Tussen volk en staat: Hegel en de Montevideo-conventie

§ 349 – Philosophie des Rechts, G.W.F. Hegel

Een volk is op zichzelf nog geen staat, en de overgang van een familie, horde, stam, menigte enzovoort naar de toestand van een staat bestaat in de formele verwerkelijking van het idee in het algemeen binnen dat volk. Zonder deze vorm ontbreekt het, hoewel het in zichzelf een zedelijke substantie is, aan objectiviteit: het heeft geen bestaan in wetten — als gedachte bepalingen — dat algemeen en algemeen geldig is, voor zichzelf en voor anderen, en wordt daarom niet erkend. Zijn zelfstandigheid, die zonder objectieve wettelijkheid en zonder voor zichzelf vaststaande redelijkheid slechts formeel is, is geen soevereiniteit.


De passage van Hegel luidt in vertaling dat een volk op zichzelf nog geen staat is, en dat de overgang van familie, stam of menigte naar de staat bestaat in de formele verwerkelijking van het idee van de staat binnen die gemeenschap. Zonder die vorm, zegt Hegel, ontbreekt het volk aan objectiviteit: het bezit geen wetten die als gedachte bepalingen een algemeen en algemeen geldig bestaan hebben, noch voor zichzelf, noch voor anderen. Daarom wordt het niet erkend. Zijn zelfstandigheid, die zonder objectieve wetmatigheid slechts formeel is, kan geen soevereiniteit heten.

Wat Hegel hier ontvouwt, is een scherp onderscheid tussen het organische, historische en morele weefsel van een volk en de rationele, juridische en institutionele vorm van een staat. Een volk is voor hem een zedelijke substantie, een levende gemeenschap met gewoonten, taal en geschiedenis, maar zolang die substantie niet in de vorm van wetten en instituties is geobjectiveerd, blijft zij onzichtbaar voor de wereld van het recht. De staat is niet de spontane uitdrukking van een volk, maar de vorm waarin een volk zichzelf tot object maakt, zichzelf bindt aan algemeen geldige normen en daardoor voor anderen herkenbaar wordt als drager van soevereiniteit. Soevereiniteit is bij Hegel geen natuurlijk recht dat uit het volk-zijn voortvloeit, maar een juridische werkelijkheid die ontstaat wanneer een gemeenschap zichzelf tot staat vormt en door anderen als zodanig wordt erkend. Het volk is de substantie, maar de staat is de vorm; zonder vorm blijft de substantie particulier, onvoltooid en niet‑erkenbaar.

Wanneer men deze gedachte toepast op de vraag naar een Palestijnse staat, ontstaat een complexe spanning tussen filosofie en internationaal recht. Vanuit Hegels perspectief zou het volk-zijn van de Palestijnen op zichzelf niet voldoende zijn om een staat te claimen. Het volk-zijn is een noodzakelijke voorwaarde, maar geen voldoende. Wat telt, is de vorm: de aanwezigheid van een stabiele rechtsorde, een objectieve wetgeving, een bestuurlijke structuur die zichzelf als rationele totaliteit kan presenteren, en de erkenning door andere staten die deze vorm als soeverein erkennen. Hegel zou dus niet vragen of de Palestijnen een volk zijn, maar of zij de vorm van de staat hebben kunnen realiseren, en of die vorm door anderen wordt erkend als drager van soevereiniteit.

Het moderne internationale recht werkt echter niet volgens Hegels filosofische architectuur. Het hanteert geen metafysische eis van objectieve rationaliteit, maar een set feitelijke criteria, zoals geformuleerd in de Montevideo‑conventie: een permanente bevolking, een afgebakend grondgebied, een regering en het vermogen om betrekkingen met andere staten aan te gaan. Feitelijk criteria waaraan de Palestijnen op dit moment niet voldoen.

Daarnaast speelt erkenning door andere staten een cruciale, zij het formeel niet-constitutieve, rol. In het hedendaagse volkenrecht heeft een volk niet automatisch recht op een staat, maar het recht op zelfbeschikking kan wel een claim op staatvorming ondersteunen. Voor de Palestijnen betekent dit dat zij internationaal erkend worden als volk en dat hun recht op zelfbeschikking is vastgelegd in resoluties van de Verenigde Naties, terwijl een aanzienlijk aantal staten Palestina reeds als staat erkent. In het licht van het ontbreken van een realiteit die voldoet aan de Montevideo-criteria een volstrekt leeg gebaar, dat alleen bedoeld is om druk uit te oefenen op Israel – en dus een politiek instrument is. Tegelijkertijd wordt de feitelijke uitoefening van soevereiniteit beperkt door bezetting, interne verdeeldheid en gebrek aan territoriale controle.

Zo ontstaat een dubbele lens: bij Hegel is het volk-zijn slechts de substantie die pas door institutionele vormgeving en erkenning tot staat wordt; in het internationale recht is het volk-zijn de basis voor zelfbeschikking, maar niet automatisch voor staat-zijn. De Palestijnse kwestie bevindt zich precies in de spanning tussen deze twee logica’s: een volk dat zijn recht op zelfbeschikking erkend ziet, maar waarvan de staatkundige vorm niet kan worden gerealiseerd.

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *