We spreken over terrorisme meestal in termen van gewelddadige acties. Ik heb me al lang verbaasd over de wijze waarop politieke reacties op de oorlog in Gaza in het westen hebben geleid tot aanvallen op Joden, eerst verbaal maar langzamerhand ook fysiek. Er is propaganda nodig om deze escalatie tot stand te brengen: verwarring scheppen door herhaalde valse claims (genocide, racisme, apartheid etc.) en morele hypocrisie. Iemand met wie ik een normaal gesprek had willen voeren op Qora reageert uitsluitend met beledigingen, ad hominem argumenten en verbaal geweld. Hij toont daarin zijn grote, maar ook enige bekwaamheid. Ik acht zo iemand even gevaarlijk als de leiding van Hamas. Hieronder een korte analyse.
Een reactie op Qora, waarna hij mijn reactie verwijderde:
Jouw eng evangelisatie-drang om genocide goed te praten is niet alleen strafbaar maar volledig verwerpelijk. Ad hominem? Jammer dan: fascisme-geilheid verdient keihard aangepakt te worden. Iemand die voor mensenrechten en tegen geweld is kun je met geen enkele coherentie als terrorist aanduiden omdat het niet in jouw natte droom van geweld past.
In dat geval mask je je eenduidig tot een ordinaire propaganda-hoer van racisme uit Tel-Aviv. Vooral zonder aanvoerbate argumenten en leugens blijven schoppen. Bravo, reli-hufter.
Er bestaat een vorm van terroristisch geweld die geen explosieven gebruikt, geen wapens, geen fysieke confrontatie. Het is het geweld van de taal zelf, wanneer woorden niet langer dienen om te begrijpen, te onderzoeken of te overtuigen, maar om te intimideren, te vernederen en te vernietigen. In de digitale ruimte, waar anonimiteit en onmiddellijke ontlading elkaar versterken, ontstaat een retorische praktijk die men zonder overdrijving verbaal terrorisme kan noemen: taal die niet argumenteert maar aanvalt, niet onderzoekt maar ontregelt, niet communiceert maar probeert te verpletteren.
De reactie die ik ontving is een zuiver voorbeeld van deze dynamiek. Hij richt zich niet op mijn argumenten, maar op mijn persoon, alsof het gesprek alleen kan worden gewonnen door de ander moreel te liquideren. De beschuldigingen zijn niet bedoeld om een standpunt te weerleggen, maar om mij als mens te delegitimeren. Termen als “propaganda-hoer”, “reli-hufter” en de insinuatie dat ik “genocide goedpraat” functioneren niet als taal, maar als projectielen. Ze zijn ontworpen om te raken, niet om te spreken. In die zin gedragen ze zich als retorische explosieven: ze creëren schrik, verwarring en morele rookontwikkeling, zodat er geen helder zicht meer is op de inhoud van het gesprek.
Verbaal terrorisme onderscheidt zich van gewone scheldretoriek doordat het een strategie is, niet slechts een emotionele uitbarsting. Het probeert de ander niet alleen te beledigen, maar te intimideren, te isoleren en te ontmenselijken. De beschuldiging dat mijn woorden “strafbaar” zouden zijn, is een vorm van retorische dreiging: geen juridisch argument, maar een poging om angst op te roepen. De koppeling aan “racisme uit Tel-Aviv” is geen inhoudelijke analyse, maar een poging om mij te associëren met een vijandige collectieve identiteit. En de claim dat alleen hij “voor mensenrechten en tegen geweld” is, is een vorm van morele zelfverheffing die elke dialoog onmogelijk maakt. Het is de taal van iemand die geen gesprek wil, maar alleen propaganda wil bedrijven, alleen strijd zoekt.
Het gevaar van dit soort taal is niet alleen dat het een ander beschadigt, maar dat het het gesprek zelf vernietigt. Waar verbaal terrorisme verschijnt, verdwijnt de mogelijkheid tot wederzijds begrip. De ruimte waarin argumenten kunnen worden gewogen, wordt vervangen door een slagveld waarin alleen nog loyaliteit en vijandschap bestaan. De ander wordt niet langer gezien als een gesprekspartner, maar als een doelwit. En zodra iemand tot doelwit is verklaard, is elke vorm van redelijkheid overbodig geworden.
In die zin is verbaal terrorisme een vorm van morele sabotage. Het ondermijnt de voorwaarden waaronder een samenleving kan spreken, denken en verschillen. Het maakt van taal een instrument van angst in plaats van een middel tot waarheid. En het creëert een cultuur waarin de luidste stem, niet de meest redelijke, het gesprek domineert. Dat is niet alleen schadelijk voor individuen, maar voor het publieke domein zelf.
Het is daarom belangrijk om dit soort reacties niet te verwarren met debat. Ze zijn geen bijdrage aan een gesprek, maar een poging om het gesprek te beëindigen. Ze zijn geen kritiek, maar een aanval. En ze zijn geen expressie van morele verontwaardiging, maar een vorm van retorische agressie die zichzelf vermomt als morele superioriteit. Wie zich eraan bezondigt, voert geen strijd voor gerechtigheid, maar gebruikt gerechtigheid als camouflage voor destructie.
Het erkennen van verbaal terrorisme als categorie helpt om dit soort taal te ontmaskeren. Het maakt zichtbaar dat niet alle woorden gelijkwaardig zijn, en dat sommige woorden niet bedoeld zijn om te spreken, maar om te breken. Hamas’ extremisme is dichterbij dan je denkt. Dit alles past heel goed bij de retoriek die tegenwoordig gangbaar is in de pro-Palestina beweging.
De morele pornografie van het protest
De pro‑Palestina‑protesten in het Westen presenteren zich graag als de stem van gerechtigheid, maar hun retoriek verraadt iets anders: een morele pornografie waarin verontwaardiging wordt geconsumeerd als identiteitsproduct en complexiteit wordt geofferd op het altaar van groepszuiverheid. Het is een gang-rape van de waarheid. Wat op straat klinkt, is geen politiek discours, maar een ritueel van zelfbevestiging, een liturgie van simplificatie waarin de wereld wordt herleid tot een kinderlijk schema van daders en slachtoffers.
De slogans zijn niet bedoeld om te overtuigen, maar om te intimideren. “From the river to the sea” is geen politieke eis, maar een performatieve zuiveringsformule: wie hem uitspreekt, verklaart zichzelf rein, en wie hem bekritiseert, wordt onmiddellijk tot vijand verklaard. Het is de taal van wie geen argumenten nodig heeft omdat hij zichzelf al tot morele autoriteit heeft uitgeroepen.
De demonstrant beweert te spreken voor de onderdrukten, maar in werkelijkheid spreekt hij vooral voor zichzelf. Het protest is een spiegelpaleis waarin men zijn eigen morele glans bewondert. De Palestijnse slachtoffers fungeren als decorstukken in een westerse identiteitsopera: ze worden niet gehoord, maar gebruikt. Het lijden van anderen wordt een accessoire, een badge, een esthetisch element in een choreografie van verontwaardiging.
En wie durft te wijzen op de complexiteit van het conflict, op de historische gelaagdheid, op de interne tegenstrijdigheden van de Palestijnse bewegingen, wordt onmiddellijk verdacht gemaakt. Twijfel is verraad. Nuance is collaboratie. De retoriek van het protest duldt geen werkelijkheid die haar morele eenvoud bedreigt. Daarom wordt elke kritische stem niet weerlegd, maar gedelegitimeerd. De demonstrant hoeft niet te argumenteren; hij hoeft alleen te beschuldigen.
Het slachtofferschap dat men claimt, is niet het eigen slachtofferschap, maar een geadopteerde identiteit die dient als morele vrijbrief. Wie zich identificeert met het slachtoffer, meent alles te mogen zeggen — ook het ontmenselijken van de ander. Zo wordt de retoriek van solidariteit een retoriek van vijandschap. De demonstrant die beweert tegen geweld te zijn, schreeuwt ondertussen leuzen die de vernietiging van een volk impliceren. Maar omdat hij zichzelf als slachtoffer ziet, kan hij dat geweld framen als bevrijding.
De protesten zijn daarom niet alleen politiek, maar theatraal. Ze zijn een performance waarin men zichzelf opvoert als held van een moreel drama. De keffiyeh, de vlag, de ritmische kreten — het zijn kostuums en rekwisieten in een toneelstuk waarin men de rol speelt van verzetsstrijder zonder enig risico te lopen. Het is revolutionair drama, maar dan met echte politieke gevolgen.
Wat deze retoriek zo gevaarlijk maakt, is haar immuniteit voor de werkelijkheid. Ze is hermetisch, zelfversterkend, en moreel narcistisch. Ze creëert een wereld waarin de demonstrant altijd gelijk heeft, omdat zijn gelijk niet voortkomt uit argumenten maar uit identiteit. En wie gelijk heeft op basis van identiteit, hoeft nooit meer te luisteren.
De pro‑Palestina‑protesten presenteren zich als de stem van de onderdrukten, maar hun retoriek is die van mensen die het geweldig goed met zichzelf getroffen hebben. Ze claimen rechtvaardigheid, maar bedrijven morele simplificatie. Ze roepen om vrede, maar verheerlijken slogans die geen vrede mogelijk maken. Ze zeggen te spreken voor de waarheid, maar vrezen elk feit dat hun morele schema doorbreekt.
Deze protesten zijn geen uitdrukking van politieke betrokkenheid, maar van morele gemakzucht. Ze bieden geen analyse, maar een houding. Geen oplossing, maar een pose. Geen solidariteit, maar een identiteitsfeest. En zolang deze retoriek de boventoon voert, zal het protest niet bijdragen aan vrede, maar aan de verdere verharding van een conflict dat juist nuance, moed en intellectuele eerlijkheid nodig heeft.
Een te makkelijke verdeling van de mensheid in goeden en kwaden. Terwijl David in onder andere psalm 143:2 toch leert dat niemand die leeft, rechtvaardig is.
Misschien is het die zelf-confrontatie wel die leidt tot het zoeken naar zondebokken. En dan op de een of andere manier weer bij de Joden uitkomen, dat irritante volk Israel waarmee God een verbond heeft. Dit zeg ik ook als christen.
De Schrift is glashelder, waar zijn volk, ondanks zware eigen gebreken, belachelijk wordt gemaakt of bestreden, treedt God uiteindelijk op tegen de volken die dat doen.
Precies: Ik zal vervloeken wie licht van u spreekt – Genesis 12:3.