Tussen geschiedenis en belijdenis: de Jood Jezus

Wanneer ik Jezus zie als een wetsgetrouwe Jood, iemand die de Torah niet afschafte maar intensifieerde, dan raakt dat niet alleen mijn theologische overtuiging, maar ook mijn  praktijk als voorganger. Want bijna elke zondag sta ik voor een gemeente die de trinitarische belijdenis uitspreekt, woorden die diep verankerd zijn in de traditie van de kerk, maar die niet de taal zijn waarin Jezus zelf sprak. Dat besef maakt mijn rol niet eenvoudiger, maar wel eerlijker. Ik leef in de spanning tussen de historische Jezus die ik probeer te verstaan en die mijn diepe bewondering heeft en de Christus die de kerk belijdt — en juist in die spanning moet ik proberen op een eerlijke manier mijn roeping als predikant waar te maken.

Als theoloog en predikant kan ik niet doen alsof de dogma’s rechtstreeks uit de mond van Jezus komen. Ik kan niet suggereren dat hij zichzelf zag zoals de concilies hem later hebben beschreven. Maar ik kan ook niet doen alsof die belijdenissen er niet toe doen. Ze zijn de taal van de gemeenschap waarin ik sta, de woorden waarmee generaties gelovigen hebben geprobeerd te verwoorden wat zij in Jezus hebben ervaren. Wanneer ik ze uitspreek of ernaar verwijs, doe ik dat als een liturgische daad: een getuigenis van de manier waarop de kerk door de eeuwen heen de nabijheid van God in Jezus heeft verstaan. Dat wordt volgens mij het beste verstaan in de Lutherse kerk, waar de trinitarische formules diep liturgisch zijn, en niet doctrinair.

Dat betekent dat ik me als predikant voortdurend beweeg tussen twee verschillende waarheden die elkaar niet opheffen. Aan de ene kant is er de historische Jezus, geworteld in de Torah, biddend tot de God van Israël, levend binnen de Joodse traditie. Aan de andere kant is er de Christus van de kerk, de Zoon, de Heer Jezus, de gestalte waarin de gemeenschap Gods nabijheid heeft herkend en in haar eigen – zij het heidense – denksysteem heeft ingebracht. Ik hoef die twee niet tot één systeem te smeden. Mijn taak is niet om de spanning weg te nemen, maar om haar te verdragen — en om anderen te helpen die spanning niet als bedreiging te zien, maar als een ruimte waarin geloof kan ademen.

In de praktijk betekent dit dat ik de belijdenis van de kerk niet gebruik als een toetssteen, maar als een venster. Ik spreek haar uit als een poging van de kerk om te zeggen wat zij in Jezus, zijn woorden, zijn leven en zijn missie heeft gezien, niet als een letterlijke beschrijving van zijn historische betekenis. En tegelijk probeer ik in mijn prediking en onderwijs recht te doen aan de Joodse Jezus, de man die de Thora leefde met een radicaliteit die nog steeds mensen raakt. Ik probeer gemeenteleden te laten zien dat deze twee perspectieven elkaar niet hoeven uit te sluiten. De Jezus die de Torah intensifieerde en de Christus die de kerk belijdt, hoeven geen rivalen te zijn, maar wellicht twee manieren om dezelfde werkelijkheid te benaderen: de nabijheid van God in het leven van één mens, die historisch de toegang gaf aan vele heidenen tot de God van Israël.

Soms voelt dat als balanceren op een koord. Gemeenteleden verwachten duidelijkheid, eenvoud, zekerheid. Maar ik heb geleerd dat mijn taak niet is om alle vragen glad te strijken. Mijn taak is om een ruimte te openen waarin mensen kunnen ontdekken dat geloof niet instemming met dogma’s is, maar een weg van navolging. En die navolging begint niet bij metafysische definities, maar bij de Joodse Jezus die rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw leefde. Die daarmee de Torah belichaamde, zodat deze ook voor niet-Joden van vitaal belang werd. Als ik de belijdenis uitspreek, doe ik dat dus niet als een grens waarbinnen men moet denken, maar als een echo van een ontmoeting die groter is dan woorden.

In die zin is mijn rol als predikant niet om de spanning tussen geschiedenis en belijdenis op te lossen, maar om haar vruchtbaar te maken. Ik sta in een traditie die Jezus belijdt als Zoon van God, en ik sta in een overtuiging die hem ziet als een Jood die de Thora leefde. Die twee werelden raken elkaar in mijn eigen stem, in mijn eigen lichaam, wanneer ik voor de gemeente sta. Misschien is dat wel precies de plek waar mijn roeping ligt: niet in het kiezen tussen geschiedenis en dogma, maar in het trouw blijven aan beiden, en in het begeleiden van mensen die hun eigen weg zoeken tussen die twee polen.

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Autobiografisch, belijden, Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *