Waarom de Protestantse theologie nog steeds tekortschiet

De relatie tussen protestantse theologie en rabbijns jodendom wordt vaak voorgesteld als een verhaal van vooruitgang: van polemiek naar dialoog, van verwerping naar waardering. Sinds de Tweede Wereldoorlog zou de kerk haar houding hebben herzien en het jodendom opnieuw hebben ontdekt als een levende traditie. Maar deze zelfpresentatie is misleidend. Hoewel de toon zachter is geworden, is de structurele houding van de protestantse theologie ten opzichte van de rabbijnse traditie nauwelijks veranderd. De Talmoed wordt nog steeds niet gelezen als theologische bron, de rabbijnen worden niet erkend als gesprekspartners, en het moderne joodse leven wordt niet serieus genomen als hermeneutische context. De protestantse theologie blijft in essentie spreken over het jodendom, niet met het jodendom.



Deze houding heeft diepe historische wortels. De negentiende-eeuwse Duitse wetenschap, met figuren als Wellhausen, Schürer en Bousset, heeft het beeld van het jodendom als een verstarde, legalistische religie diep in de protestantse traditie verankerd. De rabbijnse literatuur werd beschouwd als historisch onbetrouwbaar en theologisch irrelevant. De Misjna en de Talmoed golden als late, partijdige documenten die slechts de macht van de Farizeeën wilden legitimeren. Het jodendom van de eerste eeuw werd gezien als een religie in verval, verstikt door regels en rituelen. Deze visie heeft de protestantse dogmatiek diepgaand gevormd, en haar invloed is tot op heden merkbaar.


Zelfs een genuanceerde denker als Herman Bavinck, die Israël een blijvende plaats toekende in Gods heilsplan, bleef binnen een hermeneutisch kader waarin de rabbijnse traditie vooral werd gezien als een religie die de geest van het evangelie had gemist. Bavinck erkent weliswaar de continuïteit tussen Oude en Nieuwe Testament, maar hij leest het jodendom primair door de lens van Paulus’ polemiek, zonder zich af te vragen hoe de rabbijnen zelf de Torah verstaan. Dat de Talmoed in Eruvin 54a spreekt over de Torah als “licht voor wie haar liefheeft”, of in Berachot 5a als een gave “om de mens te verfijnen”, komt in zijn dogmatiek niet in beeld. De rabbijnse spiritualiteit van de Torah als levensweg, vreugde en verbond blijft onzichtbaar.
Na de Holocaust werd het theologisch onmogelijk om het jodendom te blijven beschrijven als een dode religie. De kerk moest erkennen dat haar eeuwenlange minachting voor het jodendom mede had bijgedragen aan een klimaat waarin antisemitisme kon gedijen. In deze context trad E.P. Sanders naar voren met zijn concept van covenantal nomism, dat de karikatuur van het jodendom als legalisme overtuigend weerlegde. Toch heeft deze correctie slechts gedeeltelijk doorgewerkt. Karl Barth benadrukte weliswaar dat Israël niet vervangen is door de kerk, maar ook hij engageerde zich nauwelijks met de rabbijnse traditie zelf. Zijn theologie van Israël blijft grotendeels abstract, losgezongen van de concrete halachische en talmoedische traditie waarin het jodendom zich na de Tweede Tempel heeft gevormd. Barth spreekt over Israël, maar niet met Israël.
Ook N.T. Wright, die Paulus radicaal binnen het jodendom leest, blijft opvallend stil over de rabbijnse traditie. Zijn reconstructie van het jodendom van de eerste eeuw is sterk afhankelijk van de Dode Zeerollen en Josephus, maar de Talmoed komt nauwelijks aan bod. Wright leest Paulus binnen het jodendom, maar niet binnen het rabbijnse jodendom. Daarmee blijft zijn werk, ondanks zijn positieve intenties, gevangen in dezelfde hermeneutische beperking die de negentiende eeuw heeft nagelaten: de rabbijnen worden genegeerd als theologische gesprekspartners.
Willem Ouweneel vormt een interessant geval. Hij pleit expliciet voor een herwaardering van de rabbijnse literatuur en erkent dat christenen de Talmoed te lang hebben genegeerd. Maar ook bij hem blijft de rabbijnse traditie uiteindelijk ondergeschikt aan een christologische hermeneutiek die haar eigen categorieën oplegt aan teksten die daar historisch en theologisch niet in passen. De rabbijnen worden gelezen als voorlopers van Christus, niet als autonome theologen met een eigen visie op God, mens en wereld.

Deze structurele blindheid wordt het duidelijkst zichtbaar in de protestantse dogmatiek. De manier waarop protestanten de Torah begrijpen, staat haaks op de rabbijnse traditie. Waar de rabbijnen de Torah zien als een levensweg, een geschenk en een verbond, reduceert de protestantse traditie haar vaak tot een juridisch systeem dat de mens veroordeelt. De tegenstelling tussen “wet” en “genade”, die in de protestantse traditie centraal staat, is binnen het rabbijnse denken onherkenbaar. De Talmoed spreekt niet over de Torah als last, maar als vreugde. In Makkot 23b lezen we dat God Israël “veel geboden gaf om hen verdienstelijk te maken”—een spiritualiteit van overvloed, niet van veroordeling.

Een vergelijkbare kloof bestaat in de visie op Israël. De rabbijnse traditie beschouwt het verbond als onverbrekelijk en eeuwig. “Israël blijft Israël, zelfs als het zondigt,” zegt Sanhedrin 44a. De protestantse traditie daarentegen heeft eeuwenlang geleerd dat de kerk het “ware Israël” is en dat het joodse volk zijn plaats in Gods heilsplan heeft verloren. Hoewel veel protestantse theologen dit supersessionisme inmiddels afwijzen, blijft het diep verankerd in de dogmatische structuren van de kerk.

De grootste breuklijn ligt echter in de christologie. De incarnatieleer – dat Jezus waarachtig God en waarachtig mens is – staat volledig buiten de categorieën van het rabbijnse denken. De scheiding tussen Schepper en schepsel is in de rabbijnse traditie absoluut. “De Heilige, gezegend zij Hij, is de plaats van de wereld, maar de wereld is niet Zijn plaats,” zegt Beresjiet Rabbah 68:9. Een mens die als God wordt vereerd, is binnen de halacha een vorm van afgoderij. Dit betekent voor mij dat christenen dit element van de christologie moeten opgeven, en dat zij moeten erkennen dat deze leer niet voortkomt uit het jodendom, maar uit een latere, Grieks-christelijke ontwikkeling.

Wanneer de protestantse theologie de rabbijnse traditie blijft negeren, gebeurt er iets gevaarlijks: zij raakt los van haar eigen oorsprong. Zij gaat spreken over Jezus zonder de wereld van Jezus te kennen. Zij gaat spreken over Paulus zonder de wereld van Paulus te begrijpen. Zij gaat spreken over “wet” en “genade” zonder te weten hoe deze begrippen in het jodendom functioneren. Het resultaat is een theologie die weliswaar op de Schrift wil bouwen, maar de wereld van de Schrift niet meer kent.

Wat nodig is, is niet een oppervlakkige waardering van het jodendom, maar een daadwerkelijke ontmoeting. Een theologie die de Talmoed leest. Die de rabbijnen serieus neemt. Die moderne joodse stemmen hoort. Die bereid is om te leren, te luisteren en soms zichzelf ingrijpend te corrigeren.  Niet om het christendom te laten opgaan in een nieuwe vorm van jodendom, maar om het weer te verbinden met zijn wortels. Niet om verschillen te ontkennen, maar om ze te begrijpen – en te leren inzien wat wel en wat niet noodzakelijk als een verschil naar voren komt. Alleen een theologie die haar wortels kent, kan vrucht dragen.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Dogmatiek, Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *