Voorbij dogmatische theologie: Max Kadushin

Assertieve dogmatische theologie heeft altijd een verborgen prijs gehad. Ze presenteert zichzelf als helderheid, als trouw, als de moed om uit te spreken wat over God gezegd moet worden. En zo heb ik ook jarenlang de dogmatische houding in het christendom verdedigd. Maar onder die zelfverzekerdheid schuilt een manier van denken die gevormd is door categorieën die vreemd zijn aan de Joodse wereld waaruit het christendom is voortgekomen. De herontdekking van de Joodse wortels van de christelijke theologie moet ook gepaard gaan met een fundamentele verandering in de methode van theologisch denken.

Wanneer theologie verandert in een systeem van metafysische uitspraken—stellingen over goddelijke essentie, innerlijk leven en eeuwige verhoudingen—plaatst ze zichzelf onvermijdelijk tegenover het jodendom van Jezus en zijn eerste volgelingen. Hoe sterker het christendom zichzelf definieert via abstracte, ontologische begrippen, hoe meer het zich moet onderscheiden van de “onvoldoende” conceptuele wereld van het oude jodendom. Zo versterkt dogmatische theologie, vaak zonder het te willen, een oud en schadelijk patroon: het christendom als religie van metafysische waarheid, het jodendom als religie van wetticisme of spirituele onvolledigheid.

Dit is niet slechts een historisch probleem. Het beïnvloedt mijn prediking, de catechese en de verbeelding van gewone gelovigen. Wanneer christenen leren dat de diepste waarheden van het geloof metafysische proposities zijn—over naturen, personen en essenties—leren ze tegelijk het jodendom te zien als iets dat precies datgene mist wat het christendom beweert te bezitten. Het resultaat is een subtiel maar hardnekkig anti-joods vooroordeel, ingebed in de structuur van het theologisch denken zelf. Zelfs theologen die openlijk afstand nemen van supersessionisme blijven vaak werken binnen een denkkader dat het bijna onmogelijk maakt om het jodendom op zijn eigen voorwaarden te begrijpen.

Als het probleem in de structuur van de theologie zelf ligt, dan is de oplossing niet simpelweg een correctie van toon of accent. Ook een vernieuwde dogmatiek met nieuwe assertieve leerstellingen blijft in het oude denkkader gevangen. Wat nodig is, is een andere manier van theologiseren—een manier die niet afhankelijk is van metafysische precisie, die het christendom niet dwingt zichzelf te definiëren in tegenstelling tot het jodendom, en die de kerk toestaat vanuit haar traditie te spreken en te handelen zonder aanspraak op conceptuele superioriteit. Ik herken dat als een kenmerk van minstens een deel van de mennonitische traditie. En hier wordt iemand als Max Kadushin onverwacht een waardevolle gids.


Max Kadushin was een conservatieve rabbijn en geleerde die vooral bekend stond om zijn ontwikkeling van het concept ‘organisch denken’ om de logica van de rabbijnse aggada te beschrijven. Hij leverde een van de meest invloedrijke pogingen in de 20e eeuw om de rabbijnse theologie te begrijpen vanuit haar eigen perspectief, in plaats van door middel van filosofische of systematische categorieën.
Hij werd geboren in Minsk en groeide op in Seattle. Hij werd in 1920 tot rabbijn gewijd aan het Jewish Theological Seminary en behaalde daar later zijn doctoraat. Hij diende gemeenten, werkte voor Hillel en doceerde aan het Jewish Theological Seminary en het Hebrew Theological College. Kadushin betoogde dat het rabbijnse denken – met name de aggada – niet functioneert zoals de westerse systematische theologie. Rabbijnse theologie is geen filosofisch systeem, maar een netwerk van waardebegrippen (bijv. chesed, kedushah, tzedakah). Deze begrippen functioneren binnen de dagelijkse praktijk en het gemeenschapsleven.

Kadushin, een twintigste‑eeuwse rabbijnse denker, stelde dat het klassieke jodendom niet werkt met systematische doctrines. Het leeft door wat hij “organisch denken” noemde: een netwerk van waarde‑concepten die alleen betekenis krijgen binnen het leven van de gemeenschap. Begrippen als heiligheid, barmhartigheid, gerechtigheid en trouw zijn geen abstracte definities maar geleefde houdingen en gevoeligheden. Ze worden gevormd door praktijk, verhaal, gebed en collectief geheugen. Ze vormen geen systeem; ze vormen een milieu.

Juist dat maakt Kadushin zo interessant voor de christelijke theologie. Hij biedt een manier om over God en geloof te spreken zonder te vervallen in metafysische beweringen. Zijn benadering maakt het mogelijk om religieuze taal te begrijpen als expressief, relationeel en ervaringsgericht, in plaats van als een reeks ontologische claims. Vanuit dit perspectief kunnen christelijke doctrines worden benaderd als waardevolle symbolen die de verbeelding en praktijk van de gemeenschap vormen. De Drie‑eenheid wordt een manier om relationaliteit en wederkerigheid te cultiveren. Incarnatie wordt een manier om goddelijke nabijheid te benoemen. Opstanding wordt een manier om hoop en trouw levend te houden. Dit zijn geen ontwijkingen van doctrine, maar herinterpretaties die de theologie terugbrengen naar het domein van geleefde betekenis.

Zo’n benadering wist de eigenheid van het christendom niet uit, maar haalt wel de noodzaak weg om die eigenheid te definiëren via metafysische contrasten met het jodendom. Ze maakt het mogelijk om eerlijk te spreken over de christelijke traditie en tegelijk het Joodse landschap te eren waaruit die traditie is voortgekomen. Ze bevrijdt de theologie van de drang om te systematiseren wat nooit als systeem bedoeld was. En ze opent ruimte voor een historisch verantwoorde, spiritueel gewortelde en ethisch aandachtige manier van spreken over God.

In die zin is Kadushin niet slechts een Joodse denker die door christenen gewaardeerd kan worden. Hij is een gids naar een nieuw soort theologie—een theologie die geworteld is in traditie zonder door dogma verstikt te raken, die eerlijk is over geschiedenis zonder het geloof te verliezen, en die eindelijk de antijoodse patronen kan loslaten die eeuwenlang in metafysische taal verankerd zaten. Zijn werk nodigt christenen uit om een theologie te verbeelden die ademt, die luistert, die organisch groeit uit het leven van de gemeenschap. Een theologie die geen conceptuele veldslagen hoeft te winnen, omdat ze bezig is met het cultiveren van de waarden die geloof de moeite waard maken.

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Dogmatiek, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *