse tekst. Een Paulus die niet de breuk met Israël belichaamt, maar juist de trouw van God aan Israël bevestigt.
Wat zijn werk bijzonder maakt, is de waardering voor de rabbijnse traditie. Niet als exotische aanvulling, maar als de wereld waarin de Schrift ademt. Zijn onderwijs in Hebreeuws, Grieks en Talmoedische denkvormen is bedoeld om christenen opnieuw te leren lezen, zonder de bril van latere dogmatiek. Dat maakt zijn theologie soms confronterend, maar ook bevrijdend: het opent ruimte voor een geloof dat niet tegenover Israël staat, maar er middenin.
Veen schrijft buiten de institutionele kerk, maar niet buiten het christelijk geloof. Juist die positie geeft hem de vrijheid om te zoeken naar een vorm van theologie die trouw is aan de Messias én aan Israël. Het schuurt, het daagt uit, maar het wijst ook een weg terug naar de bron. In een tijd waarin veel tradities wankelen, is dat misschien precies wat nodig is.
Translate this site
Zoek op deze site
Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail
Voeg je bij 418 andere abonnees
Koinonia on Spreaker
Ds. R.A. Veen, voluit Robbert Adrianus Veen, is een Nederlandse theoloog en filosoof, geboren in Amsterdam in 1956. Zijn theologische werk is sterk beïnvloed door Karl Barth, John Howard Yoder en Menno Simons. Tegenwoordig werkt hij aan de relatie tussen het (rabbijnse) jodendom en het christendom en publiceert daarover op zijn website. (koinoniabijbelstudie.nl)
Ds. Veen was universitair docent "Christelijke Geloofs- en Zedenleer vanuit Dopers Perspectief" aan de Vrije Universiteit, voor het Doopsgezind Seminarium. Hij was tevens predikant in de Doopsgezinde Broederschap in Enkhuizen, Zeerijp, Zijldijk en Bussum. Na een periode als predikant in de Protestantse Kerk Nederland (Ter Apel, IJmuiden) werkte hij drie jaar in Knokke, België, voor de Verenigde Protestantse Kerk in België - de VPKB. In 2023 ging hij met emeritaat en woont sindsdien in de Noord-Hollandse gemeente Anna Paulowna.