In de afgelopen decennia is er binnen de christelijke theologie een opvallende verschuiving zichtbaar geworden – zo schreef ik in een vorige bijdrage. Waar eeuwenlang de vervangingsleer — het idee dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen — dominant was, ontstaat nu een groeiende beweging van theologen die pleiten voor een tweesporige verbondstheologie. In deze visie bestaan er twee verbonden, beide door God gewild: één voor Israël en één voor de kerk. Niet als concurrerende systemen, maar als twee wegen waarop dezelfde God zijn trouw gestalte geeft.
Deze benadering wordt vooral uitgewerkt door theologen als Mark Kinzer, R. Kendall Soulen en Michael Wyschogrod, die elk op hun eigen manier benadrukken dat Israël niet slechts een historische voorloper of een hermeneutische sleutel is, maar een parallelle verbondsgemeenschap. Israël leeft in het verbond van Sinaï; de kerk leeft in het verbond van Christus; beide zijn werkelijk, beide zijn geldig, beide zijn door God gewild.
Mark Kinzer: Israël blijft het verbondsvolk
Mark Kinzer, een messiaans-joodse theoloog, is een van de meest uitgesproken stemmen in deze beweging. In zijn invloedrijke werk Postmissionary Messianic Judaism schrijft hij dat “het Joodse volk blijft leven binnen het Sinaïtische verbond, zelfs na de komst van de Messias”. Voor Kinzer is het christelijk geloof geen afschaffing van Israëls roeping, maar een uitbreiding ervan. Hij stelt dat de kerk “niet buiten Israël staat, maar binnen Israëls verhaal wordt ingevoegd”.
Kinzer benadrukt dat de kerk Israël niet moet zien als een volk dat Christus heeft gemist, maar als een volk dat “zijn eigen, door God gegeven weg” blijft gaan. De Messias bevestigt Israël, Hij annuleert het niet.
R. Kendall Soulen: de vervangingsleer is een theologische vergissing
R. Kendall Soulen, bekend van zijn boek The God of Israel and Christian Theology, noemt de vervangingsleer “de structurele fout in de klassieke christelijke theologie”. Volgens Soulen heeft de kerk te vaak gedaan alsof Gods verbond met Israël een tijdelijke fase was, bedoeld om te verdwijnen zodra Christus kwam. Soulen stelt daartegenover dat “Gods verbond met Israël niet wordt opgeheven, maar uitgebreid”.
Voor Soulen is het cruciaal dat de kerk Israël niet ziet als een voorstadium, maar als een blijvende partner. Hij schrijft: “De kerk kan haar eigen identiteit niet begrijpen zonder de blijvende verkiezing van Israël te erkennen.”
Michael Wyschogrod: God woont bij Israël
Michael Wyschogrod, een joodse filosoof en theoloog, heeft een diepe invloed gehad op christelijke denkers die de tweesporige verbondstheologie omarmen. In The Body of Faith schrijft hij: “God heeft ervoor gekozen om in het vlees van Israël te wonen.” Daarmee bedoelt hij dat Gods verkiezing niet abstract is, maar lichamelijk, historisch en blijvend.
Wyschogrod stelt dat de kerk alleen werkelijk kan begrijpen wie Jezus is wanneer zij erkent dat Hij “de Joodse Messias” is, niet een universele figuur die losstaat van zijn volk. Zijn werk heeft veel christelijke theologen geholpen om Israël niet te zien als een theologisch probleem, maar als een theologische bron.
De relatie met Ouweneel, Barth, Bavinck en Wright
Wanneer we deze tweesporige verbondstheologie naast de visies van Ouweneel, Barth, Bavinck en Wright leggen, ontstaat een fascinerend gesprek.
Ouweneel: een verwante geest
Willem Ouweneel staat het dichtst bij deze beweging. Hij benadrukt dat Israël een blijvende, zelfstandige roeping heeft en dat de kerk niet in de plaats van Israël is gekomen. In zijn boek Het Israël van God schrijft hij: “Israël blijft het volk van Gods verkiezing, ook na Christus.” Dat is bijna een echo van Kinzer en Soulen. Toch legt Ouweneel meer nadruk op de eschatologische toekomst van Israël en op het land, terwijl de tweesporige verbondstheologie vooral relationeel en ecclesiologisch denkt.
Barth: twee gestalten, maar geen twee verbonden
Karl Barth zou zich herkennen in de gedachte dat Israël en de kerk twee onderscheiden werkelijkheden zijn. Zijn beroemde uitspraak dat zij “het ene volk van God in twee gestalten” vormen, sluit nauw aan bij de intuïtie van Kinzer en Soulen. Maar Barth zou moeite hebben met de gedachte van twee parallelle verbonden. Voor hem is er één verbond, dat zich uitstrekt over Israël en de kerk, maar niet in twee gescheiden vormen uiteenvalt.
Bavinck: Christus als vervulling
Herman Bavinck zou waarschijnlijk het meest kritisch zijn. Hij ziet de beloften aan Israël vervuld in Christus en daarmee in de kerk. Israël heeft volgens hem een toekomst van bekering, maar geen eigen verbondspad naast de kerk. In zijn Gereformeerde Dogmatiek schrijft hij: “In Christus komen alle beloften tot hun vervulling.” Dat maakt een tweesporige verbondstheologie voor hem moeilijk voorstelbaar.
Wright: continuïteit zonder parallelle paden
N.T. Wright zou de nadruk op continuïteit tussen Israël en de kerk waarderen. Hij benadrukt dat Jezus het verhaal van Israël tot zijn bestemming brengt. Maar Wright zou terughoudend zijn om Israël een eigen verbondspad toe te kennen buiten Christus om. Voor hem is de Messias het centrum waarin alle lijnen samenkomen. Hij schrijft: “In de Messias wordt Israël vernieuwd en uitgebreid.” Dat is geen afwijzing van Israël, maar wel een andere structuur dan die van Kinzer en Soulen.
Slotbeschouwing: een nieuw hoofdstuk in een oud gesprek
De tweesporige verbondstheologie is geen breuk met de traditie, maar een nieuwe poging om recht te doen aan de diepe, mysterieuze relatie tussen God, Israël en de kerk. Zij biedt een kader waarin Israël niet wordt gereduceerd tot een voetnoot, maar wordt erkend als een levende verbondsgemeenschap die naast de kerk staat — niet als concurrent, maar als partner.
In een tijd waarin de relatie tussen christenen en Joden opnieuw onder druk staat, biedt deze theologie een weg van respect, wederkerigheid en theologische diepgang. Zij nodigt de kerk uit om Israël niet te zien als een probleem dat moet worden opgelost, maar als een geschenk dat moet worden ontvangen.
En misschien is dat wel de meest hoopvolle gedachte: dat de God die twee verbonden heeft gesloten, ook twee volkeren kan samenbrengen in een gesprek dat niet draait om gelijk krijgen, maar om trouw blijven — aan elkaar, en aan Hem.
Als we het hebben over de verhouding Joden-Christenen laten we dan eens kijken naar wat Paulus daarover schrijft in Romeinen 11.
In de tijd van Elia zijn er twee groepen Israelieten: zij die de Baal vereren en de ‘zevenduizend’ die de Heer trouw blijven, een overblijfsel.
In de tijd van Jezus en Paulus zijn er tenminste twee groepen Joden: zij die de wet leren, maar deze niet doen, hiertegen fulmineert Jezus, en zij die God oprecht willen dienen, zoals Zacharias en Simeon, een overblijfsel.
Uit Paulus’ betoog in hoofdstuk 11 blijkt nu dat dit overblijfsel er is naar de verkiezing der genade (vs 5) en dat de overigen weliswaar verhard zijn (vs 7) maar niet verstoten worden (vs 1 en 2). De roeping Gods in onberouwelijk (vs 29) en indien zij niet bij hun ongeloof blijven (dat God hun zonden wegneemt) zal God hen weer aanvaarden (vs 23).
Met andere woorden: de Joden die Christus niet als de Messias erkennen, toen en nu, vallen binnen het verbond dat gesloten werd met Abraham. Op deze wijze is er geen sprake van de vervangingstheorie en ook niet van een tweewegenleer.
Dan de edele olijfboom (vs. 24). Die boom is het volk Israel, geworteld in Gods verbondstrouw. De takken zijn de levende Israelieten. De takken van de boom die geen vrucht dragen en niet in Jezus willen geloven worden weggebroken en vervangen door takken van wilde olijfbomen (de heidenen) door in Jezus te geloven, met de bedoeling om ook vrucht te dragen.
Een paar zaken vallen op.
1. Is het waar dat de oorspronkelijke takken die vrucht dragen in Jezus zijn gaan geloven? Ik zou niet weten hoe je dat aan kan tonen, maar ik denk wel dat Paulus dit bedoelt. Immers, hij ziet in dit voorbeeld van de edele olijfboom het verbond uitgebreid en vervolmaakt worden met de komst van Jezus Messias.
2. Er worden ènkele takken afgebroken en niet véle. Dat impliceert dan dat de meeste Joden in Jezus zijn gaan geloven. Ook hier van zou ik niet weten of dit te staven is en het is mogelijk ook tegenstrijdig aan de restgedachte.
3. Paulus plaatst de gelovige heidenen nu binnen het verbond van God met Israel. Geen vervangingstheologie dus.
4. Paulus waarschuwt de heidense gelovigen niet hoogmoedig te worden op de Joden die niet in Jezus geloven. Helaas is dit wel gebeurd met als inktzwarte dieptepunten onder andere de Inquisitie, Luthers anti-Joodse geschriften en in de nasleep daarvan grote anti-semitistische tendenzen. Dit had beslist niet mogen gebeuren. Paulus waarschuwt er tegen. Jezus zelf zegt in één van zijn kruiswoorden ‘Vader, vergeef het hun (de Joden en de Romeinen, neem ik aan), want ze weten niet wat ze doen (Luc 23:34).
5. God kan de ongelovige Joden weer op de boom enten, ze zijn daarmee weer in hun oude positie. Er zijn dus geen aparte wegen voor Joden, resp. Christenen om tot God te komen. De Joden blijven in het verbond.
Conclusies:
1. Paulus verkondigt geen vervangingsleer, integendeel!
2. Paulus verkondigt geen tweewegenleer.
3. Er is maar één verbond.
4. Bij Paulus is het breekpunt tussen Joden en Christenen of Jezus al dan niet als de Messias beleden wordt.