Het is denkbaar dat de opmerkelijke ontvankelijkheid voor door Hamas verspreide informatie niet uitsluitend verklaard kan worden door journalistieke tekortkomingen of politieke voorkeuren, maar dat zij wortelt in diepere psychologische en culturele predisposities. Wanneer men Elluls analyse van propaganda serieus neemt, wordt duidelijk dat propaganda nooit in een vacuüm werkt. Zij slaagt slechts wanneer zij een reeds bestaande behoefte, spanning of mythe in het individu aanspreekt. Propaganda creëert niet uit het niets; zij resoneert met datgene wat al aanwezig is, hoe latent of onbewust ook. In het geval van de Israël‑Gaza‑berichtgeving kan men zich afvragen of een sluimerend antisemitisme, gecombineerd met een moderne reflex om de underdog te steunen, niet precies die voedingsbodem vormt waarop Hamas‑gestuurde narratieven zo gemakkelijk wortel schieten.
Ellul stelt dat moderne individuen, geconfronteerd met complexe geopolitieke gebeurtenissen, een diep verlangen hebben naar morele helderheid en cognitieve vereenvoudiging. De wereld is te ingewikkeld, de feiten te overweldigend, de geschiedenis te gelaagd. Propaganda biedt een uitweg uit deze overweldiging door een kant‑en‑klaar moreel kader aan te reiken. In het geval van Israël en Gaza is dat kader vaak een eenvoudig schema van dader en slachtoffer, macht en onmacht, onderdrukker en onderdrukte. Het is een schema dat niet alleen door propaganda wordt aangereikt, maar ook door de bredere morele atmosfeer van westerse samenlevingen, waarin slachtofferschap de hoogste morele status heeft gekregen. De zwakkere partij wordt als vanzelfsprekend moreel goed geacht, terwijl de sterkere partij moreel verdacht wordt. Dit is geen antisemitisme, maar een modern moreel reflexmechanisme dat perfect aansluit bij Elluls begrip van sociologische propaganda: een diffuse, culturele manier van denken die individuen vormt zonder dat zij zich daarvan bewust zijn.
Toch kan men niet ontkennen dat dit underdog‑schema gemakkelijk kan samenvallen met oudere culturele vooroordelen die in Europa en het Midden-Oosten eeuwenlang hebben bestaan. Antisemitisme hoeft niet expliciet of bewust te zijn om toch invloed uit te oefenen op de manier waarop informatie wordt ontvangen. Het kan functioneren als een perceptueel filter dat bepaalt welke claims geloofwaardig lijken en welke beelden onmiddellijk morele sympathie oproepen. Wanneer Israël wordt voorgesteld als machtig, agressief of moreel verdorven, sluit dat aan bij eeuwenoude antisemitische tropen die Joden afschilderen als manipulatief, invloedrijk of gevaarlijk. De moderne reflex om de underdog te steunen en het historische sediment van antisemitische vooroordelen hoeven elkaar niet tegen te spreken; zij kunnen elkaar juist versterken. Daardoor kan propaganda die Israël als dader en de Palestijnen als slachtoffer neerzet, niet alleen geloofd worden, maar zelfs gewenst zijn, omdat zij een reeds bestaande culturele mythe activeert en een psychologische behoefte bevredigt.
Ellul zou benadrukken dat propaganda alleen effectief is wanneer zij een innerlijke spanning oplost. In dit geval biedt zij een moreel eenvoudig verhaal dat de cognitieve last van het conflict verlicht. Zij geeft het individu het gevoel aan de juiste kant te staan, zonder dat men zich hoeft te verdiepen in de historische, politieke of strategische complexiteit van de situatie. De propaganda van Hamas, of breder: de propaganda die ontstaat wanneer media Hamas‑claims kritiekloos reproduceren, biedt precies dat. Zij presenteert cijfers, beelden en verhalen die onmiddellijk passen in het morele schema van de westerse toeschouwer. De herkomst van de informatie wordt secundair; wat telt is de emotionele resonantie. De ontvanger voelt zich betrokken, moreel helder, en bevrijd van de last van nuance.
Dit verklaart ook waarom correcties of nuanceringen vaak geen effect hebben. Wanneer propaganda eenmaal een behoefte heeft bevredigd, wordt zij psychologisch verankerd. De eerste indruk kristalliseert tot een moreel oordeel dat niet gemakkelijk meer wordt losgelaten. Ellul noemt dit de psychologische crystallisatie: het moment waarop een narratief niet langer wordt beoordeeld, maar wordt geloofd, omdat het past bij de innerlijke structuur van de ontvanger. In dit licht is het niet verrassend dat cijfers die door Hamas worden verstrekt, zelfs wanneer zij later worden betwist, toch blijven circuleren als morele feiten. Zij hebben hun werk al gedaan: zij hebben het publiek een gevoel van morele duidelijkheid gegeven.
De rol van latent antisemitisme moet in dit geheel niet worden opgevat als een beschuldiging aan individuen, maar als een culturele factor die de ontvankelijkheid voor bepaalde narratieven vergroot. Het gaat niet om bewuste haat, maar om culturele predisposities die bepalen welke verhalen vanzelfsprekend klinken. Wanneer Israël wordt voorgesteld als de machtige agressor, sluit dat aan bij een eeuwenoud cultureel patroon. Wanneer de Palestijnen worden voorgesteld als de lijdende underdog, sluit dat aan bij een modern moreel patroon. De propaganda van Hamas hoeft slechts deze twee patronen te verbinden om effectief te zijn. Zij hoeft niet te overtuigen; zij hoeft slechts te resoneren.
Ellul helpt ons begrijpen dat propaganda niet werkt omdat mensen dom of slecht geïnformeerd zijn, maar omdat zij psychologische en culturele behoeften vervult. In het geval van Israël en Gaza vervult zij de behoefte aan morele helderheid, de behoefte aan identificatie met het slachtoffer, en in sommige gevallen de behoefte aan bevestiging van diepgewortelde culturele vooroordelen. De moderne media, die opereren binnen dezelfde culturele atmosfeer, versterken deze dynamiek door informatie te selecteren en te presenteren op een manier die past binnen het dominante morele schema. De kritiekloze overname van Hamas‑claims is dan geen opzet, maar een gevolg van de structuur van de moderne massamaatschappij, waarin propaganda en techniek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Wanneer men dit alles samenneemt, wordt duidelijk dat de effectiviteit van Hamas‑gestuurde propaganda niet alleen te verklaren is door de inhoud van de boodschappen, maar vooral door de psychologische en culturele bodem waarin zij vallen. Latent antisemitisme en de moderne underdog‑psychologie vormen geen afzonderlijke verklaringen, maar twee lagen van dezelfde ontvankelijkheid. Zij maken het mogelijk dat propaganda niet alleen wordt geloofd, maar ook wordt verlangd. En precies dat is wat Ellul bedoelt wanneer hij zegt dat de propagandist slechts kan slagen omdat de propagandee hem intensief helpt.