Wanneer je kijkt naar hoe Willem Zuidema de joodse religie typeert en hoe hij haar verhouding tot het christendom begrijpt, zie je een theoloog die zich radicaal losmaakt van het klassieke christelijke schema waarin het jodendom wordt gezien als voorstadium, schaduw of mislukte aanloop. Zuidema is gevormd door intensieve studie van judaïca in Münster en Jeruzalem, en door jarenlang onderwijs bij rabbijn Yehuda Aschkenasy, die verbonden was aan de Folkertsmastichting voor Talmudica. Dat betekent dat hij het jodendom niet van buitenaf benadert, maar vanuit een langdurige, bijna leerlingachtige omgang met de joodse traditie. Zijn bekendste boek, Gods partner. Ontmoeting met het Jodendom (1977), is volgens de bronnen de neerslag van die ontmoeting, geschreven vanuit “respect en gelijkwaardigheid” en niet vanuit een gevoel van christelijke meerwaarde.
Zuidema beschrijft het jodendom niet als een religie die door het christendom wordt opgeheven, maar als een eigen, levende traditie die het christendom nodig heeft om zichzelf te verstaan. Hij benadrukt dat de kerk, na eeuwen van verguizing, moet leren luisteren naar het jodendom, omdat zij anders “de zin van de Joodse aanwezigheid onder ons ontkent” — een ontkenning die volgens hem een krachtig element is geweest in de Holocaust. Dat is een theologisch geladen uitspraak: Zuidema ziet de joodse aanwezigheid niet als toevallig, maar als betekenisvol, als iets dat de kerk aanspreekt en corrigeert. Het jodendom is voor hem geen object van missie, maar een partner — vandaar de titel Gods partner.
Zijn visie op de relatie tussen jodendom en christendom is daarom dialogisch en wederkerig. In de herinneringen van Peter van ’t Riet wordt duidelijk dat Zuidema zelfs pleitte voor een “Vrij Leerhuis voor Talmoed en Tora”, geïnspireerd door Rosenzweig, en expliciet “onafhankelijk van elke kerkelijke bemoeienis”. Dat is veelzeggend: Zuidema wil dat christenen leren in een joodse ruimte, zonder dat de kerk de voorwaarden bepaalt. Hij ziet het jodendom niet als een religie die moet worden geïnterpreteerd door christelijke categorieën, maar als een traditie die op eigen voorwaarden moet worden gehoord.
Daarmee verschuift hij de verhouding tussen jodendom en christendom van hiërarchie naar ontmoeting. Het christendom staat niet boven het jodendom, maar naast het jodendom — en soms zelfs onder het jodendom, in de zin dat de kerk moet leren van de joodse wijze van Schriftlezing, van de Talmoedische omgang met tekst, van de manier waarop het jodendom weigert om God te reduceren tot systeem of abstractie. Zuidema’s theologisch denken was volgens Van ’t Riet “in het geheel niet meer klassiek christelijk”, wat suggereert dat zijn ontmoeting met het jodendom niet slechts informatief was, maar transformerend.
Wat Zuidema uiteindelijk laat zien, is dat de joodse religie niet kan worden begrepen als een religie die het christendom achter zich laat, maar als een religie die het christendom voortdurend ondervraagt. Het jodendom is voor hem een levende traditie die de kerk eraan herinnert dat zij niet de eigenaar is van de Schrift, dat zij niet de enige erfgenaam is van het verbond, en dat haar eigen geschiedenis van verguizing en miskenning moet worden onderbroken door luisteren. De relatie tussen jodendom en christendom is bij Zuidema geen theologisch schema, maar een ethische en hermeneutische opdracht: de kerk moet leren horen wat zij eeuwenlang niet heeft willen horen.
Wanneer je Zuidema naast Miskotte zet, zie je twee theologen die elkaar raken in hun diepe respect voor het jodendom, maar die vanuit verschillende bewegingen tot dat respect komen. Ze delen een intuïtie dat het christendom zichzelf niet kan verstaan zonder Israël, maar de manier waarop ze dat uitwerken verschilt bijna als twee stemmen in een contrapunt: verwant, maar niet samenvallend.
Bij Miskotte begint alles bij de Schrift. Zijn hele theologie is een strijd tegen het heidendom, en in die strijd wordt het jodendom voor hem de beslissende tegenstem. Hij zoekt het jodendom niet op als religieus object, maar als hermeneutische horizon. Het jodendom is voor hem een geleefde Leer, een levensvorm waarin de Naam, de Thora en de concrete gehoorzaamheid samen een wereld vormen die het christendom corrigeert. Zijn omgang met het jodendom is theologisch, existentieel en principieel: hij wil luisteren, niet annexeren. Hij wil dat het jodendom het christendom bevrijdt van zijn neiging tot abstractie, metafysica en religieuze zelfhandhaving.
Zuidema komt vanuit een andere hoek binnen. Hij is geen systematisch theoloog zoals Miskotte, maar een denker die gevormd is door langdurige, persoonlijke omgang met joodse leraren, teksten en tradities. Zijn jarenlange studie bij rabbijn Yehuda Aschkenasy, zijn betrokkenheid bij het Leerhuis, zijn intensieve omgang met Talmoed en midrasj — dat alles maakt dat hij het jodendom niet alleen theologisch waardeert, maar ook praktisch, dialogisch en bijna leerlingachtig benadert. Waar Miskotte het jodendom vooral ziet als een hermeneutische correctie op het christendom, ziet Zuidema het jodendom als een levende partner, een traditie die op eigen voorwaarden moet worden gehoord. Zijn boek Gods partner is niet geschreven vanuit een christelijke positie die het jodendom interpreteert, maar vanuit een ontmoeting die hem zelf heeft veranderd.