De manier waarop het jodendom kijkt naar Jezus en zijn messiaanse claim vormt een fascinerend spanningsveld dat al zichtbaar is in de vroegste bronnen.
In de Talmoed, met name in Sanhedrin 43a, verschijnt Jezus niet als een centrale figuur maar als een voorbeeld in een korte juridische verwijzing. De tekst vertelt dat Yeshu, zoals hij daar wordt genoemd, op de vooravond van Pesach werd gehangen, d.w.z. geëxecuteerd. Het woord “gehangen” verwijst in rabbijnse taal doorgaans naar kruisiging. De passage legt uit dat er veertig dagen lang een openbare aankondiging werd gedaan waarin iedereen werd opgeroepen om ontlastend bewijs te leveren, omdat Yeshu werd beschuldigd van toverij en het misleiden van Israël. Toen niemand naar voren kwam, werd hij geëxecuteerd.
Deze vermelding is geen historische reconstructie van een proces, maar een juridisch voorbeeld binnen een bredere discussie over hoe rechtszaken met de doodstraf moeten verlopen. De Talmoed probeert hier geen biografie te schrijven; het is een korte, polemische herinnering die veronderstelt dat de lezer weet wie Yeshu is. Moderne geleerden zijn het erover eens dat deze passage geen betrouwbare historische bron is, maar een latere rabbijnse reflectie op een figuur die inmiddels een religieuze beweging had voortgebracht.
Wanneer we vervolgens kijken naar hoe het jodendom Jezus’ claim om de Messias te zijn beoordeelt, wordt duidelijk waarom deze claim nooit binnen de joodse traditie is aanvaard. Het jodendom heeft namelijk zeer concrete verwachtingen van wat de Messias moet doen. De Messias is een menselijke koning uit het huis van David die tastbare, wereldwijde veranderingen teweegbrengt: vrede op aarde, het bijeenbrengen van alle Joodse ballingen, de herbouw van de Tempel in Jeruzalem, universele erkenning van de God van Israël en het herstel van de Davidische monarchie. Deze verwachtingen zijn letterlijk bedoeld en moeten zichtbaar worden gerealiseerd in de loop van het leven van de Messias. Vanuit dat perspectief concludeert het jodendom dat Jezus niet de Messias kan zijn, omdat deze gebeurtenissen tijdens zijn leven niet plaatsvonden. De wereld bleef vol oorlog en onrecht, de Tempel werd niet herbouwd maar juist vernietigd, de ballingen keerden niet terug en de volken erkenden de God van Israël niet.
Christenen antwoorden daarop dat deze dingen zullen gebeuren bij de wederkomst, maar het jodendom kent geen tweedelige messiaanse missie. De Messias moet zijn taak in één leven volbrengen. Dit vormt de kern van het theologische verschil tussen beide religies.
Tegen deze achtergrond krijgt de vraag die Johannes de Doper vanuit de gevangenis stelt een bijzondere diepte: “Bent u het die komen zou, of moeten wij een ander verwachten?” Johannes was een Jood die volledig gevormd was door dezelfde messiaanse criteria die het jodendom tot op de dag van vandaag hanteert. Hij zat gevangen onder een corrupte heerser, Israël stond onder Romeinse bezetting, de wereld was allesbehalve verlost en Jezus had geen politieke macht, geen leger, geen troon en geen zichtbare messiaanse revolutie in gang gezet. Vanuit dat perspectief is Johannes’ vraag geen teken van ongeloof, maar een volkomen logische vraag binnen het joodse kader waarin hij dacht. Als Jezus werkelijk de Messias is, waarom zien we dan nog niets van de wereldwijde omwenteling die de profeten hebben aangekondigd?
Jezus’ antwoord aan de leerlingen van Johannes is veelzeggend. Hij verwijst niet naar politieke macht of de val van Rome, maar naar tekenen van genezing, bevrijding en herstel die verwijzen naar passages uit Jesaja. Jezus presenteert daarmee een messiaanse identiteit die niet begint met geopolitieke omwenteling, maar met een geestelijke en morele vernieuwing. Voor Johannes, die gevangen zit en de wereld nog steeds ziet zoals die was, moet dat antwoord zowel troostend als verwarrend zijn geweest. Het verklaart waarom de vroege christelijke beweging Jezus kon zien als de Messias, terwijl de joodse traditie dat niet kon: zij keken naar dezelfde profetieën, maar lazen ze op totaal verschillende manieren. Johannes’ vraag staat precies op dat kruispunt. Hij voelt de spanning tussen de traditionele verwachtingen en de onverwachte manier waarop Jezus zijn roeping vervult.
In dat spanningsveld ontstaat ook een ander, vaak onderbelicht motief: het idee dat Jezus zelf probeerde te leven en te handelen als de Messias, maar dat hij daarbij voortdurend rekende op een beslissende goddelijke interventie die uitbleef. Zijn prediking over het naderende Koninkrijk, zijn symbolische daden, zijn intocht in Jeruzalem, zijn confrontaties met religieuze en politieke autoriteiten — het zijn allemaal handelingen die passen bij iemand die zichzelf ziet als instrument van een op handen zijnde goddelijke ommekeer. Maar naarmate de gebeurtenissen zich ontvouwen, lijkt de hemel stil te blijven. Geen engelen, geen bevrijding, geen omwenteling. De Romeinen blijven de macht houden, de leiders van het volk keren zich tegen hem, zijn leerlingen raken in verwarring en vluchten weg. Het is alsof Jezus steeds opnieuw een stap zet in de verwachting dat God de volgende stap zal zetten, maar dat die stap niet komt.
Wanneer hij uiteindelijk aan het kruis hangt, bereikt deze spanning zijn hoogtepunt. Het woord dat in het Grieks wordt weergegeven als tetelestai wordt vaak vertaald als “het is volbracht”, maar het kan net zo goed betekenen: “het is voorbij”, “het is ten einde”, “het is afgelopen”. In die lezing klinkt geen triomf, maar berusting. Het is de erkenning dat de beslissende goddelijke ingreep waarop hij had gehoopt niet heeft plaatsgevonden. De wereld is niet veranderd, de vijanden zijn niet verslagen, het Koninkrijk is niet zichtbaar doorgebroken. Wat resteert is de stilte van God en de dood van degene die dacht dat hij de Messias was of dat hij door God als Messias bevestigd zou worden.
De Talmoedische verwijzing, de joodse criteria voor de Messias, de vraag van Johannes de Doper en de laatste woorden van Jezus aan het kruis laten zien hoe groot de kloof is tussen verwachting en werkelijkheid, tussen hoop en geschiedenis, tussen het beeld van de Messias in de Schrift en de weg die Jezus daadwerkelijk ging. Het is een verhaal dat niet alleen de oorsprong van het christendom markeert, maar ook de blijvende scheidslijn tussen jodendom en christendom zichtbaar maakt: de vraag of de Messias komt door goddelijke macht die de wereld herschept, of door een mens die een nieuw soort koninkrijk belichaamt — en wat er gebeurt wanneer die twee visies elkaar kruisen in één leven dat eindigt aan een kruis.