De passage Jesaja 53:4–10 bevat een aantal sleutelzinnen die in de christelijke traditie aanleiding hebben gegeven tot de gedachte van plaatsvervangend lijden, maar die in hun eigen Hebreeuwse en literaire context een andere betekenis dragen.
De letterlijke, contextuele, filologische en rabbijnse lezing ondersteunt de christelijke verzoeningsleer niet. Jesaja 53 is geen voorspelling van Christus’ dood, maar een poëtische beschrijving van Israëls lijden en uiteindelijke rechtvaardiging.
De tekst opent met de woorden אָכֵן חֳלָיֵנוּ הוּא נָשָׂא (Jes. 53:4: “Inderdaad, onze ziekten droeg hij”), waarin אָכֵן een correctieve wending markeert: “maar nu zien wij”, een erkenning dat een eerdere interpretatie onjuist was. Het werkwoord נָשָׂא betekent “dragen”, maar in deze context verwijst het niet naar het dragen van morele schuld, maar naar het torsen van lasten, slagen en pijn. De zin vervolgt met וּמַכְאֹבֵינוּ סְבָלָם (“en onze pijnen heeft hij gedragen”), waarbij סְבָלָם van de stam סבל komt, “verdragen”, “torsen”. De tekst zegt dus niet dat de dienaar de zonden van anderen draagt, maar dat hij de pijn draagt die anderen hem hebben aangedaan. Rashi leest dit precies zo: Israël draagt de slagen die eigenlijk de volken toekomen.
Luister hier naar deze blog:
Daarop volgt וַאֲנַחְנוּ חֲשַׁבְנֻהוּ נָגוּעַ מֻכֵּה אֱלֹהִים וּמְעֻנֶּה (Jes. 53:4: “maar wij rekenden hem als geplaagd, door God geslagen en verdrukt”). Het werkwoord חֲשַׁבְנֻהוּ betekent “wij beschouwden hem”, en duidt op een foutieve interpretatie. De volken dachten dat de dienaar door God gestraft werd. De woorden נָגוּעַ (“gekweld”), מֻכֵּה אֱלֹהִים (“door God geslagen”) en מְעֻנֶּה (“gekweld”) drukken geen theologische waarheid uit, maar een misvatting die nu wordt gecorrigeerd.
De zin וְהוּא מְחֹלָל מִפְּשָׁעֵנוּ מְדֻכָּא מֵעֲוֹנֹתֵינוּ (Jes. 53:5: “maar hij was doorboord vanwege onze overtredingen, verbrijzeld vanwege onze ongerechtigheden”) bevat twee passieve participia: מְחֹלָל (“doorboord”, “verwond”) en מְדֻכָּא (“verbrijzeld”). Het voorzetsel מִן in מִפְּשָׁעֵנוּ en מֵעֲוֹנֹתֵינוּ betekent “door toedoen van”, niet “in plaats van”. De tekst zegt dus dat de dienaar verwond is door de daden van anderen, niet dat hij sterft in hun plaats. Ibn Ezra benadrukt dat עָוֹן hier “straf” betekent, niet “schuld”.
De zin מוּסַר שְׁלוֹמֵנוּ עָלָיו וּבַחֲבֻרָתוֹ נִרְפָּא־לָנוּ (Jes. 53:5: “de tuchtiging die ons vrede brengt was op hem, en door zijn striemen kwam ons genezing toe”) wordt in de christelijke traditie gelezen als een beschrijving van verzoenend lijden. Maar מוּסַר betekent “tuchtiging”, “discipline”, en verwijst in de profetische literatuur naar het lijden dat Israël ondergaat door vijandige volken. שְׁלוֹמֵנוּ (“onze vrede”) verwijst naar de toestand van welzijn die ontstaat wanneer de vijandschap eindigt. חֲבֻרָה (“wond”, “striem”) en נִרְפָּא (“genezen worden”) duiden op herstel van relaties, niet op juridische verzoening. De genezing is het inzicht van de volken, niet de redding van zondaars door een plaatsvervanger.
De zin כֻּלָּנוּ כַּצֹּאן תָּעִינוּ אִישׁ לְדַרְכּוֹ פָּנִינוּ (Jes. 53:6: “wij allen dwaalden als schapen, ieder ging zijn eigen weg”) beschrijft collectieve dwaasheid, niet overdracht van schuld. De metafoor van het schaap verwijst naar desoriëntatie, niet naar zonde die op een ander wordt gelegd.
De zin וַיהוָה הִפְגִּיעַ בּוֹ אֵת עֲוֹן כֻּלָּנוּ (Jes. 53:6: “en de HEER liet op hem neerkomen de ongerechtigheid van ons allen”) is een van de meest misbegrepen zinnen. Het werkwoord הִפְגִּיעַ betekent “doen neerkomen”, maar ook “interveniëren”. Radak legt uit dat dit geen overdracht van schuld betekent, maar dat de volken denken dat God Israël laat lijden door hun daden. Ramban benadrukt dat geen enkele rabbijnse bron leert dat de Messias de zonden van anderen draagt of sterft voor anderen.
De zin נִגַּשׂ וְהוּא נַעֲנֶה וְלֹא יִפְתַּח פִּיו (Jes. 53:7: “hij werd onderdrukt en hij liet zich verdrukken, maar hij opende zijn mond niet”) beschrijft machteloos lijden, niet vrijwillige plaatsvervanging. De woorden מֵעֹצֶר וּמִמִּשְׁפָּט לֻקָּח (Jes. 53:8: “uit gevangenschap en uit rechtspraak werd hij weggenomen”) verwijzen naar onrechtvaardige onderdrukking. De vraag וְאֶת־דּוֹרוֹ מִי יְשֹׂוחֵחַ (“wie van zijn generatie overpeinst dit?”) betekent dat niemand zijn zaak verdedigt. De zin כִּי נִגְזַר מֵאֶרֶץ חַיִּים (“want hij werd afgesneden uit het land van de levenden”) verwijst naar nationale onderdrukking of ballingschap. De woorden מִפֶּשַׁע עַמִּי נֶגַע לָמוֹ (“om de overtreding van mijn volk trof hem de plaag”) betekenen dat het volk getroffen werd door de daden van anderen, niet dat iemand sterft voor de zonden van anderen.
Het vers dat in de christelijke traditie het zwaarst wordt aangehaald als bewijs voor een plaatsvervangend sterven is Jesaja 53:10, dat begint met de woorden וַיהוָה חָפֵץ דַּכְּאוֹ הֶחֱלִי (“Maar het behaagde de HEER hem te verbrijzelen, Hij maakte hem ziek”). De christelijke traditie leest dit als een goddelijke wil tot offerdood. Maar het Hebreeuws zegt niet dat God een onschuldige doodt om anderen te redden. Het werkwoord דַּכְּאוֹ (“hem verbrijzelen”) is hetzelfde woord dat eerder in het hoofdstuk wordt gebruikt voor het lijden dat de volken Israël aandoen. Het duidt op onderdrukking, niet op een rituele slachting. Het woord הֶחֱלִי (“Hij maakte hem ziek”) verwijst naar rampspoed, niet naar een cultisch offer. De zin betekent dat God toestaat dat Israël lijdt onder de volken, niet dat God een plaatsvervangend offerdier aanwijst.
Het cruciale woord in dit vers is echter אָשָׁם in de zinsnede אִם־תָּשִׂים אָשָׁם נַפְשׁוֹ (“als zijn ziel een asham maakt”). De christelijke traditie vertaalt dit als “schuldoffer” en concludeert dat de dienaar sterft als een offerdier dat de zonden van anderen wegdraagt. Maar dit is een misverstand over zowel het Hebreeuws als het offerbegrip in Leviticus. Het woord אָשָׁם betekent niet primair “schuld” in morele zin, maar “compensatie”, “herstelbetaling”, “reparatie”. Het asham‑offer in Leviticus is geen offer waarbij een dier sterft in plaats van een mens. Het is een ritueel dat hoort bij materiële schade, heiligschennis of onrechtmatige toe‑eigening. Het gaat om herstel, niet om substitutie. Het dier is geen drager van schuld; het bloed is geen straf; het offer is geen plaatsvervanging. Het is een ritueel dat de relatie herstelt nadat de dader zelf de schade heeft vergoed.
Jesaja 53:10 kan dus onmogelijk gelezen worden als een verwijzing naar een plaatsvervangend sterven “volgens het systeem van Leviticus”. Dat systeem kent geen plaatsvervangende dood. Het kent reiniging, herstel, compensatie — maar geen substitutie van straf. De zin betekent daarom niet dat de dienaar sterft als een schuldoffer, maar dat zijn leven een asham wordt in de zin van een middel tot herstel. Niet door zijn dood, maar door zijn volharding, rechtvaardigheid, getuigenis en uiteindelijk door de erkenning van de volken dat zij hem onrecht hebben aangedaan. De dienaar wordt geen offerdier; hij wordt een bron van herstel doordat zijn lijden de volken tot inzicht brengt.
De rest van het vers bevestigt dit. יִרְאֶה זֶרַע יַאֲרִיךְ יָמִים (“hij zal nageslacht zien, hij zal zijn dagen verlengen”) sluit een offerdood uit. Een offerdier ziet geen nageslacht en leeft niet langer. De dienaar sterft niet; hij wordt hersteld. וְחֵפֶץ יְהוָה בְּיָדוֹ יִצְלָח (“en het welbehagen van de HEER zal door zijn hand slagen”) betekent dat zijn missie succesvol zal zijn — niet dat zijn dood verzoening bewerkt.
Wanneer deze filologische grondlaag eenmaal is gelegd, wordt duidelijk hoezeer de joodse exegese van Jesaja 53 geworteld is in de tekst zelf. Rashi leest de dienaar als Israël, dat de slagen draagt die de volken verdienen. Ibn Ezra benadrukt dat woorden als עָוֹן hier “straf” betekenen, niet “schuld”, en dat de constructies geen juridische substitutie aanduiden. Radak verwijst naar Ezechiël om te laten zien dat niemand de zonde van een ander kan dragen, en dat Jesaja 53 dus onmogelijk over plaatsvervangend lijden kan gaan. Ramban is in dit geheel bijzonder belangrijk, omdat hij Jesaja 53 zowel in de context van de middeleeuwse joods‑christelijke polemiek als in zijn eigen commentaar bespreekt. In de Barcelona‑disputatie zegt hij zonder omwegen dat de ware betekenis van Jesaja 53 is dat het over Israël gaat. Wanneer zijn christelijke opponent hem midrasjische bronnen voorhoudt die de tekst op de Messias toepassen, antwoordt Ramban dat dit derash is, geen pshat, en dat zelfs deze midrasjiem nergens leren dat de Messias zal sterven, door vijanden gedood zal worden of begraven zal worden met de goddelozen. Later, in zijn geschreven commentaar, herhaalt hij dat de ware betekenis van de tekst op Israël slaat, maar dat hij, gedwongen door de context van de disputatie, bereid is te laten zien hoe men zelfs binnen de midrasjische traditie Jesaja 53 messiaans kan uitleggen zonder tot christelijke conclusies te komen. Hij blijft volledig consistent: Jesaja 53 gaat volgens hem niet over de Messias, en zeker niet over een stervende verlosser die de zonden van anderen draagt.
Wanneer we deze joodse exegese naast de christelijke leggen, wordt het contrast scherp. Augustinus leest Jesaja 53 als een directe beschrijving van Christus’ natuur, geboorte en lijden. Hij identificeert de “arm van de Heer” met Christus en zegt dat de arm van de Heer “de enige Zoon is die de Vader niet spaarde, en zo strekte Hij zijn rechterhand uit aan het kruis”. Hij ziet in de woorden “Hij had geen gestalte of luister” een verwijzing naar Christus’ nederige verschijning, die als een wortel verborgen schoonheid in zich draagt. Voor Augustinus is de “misvorming” van de dienaar de bron van onze verlossing: “het is Christus’ misvorming die jou vorm geeft; als Hij niet misvormd had willen worden, had jij nooit de vorm teruggekregen die je verloren had”. Hij leest Jesaja 53:7 als een verwijzing naar Christus’ verborgen goddelijkheid tijdens zijn lijden en Jesaja 53:8 als een aanduiding van Christus’ dubbele geboorte, zowel eeuwig uit de Vader als tijdelijk uit Maria.
De christelijke traditie na Augustinus zet deze lijn voort. Luther wordt vaak aangehaald als iemand die Jesaja 53 uitzonderlijk hoog aansloeg; volgens een bekende toeschrijving zou hij gezegd hebben dat het hoofdstuk zo kostbaar is dat het op gouden perkament geschreven en met diamanten geletterd zou moeten worden. In de christelijke prediking wordt Jesaja 53 gelezen als een ondubbelzinnige beschrijving van Christus’ plaatsvervangend lijden: “Hij werd om onze overtredingen doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons vrede brengt was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.” De christelijke interpretatie leest deze woorden als een letterlijke beschrijving van een goddelijke overdracht van schuld: God legt de zonden van de mensheid op Christus, die sterft in hun plaats. Deze lezing is theologisch coherent binnen het Nieuwe Testament, maar zij is niet geworteld in de Hebreeuwse tekst zelf, noch in het oudtestamentische offerbegrip, noch in de rabbijnse traditie.
Het fundamentele probleem is dat de christelijke lezing Jesaja 53 leest als een juridische substitutie, terwijl de Hebreeuwse Bijbel zo’n concept niet kent. In Leviticus draagt het offerdier geen morele schuld; het bloed reinigt ritueel, het vervangt geen persoon en draagt geen straf. Het asham‑offer is geen plaatsvervangend sterven, maar een ritueel dat volgt op herstelbetaling door de dader zelf. De profeten kennen geen idee van een onschuldige die sterft in plaats van schuldigen om verzoening tot stand te brengen. De rabbijnse traditie verwerpt expliciet het idee dat iemand de zonde van een ander kan dragen. Ramban wijst erop dat geen enkele joodse bron een stervende Messias kent. De christelijke lezing van Jesaja 53 berust dus op een theologische projectie: zij leest het Nieuwe Testament terug in de Hebreeuwse tekst en ziet in Jesaja 53 wat de profeet niet heeft geschreven.
Wanneer we Jesaja 53 lezen zoals de rabbijnse traditie dat doet, wordt duidelijk dat de tekst geen plaatsvervangende verzoening leert. De dienaar is Israël, niet een individuele Messias. Het lijden van de dienaar is het lijden van een volk dat door de volken wordt vervolgd, niet het lijden van een verlosser die sterft voor de zonden van anderen. De woorden “onze ziekten droeg hij” zijn de woorden van de volken die hun misvatting erkennen, niet een theologische uitspraak over substitutie. Jesaja 53:10 is geen bevestiging van een plaatsvervangend sterven, maar juist een weerlegging ervan: de dienaar sterft niet, maar leeft langer, ziet nageslacht en volbrengt zijn missie. De christelijke exegese van Jesaja 53 is begrijpelijk binnen haar eigen traditie, maar zij is exegetisch niet houdbaar. Zij berust op een misverstand over de betekenis van Jesaja 53 en op een misvatting over het oudtestamentische offerbegrip.
De letterlijke, contextuele, filologische en rabbijnse lezing ondersteunt de christelijke verzoeningsleer niet. Jesaja 53 is geen voorspelling van Christus’ dood, maar een poëtische beschrijving van Israëls lijden en uiteindelijke rechtvaardiging.
De “wij” zijn de volkeren. De “hij” is de Knecht van de Heer die zowel een individu kan zijn, maar boven alles het gehele volk Israël representeert. Soms gaat het om het gehele volk, soms om de volkeren, soms om de Knecht van de Heer. Het is een complex hoofdstuk. Maar het belangrijkste is, wie het ook allemaal zijn – er is geen sprake van substitutie, van het dragen van zonden.
Naar aanleiding van Jesaja 53-4-10 zou ik het volgende willen zeggen.
Het lijkt me dat je moet beginnen bij vers 1, want vers 4 sluit aan bij vers 1-3.
Vervolgens zie je dan dat er steeds sprake is van een tegenstelling. Als volgt:
v3–HIJ veracht—————————- WIJ hebben hem niet geacht
v4–HIJ droeg—————————— ONZE ziekte
v5–HIJ doorboord———————— om ONZE overtredingen
v5–ZIJN striemen————————- brengen ONS genezing
v6–HIJ droeg onze ongerechtigheid—- WIJ dwaalden als schapen
v8–HIJ weggenomen———————-ZIJN TIJDGENOTEN denken niet aan hem
v9–HIJ de plaag—————————-om de overtredingen van MIJN VOLK
v10-HIJ de rechtvaardige—————–VELEN maakt hij rechtvaardig
Als HIJ het volk Israel is, wie zijn dan WIJ, de TIJDGENOTEN, MIJN VOLK en DE VELEN
Die WIJ kunnen dan niet Israel ZIJN, maar wie dan wel? En je mag toch aannemen dat Jesaja zich richt tot zijn volksgenoten en niet tot andere bevolkingsgroepen.
En is Israel wel rechtvaardig, ze gaan immers in ballingschap?
Ik pleit ervoor de HIJ als een enkele persoon te zien.