Zag Jezus zichzelf als goddelijk?

De vraag of Jezus zichzelf als goddelijk zag, heeft geleerden al generaties lang gefascineerd. Het antwoord hangt sterk af van het vertrekpunt. Wie Jezus bekijkt binnen de wereld van het jodendom uit de eerste eeuw, ziet één beeld. Wie de evangeliën leest—vooral Matteüs en Johannes—als theologische portretten die gevormd zijn door het geloof van de vroege kerk, ziet een ander. De spanning tussen deze perspectieven vormt een van de meest intrigerende discussies in de geschiedenis van de theologie. Na de concilies van Nicea en Chalcedon was het een dogmatische aanname van de Christelijke kerk, dat Jezus als de Zoon van God de tweede persoon in de triniteit was. Maar is dat geen fundamentele koerswijziging in de kerk die tot hopeloze misverstanden heeft geleid?

Veel historici stellen dat Jezus zichzelf niet zag als goddelijk in de metafysische zin die later in de christelijke leer centraal zou komen te staan. Zij wijzen erop dat titels die vaak als bewijs voor zijn goddelijkheid worden aangevoerd, in de Joodse wereld van zijn tijd heel andere betekenissen hadden.

Geza Vermes benadrukt bijvoorbeeld dat “zoon van God” in het jodendom een metaforische titel was. Het kon verwijzen naar Israël als geheel, naar een rechtvaardig persoon, naar een charismatische heilige man of naar de koning. Het impliceerde nooit dat iemand deel had aan Gods wezen. Michael Kogan sluit daarbij aan en merkt op dat de uitdrukking in de Hebreeuwse Bijbel een koninklijke of collectieve aanduiding was, geen claim op goddelijkheid.

Zelfs Jezus’ gebruik van “Mensenzoon,” een term die later door christenen werd verbonden met de hemelse figuur uit Daniël 7, hoeft voor Jezus zelf niet die betekenis te hebben gehad. In het Aramees kon bar nasha eenvoudig “een mens” betekenen of zelfs functioneren als een bescheiden manier om “ik” te zeggen. Vermes suggereert dat Jezus de term gebruikte als een nederige zelfverwijzing, niet als een verklaring van kosmische autoriteit. Dit past bij andere momenten in de evangeliën, zoals Jezus’ weigering om “goed” genoemd te worden, waarbij Hij benadrukt dat alleen God die titel verdient. Voor historici versterkt dit de indruk dat Jezus geen aanspraak maakte op goddelijke status.

Geleerden zoals Vermes en E.P. Sanders plaatsen Jezus bovendien in de traditie van Joodse heilige mannen—charismatische genezers, profeten en duiveluitdrijvers die met Gods kracht werkten, maar niet als God zelf werden gezien. Sanders stelt dat Jezus zichzelf mogelijk zag als een centrale figuur in het komende Koninkrijk, misschien zelfs als Gods aangestelde heerser, maar niet als God in menselijke vorm. Zelfs daden zoals het vergeven van zonden, vaak aangevoerd als bewijs van goddelijkheid, kunnen worden begrepen binnen de Joodse profetische traditie. Profeten en priesters konden Gods vergeving aankondigen zonder te beweren dat zij zelf God waren.

Toch zijn niet alle geleerden het eens met deze historische reconstructie. Jacob Neusner, die het Matteüsevangelie nauwkeurig leest, stelt dat Jezus’ gedrag en onderwijs Hem in een rol plaatsen die binnen het jodendom uitsluitend aan God toebehoort. Neusner wijst op Jezus’ opvallende gewoonte om de Thora te contrasteren met zijn eigen autoriteit ( “U hebt gehoord dat gezegd is… maar Ík zeg u” – Matteüs 5:21–22, 27–28, 31–32, 33–34, 38–39, 43–44 ). Een profeet spreekt namens God; Jezus spreekt alsof zijn eigen woord goddelijke kracht heeft. Wanneer Jezus zichzelf “heer van de sabbat” noemt (Matteüs 12:8), plaatst Hij zichzelf als Heer boven Israëls heilige tijd. En wanneer Hij een loyaliteit eist die zelfs familiebanden overstijgt ( “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig” – Matteüs 10:37 ), concludeert Neusner dat alleen God zo’n eis kan stellen. In deze lezing zijn Jezus’ impliciete claims radicaler dan welke expliciete uitspraak ook.

Het evangelie van Johannes voegt nog een laag toe, met de bekende “Ik ben”-uitspraken en de voorstelling van Jezus als het pre-existente Woord. Maar geleerden zoals Urban C. von Wahlde stellen dat deze uitspraken de theologie van de Johannese gemeenschap weerspiegelen, niet de historische woorden van Jezus. Het Johannesevangelie lijkt in fasen te zijn ontstaan, waarbij steeds hogere opvattingen over Jezus werden ontwikkeld. De proloog—“In het begin was het Woord, en het Woord was God”—vertegenwoordigt een volwassen, sterk ontwikkelde christologie die beïnvloed is door hellenistisch-joodse denktradities.

Deze ontwikkeling past in een breder patroon. Vermes merkt op dat, naarmate het christendom zich verspreidde in de Griekssprekende wereld, Joodse metaforische taal over Jezus werd omgevormd tot metafysische claims. De verschuiving van “zoon van God” naar “God de Zoon” weerspiegelt deze taalkundige en culturele transformatie.

Lawrence DiPaolo voegt daaraan toe dat vroege christelijke schrijvers gebruikmaakten van Grieks-Romeinse taal over goddelijke wezens die in menselijke vorm verschenen, maar deze aanpasten om de concrete, historische werkelijkheid van Jezus’ leven te benadrukken. Het resultaat was een unieke mengvorm van Joodse messiasverwachting en hellenistische theologie.

Alles bij elkaar genomen suggereren deze perspectieven dat Jezus zelf geen goddelijkheid claimde zoals die later in de christelijke leer werd geformuleerd. Zijn titels en daden passen goed binnen het kader van een Joodse profeet, genezer en eschatologische leider. Toch liet de manier waarop Hij onderwees—met een autoriteit die boven de Thora leek te staan—sommige vroege volgelingen geloven dat er meer aan de hand was. Voor Neusner vormt juist die impliciete autoriteit een claim om Gods plaats in te nemen.

De discussie draait uiteindelijk niet alleen om wat Jezus zei, maar ook om hoe zijn vroegste volgelingen Hem interpreteerden, hoe de evangelisten hun verhalen vormgaven en hoe de vroege kerk zijn betekenis begon te begrijpen. Het lijkt duidelijk te zijn dat de vergoddelijking van Jezus plaatsvond in een fase van de kerkgeschiedenis, waarin de band met het Jodendom werd losgemaakt en Griekse religieuze ideeën hun weg vonden in het oorspronkelijke joodse evangelie.


Geraadpleegde werken:

DiPaolo, Lawrence Jr. The Search for the Origins of Christian Worship. New York: Paulist Press, 2013.

Kogan, Michael S. Opening the Covenant: A Jewish Theology of Christianity. New York: Oxford University Press, 2008.

Neusner, Jacob. A Rabbi Talks with Jesus. Montreal: McGill‑Queen’s University Press, 2000.

Sanders, E.P. The Historical Figure of Jesus. London: Penguin, 1993.

Vermes, Geza. Jesus the Jew: A Historian’s Reading of the Gospels. London: SCM Press, 1973.

Vermes, Geza. The Changing Faces of Jesus. London: Penguin, 2001.

Von Wahlde, Urban C. The Gospel and Letters of John. 3 vols. Grand Rapids: Eerdmans, 2010.

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *