Het is onmogelijk de Holocaust te begrijpen zonder de lange schaduw van de christelijke geschiedenis. Hoewel de Shoah geen christelijke gebeurtenis was, vond zij plaats in een cultuur die eeuwenlang was gevormd door christelijke theologie, liturgie en beeldvorming.
De vernietiging van de Europese Joden was geen geïsoleerd kwaad dat uit het niets oprees, maar het eindpunt van een traditie waarin Joden systematisch werden gedegradeerd, gedemoniseerd en uitgesloten. Wanneer we ons een wereld voorstellen waarin het christendom niet door Paulus werd gevormd, maar binnen het jodendom bleef als een messiaanse stroming, verandert de historische context zo radicaal dat de Holocaust zoals wij die kennen nauwelijks denkbaar is.
In onze wereld ontstond al vroeg een diepe kloof tussen kerk en synagoge. Paulus’ theologie, met haar scherpe tegenstelling tussen wet en genade, tussen vlees en geest, tussen het oude en het nieuwe verbond, legde de basis voor een christendom dat zichzelf definieerde in tegenstelling tot het jodendom. De kerk werd het “ware Israël”, de erfgenaam van Gods beloften, terwijl de Joden werden gezien als het volk dat zijn Messias had verworpen. Deze vervangings-theologie werd de ruggengraat van de christelijke identiteit. Eeuwenlang klonk in preken, liturgie en volkscultuur het verwijt dat Joden “Godsmoordenaars” waren, dat zij blind waren, halsstarrig, verhard. Dit theologische frame werd de culturele onderlaag waarop later seculiere vormen van antisemitisme konden voortbouwen.
In een wereld zonder paulinisch christendom zou deze hele traditie ontbreken. De Jezusbeweging zou binnen het jodendom zijn gebleven, als een stroming die de Thora eerde, de sabbat vierde en Jezus zag als Messias en leraar, niet als goddelijke verlosser die het jodendom overbodig maakte. De scheiding tussen kerk en synagoge zou nooit de vorm hebben aangenomen van een vijandige breuk. Er zou geen theologische noodzaak zijn geweest om Joden te demoniseren, omdat de Jezusbeweging zichzelf niet als vervanging van Israël zou hebben gezien, maar als een stem binnen Israël. De eeuwenlange christelijke vijandschap, die de culturele verbeelding van Europa doordrenkte, zou nooit zijn ontstaan.
Dat betekent niet dat antisemitisme volledig zou verdwijnen. Haat tegen Joden bestond al in de oudheid, lang vóór het christendom, en kan voortkomen uit economische, sociale of politieke spanningen. Maar de Holocaust was niet zomaar een uitbarsting van haat. Zij was een industriële vernietigingsmachine, gevoed door bureaucratische structuren, moderne technologie en racistische pseudowetenschap, maar ook door een eeuwenlange culturele traditie die Joden als “anders”, “gevaarlijk” en “verwerpelijk” had voorgesteld. Hitler hoefde geen christen te zijn om christelijke beelden te gebruiken; hij hoefde slechts te spreken in symbolen die al diep in de Europese psyche waren verankerd. Zonder die symbolen zou zijn propaganda veel minder resonantie hebben gehad.
In de alternatieve wereld die we ons voorstellen, zouden Joden in Europa niet de geïsoleerde, kwetsbare minderheid zijn geweest die zij in onze geschiedenis werden. De Jezusbeweging zou een Joodse stroming zijn gebleven, waardoor de scheiding tussen christenen en Joden nooit de vorm van een absolute tegenstelling had aangenomen. De culturele infrastructuur die antisemitisme voedde — de preken, de beelden, de wetten, de volksverhalen — zou grotendeels ontbreken. Joden zouden talrijker zijn geweest, meer geïntegreerd, minder afhankelijk van de grillen van christelijke machthebbers. De politieke en sociale omstandigheden die de Holocaust mogelijk maakten, zouden daardoor veel minder waarschijnlijk zijn geweest.
De Holocaust zoals wij die kennen — systematisch, industrieel, totalitair — is historisch ondenkbaar zonder de christelijke anti‑joodse traditie die eraan voorafging. Dat betekent niet dat er in deze alternatieve wereld geen vormen van antisemitisch geweld hadden kunnen bestaan. Menselijke samenlevingen creëren altijd zondebokken. Maar het specifieke patroon van demonisering, uitsluiting en vernietiging dat Europa voortbracht, zou niet hebben bestaan. De Shoah was geen onvermijdelijk noodlot, maar het product van een specifieke historische ontwikkeling. Verander de theologische wortels van Europa, en je verandert de geschiedenis van Europa.
In deze alternatieve wereld zou de Joodse diaspora er totaal anders hebben uitgezien. De Europese Joodse bevolking zou waarschijnlijk veel groter zijn geweest, cultureel invloedrijker, minder getraumatiseerd. De moderne geschiedenis van het jodendom zou niet zijn getekend door vernietiging, maar door continuïteit. Misschien zou de staat Israël nooit zijn gesticht, of op een heel andere manier. Misschien zou de relatie tussen Joden en niet‑Joden in Europa meer lijken op die tussen verschillende religieuze stromingen binnen één cultuur, in plaats van op een geschiedenis van vervolging en catastrofe.
De Holocaust was het product van een wereld waarin het christendom zich eeuwenlang had gedefinieerd tegenover het jodendom. In een wereld waarin die tegenstelling nooit was ontstaan, zou de geschiedenis van Europa — en van het Joodse volk — onherkenbaar anders zijn geweest.