Karl Barths herwaardering van Israël als het volk dat God nooit heeft losgelaten, was een profetisch geluid in een eeuw die getekend werd door antisemitisme, kerkelijke blindheid en uiteindelijk de Shoah. Tegelijkertijd blijft Barths positie, hoe indrukwekkend ook, op een beslissend punt onvolledig. Juist waar de geschiedenis het meest schreeuwt om theologische helderheid, blijft Barth zwijgen. En dat zwijgen is niet langer houdbaar.
Barth houdt met grote stelligheid vast aan twee overtuigingen die in zijn denken nooit werkelijk met elkaar worden verzoend. Enerzijds is er zijn radicale christocentriciteit: er is geen heil buiten Jezus Christus. De Messias van Israël is de enige bron van verlossing, voor Jood en heiden. Anderzijds is er zijn diepe overtuiging dat Gods verbond met Israël onopzegbaar is. Israël blijft het volk van de verkiezing, ook in ongeloof. De kerk is niet in de plaats van Israël gekomen; zij is hoogstens de gemeenschap van heidenen die door Christus in Israëls verbond zijn binnengehaald.
Maar precies hier ontstaat de spanning. Want als Israël alleen door de erkenning van Jezus als Messias kan worden gered, wat betekent dat dan voor de generaties die gestorven zijn zonder die erkenning? Wat betekent het voor de miljoenen Joden die in de Shoah zijn vermoord, vaak juist omdat zij Joden waren? Barth weigert te zeggen dat zij verloren zijn, maar hij biedt ook geen positieve theologische grond om te zeggen dat zij worden gered. Hij beroept zich op Gods vrijheid, maar die vrijheid blijft bij hem een abstracte categorie, geen concrete belofte. Het gevolg is dat Barth, ondanks zijn indrukwekkende verdediging van Israël, geen antwoord geeft op de meest brandende vraag: hoe verhoudt Gods onherroepelijke verbond zich tot de doden van Israël?
Deze spanning wordt nog scherper wanneer we de profetie van Joël naast de interpretatie van Petrus in Handelingen leggen. In Joël is de uitstorting van de Geest een teken van Israëls herstel. De Geest komt over “alle vlees”, maar in de context van Joël betekent dat: over heel Israël. De profetie is nationaal, concreet, historisch. De Geest markeert het begin van Israëls verlossing, en onmiddellijk daarna volgt het oordeel over de volken die Israël hebben verstrooid en vernederd. De structuur is helder: Geest – herstel – oordeel.
In Handelingen 2 gebeurt iets dat tegelijk aansluit bij Joël en de profetie radicaal opent. Petrus citeert Joël om de uitstorting van de Geest te duiden, maar de Geest valt niet alleen op Israël. Hij valt op Joden uit alle landen, en in de hoofdstukken die volgen ook op Samaritanen en heidenen. De Geest die in Joël het begin van Israëls nationale verlossing markeert, wordt in Handelingen het begin van een wereldwijde beweging. Maar Petrus laat de rest van Joëls profetie niet vallen. De apocalyptische tekenen – bloed, vuur, rook, verduistering – worden niet geannuleerd, maar naar de toekomst verplaatst. De Geest is het begin van de laatste dagen, niet hun voltooiing. Het oordeel over de volken komt nog. En daarmee blijft ook de vraag naar Israëls uiteindelijke herstel open.
Het Nieuwe Testament zelf biedt echter een duidelijker antwoord dan Barth. Paulus’ betoog in Romeinen 9–11 is geen voetnoot bij zijn soteriologie, maar het hart van zijn eschatologie. Paulus stelt zonder omwegen dat Israëls ongeloof werkelijk is, maar niet definitief. Het is een “gedeeltelijke verharding”, een fase in Gods plan. Israël blijft het volk van het verbond, want “de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk”. En dan volgt de meest gedurfde uitspraak in het hele hoofdstuk: “En zo zal heel Israël worden gered.” Paulus bedoelt daarmee niet dat elke individuele Jood automatisch wordt gered, maar dat Israël als volk, als collectieve identiteit, als drager van het verbond, uiteindelijk door de Messias zal worden binnengehaald in de verlossing.
Dit is de sleutel die Barth niet heeft durven omdraaien. Paulus’ visie is niet individualistisch, maar corporatief. Israël wordt niet gered door een optelsom van individuele bekeringen, maar door een eschatologische daad van God. De Messias zal zelf “de goddeloosheid van Jakob wegnemen”. Dat betekent dat de generaties die gestorven zijn – ook in de Shoah – niet buiten Gods verbond vallen. Als het verbond werkelijk onherroepelijk is, dan omvat het ook de doden. De opstanding is het moment waarop de Messias zijn volk verzamelt, levenden en doden. De Shoah heeft geen theologisch laatste woord; de Messias heeft dat.
Wanneer we Joël, Handelingen en Paulus samen lezen, ontstaat een coherent geheel. Joël ziet de Geest als het begin van Israëls herstel en het oordeel over de volken. Handelingen ziet de Geest als het begin van een wereldwijde beweging die uiteindelijk tot dat herstel zal leiden. Paulus ziet de toekomst waarin Israël als geheel wordt gered door de Messias, ondanks het ongeloof. De spanning tussen Joël en Handelingen wordt niet opgelost door Joël te spiritualiseren, maar door te erkennen dat de Geest het begin is van een proces dat nog niet voltooid is. De volken worden nu geroepen tot bekering; Israël zal in de toekomst worden hersteld; het oordeel over de volken komt nog; en de Messias zal uiteindelijk zijn volk verlossen, levenden en doden.
Zo biedt de apostolische getuigenis een antwoord dat Barth niet heeft gegeven, maar dat wel in de lijn van zijn denken ligt:
Israël wordt niet gered buiten Christus om, ook niet onder de voorwaarde van zijn bekering tot het Christendom, maar Israël wordt door Christus gered als Israël, op Gods tijd, in Gods trouw, in Gods eschatologische handelen.
De doden zijn niet verloren; zij zijn in de handen van de God die zijn verbond nooit opgeeft. De Geest die in Handelingen wordt uitgestort, is dezelfde Geest die volgens Joël Israël zal herstellen. En de Messias die nu de volken roept, is dezelfde Messias die Israël uiteindelijk zal redden. In die spanning leeft de kerk, en in die hoop leeft Israël.