Johannes (5) – De eerste getuige, de eerste dag (Joh. 1:19-28)

Het evangelie van Johannes is een boek vol getuigenissen. De apostel Johannes zegt tegen ons dat hij een getuige is van Jezus Christus, dat Hij de Zoon van God is. En hij heeft net in de proloog uitvoerig uitgelegd wat dat betekent: Jezus is het vleesgeworden Woord, de schepper, die genade en waarheid brengt in de wereld, die het licht en het leven van de mensen is. Dat is het getuigenis van de evangelist. Net als in een gerechtshof worden nu andere getuigen ten tonele gevoerd. Er moet meer dan een getuige zijn. En de eerste getuige die Johannes oproept, is zijn naamgenoot Johannes de Doper.

In het gedeelte dat nu voor ons ligt, horen wij Johannes de Doper op drie verschillende dagen tegenover drie verschillende groepen mensen drie verschillende dingen over Christus zeggen. Johannes de Doper was de eerste profeet in Israël na 400 jaar en bij zijn prediking liepen de mensen hem vol enthousiasme na. Zijn optreden was dynamisch en krachtig. Het gebied van zijn missie was bij de rivier de Jordaan, in de vallei, en iedereen ging daar naar toe om hem te horen. Vermoedelijk was hij een goede bekende van de Jeruzalemmers, omdat hij de zoon was van een priester, Zacharias. Maar hij treedt niet op in Jeruzalem. Eigenlijk verlaat hij de normale samenleving en identificeert zich met de armen. En de armen die droegen kleren van kameelhaar en leren gordels, en dat is de reden dat ook Johannes de Doper dat droeg. En arme mensen die ver buiten de steden en dorpen woonden in hun kleine nederzettingen, die aten sprinkhaan en wilde honing, en dat is dus ook wat hij gegeten heeft. Op die manier identificeerde hij zich met de mensen aan wie hij getuigde. Er was dus niets bijzonders aan zijn optreden. Zijn dieet en kleding waren de standaard voor de arme mensen die in de wildernis woonden.

Zijn optreden wekte de belangstelling van mensen in Jeruzalem. Heel het land Judea ging uit om Johannes te zien. En iedereen dacht bij zichzelf, stel je eens voor dat dit de Messias was, misschien is dit wel degene op wie wij gewacht hebben. Kortom, Johannes de Doper was een buitengewoon populaire man. De tekst vertelt ons nu over het getuigenis van Johannes in een plaats aan de overkant van de Jordaan, aan de oostelijke kant dus, waar Johannes de Doper de doop van de bekering tot vergeving van zonden toediende. In vers 28 van het eerste hoofdstuk, wordt in de meeste vertalingen die plaats aangeduid als Bethabara. Maar wij kennen die plaats eigenlijk gewoon als Bethanië. Er waren namelijk twee plaatsen met die naam, de ene net ten zuiden van Jeruzalem waar Martha en Maria en Lazarus woonden, en de andere aan de overkant van de Jordaan. Met die laatste hebben wij hier te maken.

Op die plaats hoorden de mensen de verkondiging van Johannes. En de kern van zijn boodschap was, “maak jezelf gereed, de Messias komt eraan.” En de mensen maakten zich gereed, en ze hadden berouw over hun zonden en ze bekeerden zich en wilden werkelijk een geestelijke reiniging in hun leven om klaar te zijn voor de komst van de Messias. En de doop van Johannes was niets anders dan een symbool van die geestelijke reiniging. Dat was het karakter van de doop van Johannes.

Nu moeten we de chronologie van deze gebeurtenissen eens goed bekijken. Johannes de Doper begon in het zuidelijke deel van de Jordaanvlakte en ging beetje bij beetje naar het noorden toe. In dat zuidelijke gedeelte was Jezus al naar Johannes toegegaan en was door hem gedoopt in de Jordaan. Na de doop van Jezus lezen we dat de Geest Hem de woestijn in dreef om daar 40 dagen door de duivel te worden verzocht. Terwijl hij in die zuidelijke woestijn verkeerde, reisde Johannes door de Jordaanvallei stap voor stap naar het noorden. En na de verzoeking in de woestijn gaat Jezus ook naar het noorden en vindt dan Johannes de Doper in Bethanië, aan de oostkant van de rivier. En dat is dan de gebeurtenis waarover wij het bericht lezen in vers 29. Maar terug naar het getuigenis van Johannes.

De eerste dag getuigt hij aan de eerste groep en spreekt de eerste verkondiging uit. We beperken ons hier tot deze eerste dag. Vers 19: “En dit is het getuigenis van Johannes.” Er komen enkele Levieten en priesters uit Jeruzalem naar Johannes toe. (Gewoon “Johannes” heeft nu betrekking op Johannes de Doper, zoals altijd in dit evangelie. De schrijver vermeldt zichzelf niet.) En deze mensen zijn op een missie gestuurd, en moeten hem deze vraag stellen: “wie ben jij?” Ze zijn gestuurd door “de joden”, en dat is geen ander woord voor iedereen die tot Israël behoort, maar een ander woord voor de tegenstanders van Jezus. Zo gebruikt Johannes dat woord, het staat ongeveer voor de Judeërs die Hem verworpen hadden in tegenstelling tot de Galileërs van wie velen in Hem geloofden. En nu komt de oppositie tegenover Johannes aan de orde. Wat is de reden van hun vijandigheid? Waarschijnlijk zitten zij in Jeruzalem en zeggen bij zichzelf, we weten niet wie deze vreemde figuur is die daar in de wildernis zoveel belangstelling naar zich toe trekt, maar we moeten er iets aan doen, want hij bedreigt de religieuze rust in het land. Ze zijn bezig om Israël te beschermen tegen een valse Messias, en ze gaan daarin zover dat ze Israël ook verre houden van de ware Messias. Dus deze mensen komen naar Johannes toe en vragen “wie ben je?” En omdat sommige mensen hadden gedacht dat Johannes de Messias was, betekent hun vraag eigenlijk: “Ben jij de Messias?” En daarachter zit de gedachte: “als jij dan de Messias bent, waarom draag je dan deze belachelijke arme kleding en loop je rond in de woestijn? Waarom kom je dan niet in Jeruzalem om jezelf aan de priesters te vertonen?” Hoe weet ik dat ze dat dachten? Vanwege het antwoord dat Johannes hier geeft. Hij zegt niet dat hij Johannes heet en dat hij doopt enzovoorts of dat hij de zoon van Zacharias is, maar hij zegt meteen – er staat dat hij het belijdt, belijden in de betekenis van ervoor uitkomen wie je bent – dat hij de Messias niet is.

OK, jij bent dan niet de Messias, vragen zij verder, maar ben je dan Elia? Er staat immers geschreven in Maleachi 4:5, “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Here komt, die grote en ontzagwekkende dag.” Ze vragen Johannes of hij de voorloper is van de Messias wanneer die komen zal om te oordelen. Maar Johannes weet dat Christus niet gekomen is om te oordelen en dat hij dus niet de Elia van Maleachi 4 is. We lezen wel in het evangelie naar Lucas over Johannes: “Hij zal voor Hen uitgaan in de geest en de kracht van Elia…” Dus zijn optreden heeft iets gemeenschappelijks met het optreden van Elia, beide profeten vertonen een grote kracht en zijn vol van de Geest. Niet Elia is echter gekomen, maar een laatste profeet die op Elia lijkt in de wijze van zijn bediening.

“Ben je dan de profeet?” We weten niet precies waar dat op slaat. Mozes had aangekondigd dat hij een opvolger zou krijgen in een profeet, en dat is letterlijk vervuld met de komst van Jozua. Een tweede vervulling vinden we in het optreden van Jezus zelf. Hij is de profeet die na Mozes zou komen. Misschien waren er mensen die verschil maakten tussen de profeet die de opvolger van Mozes zou zijn en de Messias. In ieder geval is het antwoord van Johannes opnieuw duidelijk: “nee, ik ben de profeet niet.” “Wie ben je dan wel?” Het antwoord van Johannes is zo prachtig. Hij geeft het in vers 23. “Ik ben niet belangrijk,” zegt hij. “Ik ben maar een stem van iemand die roept in de woestijn. Ik ben alleen een stem die wijst op het Woord van God. Ik ben iemand die oproept om voorbereid te zijn op de komst van dit Woord.” Ligt daar niet precies de grootheid van Johannes de Doper? In zijn nederigheid? Hij wil alleen maar verwijzen naar het vleesgeworden Woord, naar de Messias die komen zou. Maar in het vijfde hoofdstuk van het evangelie, horen we Jezus getuigen over Johannes de Doper. Deze Johannes heeft “van de waarheid getuigd.” (Johannes 5:33) “Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.” (Vers 35.)

Is dit ook niet een prachtige tekst over de kerntaak van een predikant of evangelist? Ik ben niet belangrijk, ik ben maar een stem die spreekt over het vleesgeworden Woord. Hij moet groot worden, en ik moet zo klein mogelijk zijn om de boodschap niet in de weg te zitten met mijn eigen persoonlijkheid. Dit is de kerntaak van een predikant: naar Jezus Christus te verwijzen. Ook het pastoraat is daarvan afgeleid: mensen in hun bijzondere omstandigheden te wijzen op Jezus Christus. Meer niet, minder ook niet. Predikanten zijn geen raadgevers, psychologische raadslieden, emotionele coaches, ziekenbegeleiders etc. Dat zijn allemaal beroepen en roepingen (op zijn best dan) die met het werk van de predikant niets te maken hebben. Konden alle predikanten dat maar zeggen: “ik ben alleen een stem die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heere, want het gaat om Hém!”

Zo heeft Johannes al hun vragen beantwoord. Hij is niet de Messias, en hij is niet Elia en hij is niet de profeet. Dus is de volgende vraag: “waarom doopt u dan?” Maar waarom vragen ze dat? Ze kennen de profetie van Ezechiël. Daar lazen ze in hoofdstuk 36 dat God Zijn grote Naam zou heiligen, maar voor het volk betekende dat de noodzaak van reiniging. Vers 25: “Ik zal rein water op uw sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” En daarna vers 27: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Et cetera.” En dan ook in Zacharia 13:1, daar lezen we een verwijzing naar een reiniging: “Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.” Wanneer de Messias zou komen zou er een reiniging zijn op een of andere manier. Dat wisten zij in Jeruzalem ook wel. Maar als Johannes de Doper niet de Messias was en ook niet Elia, waarom doopt hij dan? Is zijn doop toch een vervulling van de profetie in Ezechiël? Het antwoord van Johannes lijkt de betekenis van deze doop te minimaliseren. Zijn doop is alleen maar een doop met water, zijn doop is alleen maar een doop van voorbereiding. De doop van Johannes was een symbool van de bekering en de reiniging, dat is alles. Maar zijn doop had daarom geen rechtstreeks verband met de doop die Christus zou geven, de doop met de heilige Geest.

En dan komt het getuigenis van Johannes op het hoogtepunt. “Te midden van jullie staat iemand die jullie nog niet kennen. Hij is al aanwezig in deze tijd en in dit volk. En Hij zal jullie dopen met de heilige Geest.” Elke gelovige die Jezus Christus aanneemt, wordt gedoopt met de heilige Geest, eens voor altijd. Het wordt nooit herhaald. Er wordt nooit een prestatie voor vereist. Het is zoals we lezen in 1 Kor. 12:13, “want door één Geest zijn wij allen gedoopt in één lichaam.” Op het moment dat je Christus gaat vertrouwen en je leven aan Hem toevertrouwt, op het moment dat je tot geloof in Christus komt, wordt je gedoopt door de heilige Geest die jou reinigt en aanvaardbaar maakt voor God. Eens en voor altijd. Mensen die spreken over de doop met de heilige Geest en dat in verband brengen met het spreken in tongen hebben het niet begrepen. De doop met de heilige Geest wordt op geen enkele manier in verband gebracht met bijzondere gaven van de Geest. De doop met de heilige Geest vindt plaats op het moment dat wij Christus aannemen in onze harten. Daarnaar verwijst Johannes de Doper. De Messias komt! De Zoon van God komt, en zal ons dopen in de heilige Geest om ons te reinigen. De doop van Johannes is dus maar een symbool, maar Christus geeft ons de werkelijkheid.

Dat is dus het getuigenis van Johannes op de eerste dag. De officiële delegatie van de joden uit Jeruzalem is gekomen en heeft gevraagd “wie ben jij?” En Johannes heeft geantwoord dat hij niet is wat zij denken, niet de Christus en niet Elia. Johannes de Doper is alleen maar een stem die spreekt over de Messias die komen zal. En die Messias is al in ons midden, en Hij zal binnenkort zichtbaar worden en Hij brengt de werkelijkheid van het Koninkrijk: de doop met de heilige Geest.

Johannes (4) – De vleeswording van het Woord – met de controverse over Kerst

Waar gaat het Kerstfeest eigenlijk over?

Ik denk dat de meesten van ons het verhaal zullen navertellen van Mattheus en Lucas. Zo vertellen we dat Maria, de moeder van Jezus, zwanger was geworden zonder toedoen van Jozef en dat de engel tot haar gesproken had en gezegd had dat haar zoon Jezus zou moeten heten. En dat de wijzen uit het oosten kwamen om Hem als de pasgeboren Koning van de joden te aanbidden. En dat Jozef en Maria gevlucht waren naar Egypte, en dat Herodes alle kinderen in het gebied rondom Bethlehem onder de twee jaar oud liet doden, en dat de engelen waren verschenen aan de herders in het veld en hadden gezongen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” En wie is dat kind dan? De “Koning der joden.”

Er is genoeg te vinden voor iedereen in deze historische vertelling. Je kunt ontroerd zijn, wie je ook bent, over de jonge Maria die met haar oudere man door de winterkou heen naar Bethlehem reist op een ezeltje. Wat geeft het, dat we niet zeker weten dat Jozef een oudere man was, dat we zeker weten dat het niet de winter was, en dat we zeker weten dat zij niet op een ezeltje reisde. Het romantische beeld zit nu eenmaal in ons hoofd. Je kunt ontroerd zijn van de aanblik van de pasgeboren Jezus die in de kribbe ligt, te midden van het vee en het stro omdat er in de herberg geen plaats was. Je gaat goede gedachten denken over asielzoekers en mensen die het zo moeilijk hebben in de wereld. Msschien geef je zelfs nog wat meer in de collecte dan vorig jaar. Wat geeft het, dat Hij niet te midden van het vee heeft gelegen, omdat de os en de ezel op de binnenplaats hebben gestaan, en dat de voederbak niet met stro gevuld was, omdat Jozef en Maria in het verblijf van de knechten hebben gelegen. Wat geeft het, dat het niet de normale herberg was, maar een pleisterplaats voor veehandelaren. Ook als je geloof op een heel laag pitje zit, en je eigenlijk alleen maar met kerstavond naar de kerk gaat, kun je vol nostalgie raken wanneer je over het lied van de engelen nadenkt. De hemelse boodschappers vertellen immers dat God welbehagen aan je heeft, dat Hij van alle mensen houdt en dat Hij het goede met iedereen voor heeft. Een heerlijke, romantische, nostalgische, geruststellende en inspirerende  – en valse – jaarlijkse boodschap voor iedereen.

En ik geloof er niks van.

Voor mij is dit romantische plaatje vol met prietpraat en sentiment. En eigenlijk kun je dat al zien wanneer je nauwkeurig leest in het evangelie van Mattheus en Lucas. Zijn komst is een buitengewoon Goddelijk ingrijpen in de schepping en de geschiedenis van de mensheid. Maria is zwanger uit de heilige Geest; engelen verschijnen, Gods heerlijkheid wordt op aarde zichtbaar. De Koning van Israël is de Messias voor jood én niet-jood; Hij is de Heer met all gezag in hemel en op aarde; Hij is de wetgever die de mens Zijn wil oplegt en ons allen roept Hem na te volgen en te gehoorzamen in alle dingen; de volmaakte mens bij Lukas is het zondoffer voor de zonden van de gehele wereld etc.  Het gaat om de redding van de mensheid in dit verhaal, niet om morele inspiratie voor goedbedoelende mensen – die wij denken te zijn. Maar dat is iets wat ik nu niet wil uitwerken. Ik wil juist gaan kijken naar een heel ander kerstverhaal. En dat is een verhaal dat door al onze oppervlakkige,  historische en romantische plaatjes héén prikt en ons brengt bij de cruciale vraag: Wie wordt hier geboren? En welke relatie heb ik met Hem?

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt ons verteld wie deze Jezus is. Hij is het eeuwige woord zegt het eerste vers. Hij is de schepper van alle dingen zegt het derde vers. In Hem was de bron van alle geestelijke leven dat als een licht straalt over de mensen, zegt vers 9. En dit waarachtige licht komt in de wereld, zegt Johannes. En Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat heeft Hem niet belemmerd om in deze wereld Zijn licht uit te stralen, want de duisternis heeft dat licht niet gegrepen, zegt het vijfde vers. En dan komt Kerstmis: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, en heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.”

De Jezus die geboren wordt op kerstochtend is het eeuwige Woord, de schepper van hemel en aarde, Hij is het leven en het licht. Maar Hij is ook de verworpene, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben wíj Hem aangenomen? Heeft u Hem aangenomen? Toch hebben sommigen Zijn heerlijkheid gezien, Zijn genade en waarheid. Dat is het getuigenis van de apostelen dat ook nu nog naar ons toekomt. Beseft iedereen dat, die het kerstfeest viert? Dat de genade van God is verschenen in Christus Jezus? Dat is de genade die wij nodig hebben omdat wij ver van God zijn afgedwaald, vijandig staan tegenover God en Zijn geboden, en omdat wij verzoening nodig hebben met deze God om behouden te zijn. Beseft iedereen die kerst viert dat? Dat deze Jezus de waarheid over God aan ons heeft gedemonstreerd en verteld? Niemand is in staat om God te zien en te begrijpen. De Zoon van God, die in de kerstnacht geboren is, die heeft Hem ons verklaard.

Het kerstfeest is niet het feest van goede bedoelingen, ook niet van de goede bedoelingen van onze God. Het is het moment dat God Zijn Zoon inbrengt in de wereld om het Lam van God te zijn, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Om het schuldoffer te worden in onze plaats. Om ons de waarheid over God te vertellen opdat wij die zouden gehoorzamen. Dat alles lijkt juist ver weg, als we oppervlakkig de historische omstandigheden nalezen, waarover Mattheus en Lucas bericht hebben. Dan kun je blijven steken aan de buitenkant. Daarom is voor mij het mooiste verhaal van kerst de proloog van het evangelie naar Johannes. Alle ruis en alle mist is weggevallen, en we horen in heldere woorden wat er werkelijk gebeurd is in die kerstnacht. Het Woord is vlees geworden – God heeft zich niet vermomd als een mens, en ook is geen mens goddelijk verklaard, maar God heeft Zelf de gedaante van een mens aangenomen, is aan ons gelijk geworden, heeft ons bestaan gedeeld. De schepper treedt in, in Zijn schepping. En Hij heeft ons leven gedeeld, hij heeft onder ons gewoond – Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden, de enige uitzondering is de zonde. De volmaakte Zoon van God was in ons midden, er was geen bedrog in hem, geen verkeerd woord kwam van zijn lippen, heel Zijn hart was God toegewijd en gevuld met liefde voor de mens. Johannes de evangelist was er bij, en Hij getuigt met dit evangelie. “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Door dit menselijke leven héén en door deze oppervlakkige historische gebeurtenissen héén, hebben de discipelen Gods Heerlijkheid gezien in Hem. Alle voortreffelijk eigenschappen die God heeft, straalden in Jezus Christus naar buiten met een ongekende helderheid. Getemperd alleen, opdat menselijke ogen het konden waarnemen. Liefde, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, geduld, mededogen, begrip, zuiverheid, licht dat ons aan onszelf ontdekt, en leven dat ons doet ontwaken uit de dood. Alle wijsheid van God, elke onbenoembare volmaaktheid in God, straalde in deze Jezus van Nazareth. In dit Kind, in deze kribbe, in deze kerstnacht.

Stel nu eens dat je op een berg had gestaan met een verrekijker in je hand, zodat je alles kon zien wat er in Bethlehem, ja zelfs wat er in het paleis van Herodes die dagen allemaal gebeurd was. Je was dan getuige geweest van de geboorte van Jezus en al het andere dat in die nacht heeft plaatsgevonden. En zou je dan niet gezegd hebben: wat heeft die moeder het moeilijk gehad? Waar komt dat licht vandaan bij die herders in het veld? Wat betekenen die woorden toch die ik hoor: in mensen een welbehagen? Verder was je nooit gekomen, als God het je niet geopenbaard had, zoals Hij het aan de discipelen in hun hart openbaarde. Zonder de theologie van het evangelie naar Johannes, zijn de gebeurtenissen die worden geschetst in het evangelie naar Mattheus en naar Lucas – zelfs als je al hun theologische kanttekeningen meerekent – onbegrijpelijk en onbetekenend.

Johannes zegt ons, dat pas toen Jezus werd geboren, mensen God konden zien. In Jezus zagen ze de volledige volmaakte godheid. Jezus was één met God, hij was één met Hem in genade en waarheid. Alles wat je ooit in je leven van God zou kunnen en moeten weten, weet je in Hem. Weet u, je kunt het kerstverhaal elk jaar horen, zoals het wordt verteld bij Mattheus en Lucas. Je kunt je er elk jaar over verbazen en verwonderen en er zelfs ontroerd van raken. Maar als je niet begrijpt wie Hij is die hier wordt geboren, en als je niet gelooft in Diegene die hier geopenbaard wordt, dan heb je daar helemaal niets aan. Dan ben je, zegt Johannes, helemaal geen kind van God. “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht (eigenlijk: recht, bevoegdheid) gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Hem aannemen is in Zijn Naam geloven. In Zijn Naam geloven betekent, geloven en vertrouwen in alles wat Hij is en gezegd heeft. En de kern van dit “alles wat Hij is” vinden we precies bij Johannes. Dit Kerstkind is het eeuwige Woord, en buiten dat Woord om kun je geen kind van God zijn, kun je geen genade ontvangen en geen waarheid kennen, blijf je dood in je zonden en ontvang je het leven niet, en wandel je in de duisternis omdat je het Licht niet over je laat schijnen.

Elke keer weer, wanneer wij kerst vieren, lezen we of Mattheus of Lucas. Maar eigenlijk zouden wij elk jaar meteen na het lezen van het kerstverhaal, de proloog van het evangelie naar Johannes moeten lezen. Want de inzichten die Johannes hier met ons deelt, die verhinderen dat ons het grootst mogelijke misverstand overkomt: te menen dat het evangelie niets anders is dan een wonderlijk geboorteverhaal over een goed mens die tragisch stierf, in een voor ons onbereikbaar verleden. Neen! Deze Jezus is het eeuwige Woord, de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood, opdat ik zou leven door Hem.

Kent U Hem? Kent U de Zoon van God? Is Hij uw Heer en Heiland?

PERSOONLIJKE VOETNOOT

Henneke las deze tekst, vlak nadat ik die op internet had geplaatst. Haar commentaar was, dat ik (weer) in de aanval was gegaan tegen mensen die deze “prietpraat en valse sentimenten” juist heel prettig vonden. “Je moet ze er zachtjes op wijzen.” In mijn ervaring van de laatste 40 jaar helpt het NOOIT wanneer je mensen ergens “zachtjes” op wijst. Je bent dan alleen wollig, onhelder, mensen vergissen zich over je eigenlijke bedoelingen etc. Je bent dan weliswaar een vriendelijke man in hun ogen, maar ze leggen de boodschap die je brengt net zo makkelijk naast zich neer, als de tekst te lezen is die je geschreven hebt. Ik heb in mijn tekst geen mensen op het oog gehad, het is geen aanval op iemand, maar het is wel gericht tegen een bepaalde manier van gelovig-zijn. Je meent dat je gelovig bent omdat je het kerstverhaal zo mooi vindt? Maar dat is een illusie! Dat is geen geloof in Jezus Christus die door de Vader gezonden is. En alleen “wie Hem aanneemt” in geloof, ontvangt van Hem het leven en het Licht. Vanuit Gods Woord kun je niet anders – meen ik – dan daar duidelijk en helder op wijzen. Dat het “kerstgevoel” van de meeste mensen helemaal niets te maken heeft met de waarheid van de geboorte van Jezus. Dat het verhaal van de ongelukkige joodse martelaar die zo’n bijzondere geboorte had, geen evangelie is. Dat er méér staat in de Bijbel dan in dit oppervlakkige verhaal terug te vinden is.

Je kunt en mag dat van mij niet leuk vinden, en je kunt en mag vinden dat ik dat (te) hard neerzet. Leg het naast je neer, en er is geen schade. Noem mij een vervelende vent, en ik lijd geen schade. Maar als ik niet de (Bijbelse) waarheid spreek, lijdt iedereen schade – ik, omdat ik mijn opdracht verzaak het evangelie te verkondigen en jij, lezer, omdat ik de stroopkwast hanteer en jou niet helder zeg wat ik denk. Daar schiet jij immers ook niets mee op. Dat doet bovendien iedereen al. Maar je kunt en mag er ook iets van leren. Namelijk opnieuw leren dat Kerst over de Heer Jezus Christus gaat die kwam om ons te redden, die het leven met ons deelde etc. etc. Kortom je kunt en mag er ook van leren wat de ware Kerstboodschap is. Daar word je niet minder van, integendeel.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Johannes (1) – Het evangelie der evangelieën

Het komende seizoen zullen wij, zo God het wil, ons bezighouden met het evangelie naar Johannes. Door het hele evangelie heen staan we tegenover Jezus Christus, de Zoon van God. Dat is de wijze waarop dit evangelie ons Hem voorstelt en die boodschap is het doel van het schrijven van Johannes. De evangelist vertelt het ons zelf in hoofdstuk 20: “deze [tekenen RAV] zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.” Het evangelie heeft dus een tweevoudig doel. In de eerste plaats wil het demonstreren dat Jezus waarachtig de Zoon van God is, dat wil zeggen dat Hij aan God gelijk is, God Zelf is. En in de tweede plaats wil het tot geloof wekken, omdat alleen door het geloof in Jezus als de Zoon van God mensen het eeuwige leven kunnen verwerven. Dat is ook het patroon van het evangelie. Steeds weer opnieuw is er een getuigenis voor Jezus als de Zoon van God, en steeds opnieuw is er het ongeloof van de omgeving, maar dan zijn er ook de enkelingen aan wie God het vergund heeft om Jezus in Zijn waarachtige status te erkennen.

Het evangelie naar Johannes is het vierde evangelie in de volgorde van de boeken van de bijbel. Waarom zijn er vier evangeliën? Verschillen zij van elkaar? Spreken ze elkaar tegen? Ik geloof het niet. Het zijn vier verschillende portretten van Jezus Christus. Maar zij vullen elkaar aan. Dat is juist bij het evangelie naar Johannes het duidelijkst te zien. Hij kende immers het evangelie van Mattheus, Markus en Lucas. Op hoge leeftijd schreef de apostel Johannes dit evangelie in Efeze, enige tijd voor zijn verbanning naar het eiland Patmos. Ergens tussen het jaar 80 en 90. Johannes heeft dan vermoedelijk een rijpe leeftijd bereikt, tussen de 70 en 90 jaar oud is hij.

Om te weten waarom het nodig was dat Johannes een evangelie schreef, moeten we een ogenblik kijken naar de gezichtspunten van de andere evangeliën. In het evangelie naar Mattheus bijvoorbeeld, wordt Jezus gepresenteerd als de beloofde Messias van Israël. De korte boodschap van Mattheus is dan ook: zie uw koning. Markus daarentegen presenteert Christus niet als koning, maar als de getrouwe Dienaar en profeet. Precies om die reden kent het evangelie naar Marcus geen geslachtregister omdat die er niet toe doet bij een Knecht van de Heer. De boodschap van Marcus is dus eenvoudig: zie uw Knecht. En tenslotte in het evangelie naar Lucas zie je Jezus als de volmaakte mens en vandaar dan ook de boodschap van dat evangelie: zie de Mens. Lucas wilde de menselijkheid van Jezus Christus aan ons voorstellen.

Dan komen we bij het evangelie naar Johannes. Als we beginnen te lezen zien we de hemelen opengaan en het eerste wat we zien gebeuren is dat de eeuwige Zoon van God neerdaalt naar de wereld. Hij is God en mens tegelijk. Een heerlijke persoon, de eeuwige Zoon van God, Jezus Christus. De boodschap van het evangelie naar Johannes is dus: zie uw God. De waarheid van de godheid van Jezus is het onderwerp van dit evangelie. Hij is niet een beetje God en een beetje mens, maar hij is volmaakt en volledig God en volmaakt en volledig mens. Johannes kent dus wel een geslachtregister, maar daarin komen geen mensen voor. Hij gaat terug naar de tijd voor alle tijd, hij gaat terug naar de eeuwigheid en zegt dat daar alles begonnen is. Jezus Christus is niet in de tijd begonnen, maar hij was er altijd al. En op die wijze presenteert Johannes ons de Zoon van God.

Lang geleden hoorde ik van een broeder in de Vergadering deze uitleg van de noodzaak van de vier evangeliën. Het lijkt op de inrichting van het kamp tijdens de reis van Israël door de woestijn. De tabernakel stond in het midden en alle stammen waren rondom de tabernakel gelegerd. In Mattheus vinden we de presentatie van Gods regering in zijn geheel. Het hele kamp is rondom de koning opgebouwd en God regeert alle stammen vanuit het midden. Na Mattheus, komt Marcus. Dat is de buitenste plaats van de tabernakel, de voorhof en/of de “hof van de heidenen” waar God werd gediend en vereerd en waar de offers werden gebracht. In het evangelie van Marcus is de volmaakte dienaar ook het volmaakte offer. Dan in het evangelie naar Lucas doen we een stap in het heilige, de eerste afgesloten ruimte van de tabernakel waar alleen de priesters mochten komen. Daar staat het toonbrood en de kandelaar. Het evangelie naar Lucas presenteert ons Christus die zijn priesterlijke werk temidden van de mensen verricht, aan mensen getuigenis aflegt en met hen één is.

Wanneer we vervolgens het evangelie van Johannes gaan lezen, komen we in het heilige der heiligen. Daar zien we God Zelf, God in het vlees gekomen. Het evangelie naar Johannes brengt ons in de tegenwoordigheid van God zelf. Daarom is het evangelie naar Johannes het evangelie van alle evangeliën. Het is het heilige der heiligen van het Nieuwe Testament. Nu moeten we onze schoenen uit doen want we staan op heilige grond als we dit evangelie bestuderen. Dit evangelie spreekt over de menselijkheid van Jezus, het spreekt over de dienaar, het spreekt over Zijn koningschap, maar in de allereerste plaats laat het ons Zijn godheid zien.

Het lezen van het evangelie naar Johannes is een bijzondere ervaring. Tijdens mijn vakantie in Tsjechië hebben mijn vrouw en ik samen dat evangelie twee keer in zijn geheel doorgelezen. Het heeft ons hart diep geraakt. Het is een evangelie vol diepe gedachten in eenvoudige taal. Het is een evangelie dat je in de hoogte opheft tot aan de hemelen toe. Het laat ons de vernedering zien van onze Heer Jezus Christus, maar tegelijkertijd toont het ons Zijn heerlijkheid. Het laat het verschrikkelijke drama zien van ongeloof tegenover de Zoon van God. En het wekt de hoop, dat geloof in deze Zoon het eeuwige leven schenkt.

De leer van Jezus en Gods wil – verkondiging over Johannes 7:14-24

Het gaat hier om de leer van Jezus. Zijn verkondiging is “expositie”, Bijbeluitleg, die de woorden van God wil verhelderen. Jezus brengt leer – anders dan de Rabbijnen spreekt Hij met direct gezag, want wat Hij zegt “heeft Hij van de Vader gehoord.” Geen traditieketen, geen spreken “in de naam van de leraar”: Jezus voegt zich niet in de tradities van de rabbijnen.
Men is onder de indruk van Zijn kennis, maar toch is er geen echt begrip en zeker geen aanvaarding van Zijn leer. Waarom niet? Want: “als iemand de wil van God wil doen, zal hij erkennen dat Mijn leer niet van Mij is, maar van Degene die Mij gezonden heeft.”
Ze hadden het kunnen weten. Want deze Leraar spreekt niet alleen met gezag, maar Hij liet die leer ook zien in kracht, door de genezing, 6 maanden daarvoor, van de verlamde in Bethesda. Maar toen was de reactie net zoals nu: “Hij breekt de Sabbat!” Gods openbaring is hier rechtstreeks in conflict met de gewoonten en tradities van mensen.
En bij ons? Het Woord van Jezus stuit op onze (denk-)gewoonten en tradities. We zijn onder de indruk van Jezus. Maar begrijpen we en accepteren we Zijn leer werkelijk? Wie Jezus benadert met het vaste voornemen om naar Gods wil te zoeken en alleen naar Gods stem te luisteren, zal erkennen dat Zijn leer uit God Zelf voortkomt.

De tekst van de voorbereiding vind je hieronder:

Loader Loading...
EAD Logo Taking too long?

Reload Reload document
| Open Open in new tab

Download