Wie Gods wil doen wil, kan het begrijpen – voorbereiding van de verkondiging op 14 mei 2017

Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat is er nodig om het evangelie te begrijpen? Het lijkt vaak een heel eenvoudige boodschap. Maar ik heb in mijn leven veel te maken gehad met mensen die het evangelie maar al te simpel vonden. Voor hun was de grote hindernis om Jezus Christus als hun Verlosser aan te nemen juist hun verstand.

Kennis is niet genoeg
Wat is er nodig om het evangelie te begrijpen? Om het op jezelf toe te passen, om het aan te nemen? Natuurlijk moet je daar iets van weten. Je moet het gehoord hebben in de kerk, geleerd hebben in de catechisatie, gelezen hebben in de bijbel. Je moet er kennis van genomen hebben. Maar kennis alleen is niet genoeg. Er was meer dan genoeg kennis van de bijbel bij de mensen in de tempel op het Loofhuttenfeest. Jezus gaat in de voorhof staan en begint te spreken. Al gauw zal er een grote groep mensen om hem heen zijn gaan staan. Zo deden de rabbijnen dat. Elke dag gingen ze daar staan om onderwijs te geven, de bijbel voor te lezen en uit te leggen. Zowel aan joden als aan heidenen. Jezus gaat ook op die plaats staan. En Hij heeft ongetwijfeld de groep mensen om zich heen gehad die de Heilige Schrift al behoorlijk gekend hebben. Ze zullen ook wel goed doorkneed zijn geweest in de rabbijnse leer. Is het voor hun dan makkelijk om Jezus te begrijpen?
Wat zou het mooi zijn als we daarbij hadden kunnen staan. Natuurlijk weten we veel over het onderwijs van Jezus door de evangeliën te lezen. Maar het is net alsof je dan de samenvatting leest. Zelfs in het evangelie van Johannes met zijn lange redevoeringen, krijgen we echt niet alles te horen wat Jezus gezegd heeft. Of wanneer we de tekst hadden van de preek die Jezus heeft gehouden in de synagoge van Kapernaüm, over die prachtige tekst uit Jesaja met de grote bevrijding voor armen, blinden, doven enzovoorts. Maar op die manier zijn de woorden van Jezus niet bewaard gebleven.

Jezus is geheel anders
Het valt de mensen op dat Zijn manier van lesgeven heel anders is dan die van hun leermeesters, de rabbijnen. Het gezag van de rabbijnen berustte niet alleen op hun kennis van de bijbel, maar ook op de kennis van de traditie. Rabbijnen spraken niet in eigen naam. Ze zeiden niet: “dit is wat ik hier lees.” Ze noemden altijd de naam van hun leraar erbij, bijvoorbeeld: rabbi Jozef zei in de naam van rabbi Gamaliël… Etcetera. Jezus moet anders gesproken hebben. Waarschijnlijk zoiets als: eerst een citaat van de Schrift, en dan woorden zoals: “dit Schriftwoord is in vervulling gegaan”, of misschien wel: “tot de voorvaderen is gezegd, maar Ik zeg u…” Of met die plechtige formule: voorwaar, voorwaar Ik zeg u. Het spreken van Jezus leek meer op dat van een profeet dan dat van een leraar. Maar Hij heeft ook nooit gezegd: “zo spreekt de Here”, dus ook daar konden zij Hem niet mee vergelijken. Jezus was ook niet zomaar een profeet. Het leek alsof Jezus op eigen gezag sprak, alsof God Zelf rechtstreeks tot hen sprak. En dat was verbazingwekkend. Hij was niet gekleed zoals de farizeeën en schriftgeleerden, en Hij sprak waarschijnlijk met een lichte Galilese tongval. Hij was anders. Rabbijnen kwamen uit Judea, en ze droegen geen ruwe witte wol, maar fijn geweven zwarte kleding. En hun gezag was gebaseerd op dat van de traditie, op de grootste leermeesters voor hen. In Jezus echter was God zelf als leraar in hun midden. Meer dan Mozes, en meer dan Elia was Hij.

Vanwaar de kennis van Jezus?
Maar de mensen in de tempel hebben daar geen idee van. Ze zien hun Galilea op een wonderlijke wijze spreken en een enorme kennis van de schrift tentoonspreiden. Hoe is het mogelijk dat Hij, Jezus, de Schriften zo goed kent? De vertaling van het NBG zegt: “Hoe is deze zo geleerd”, maar een betere vertaling is:” Hoe weet Deze de Schriften” – zoals de Statenvertaling het zegt. Jezus heeft overduidelijk geen onderricht van de rabbijnen ontvangen. Hij spreekt niet zoals zij. Toch kende Hij ongetwijfeld alle boeken van het Oude Testament uit Zijn hoofd en was Hij in staat om die perfect duidelijk te maken. En Hij wist feilloos die woorden toe te passen op het persoonlijke leven. En Hij sprak met grote zekerheid over zaken van vergeving en gerechtigheid en vrede en over de toekomst van Israël en de wereld. Dat alles paste in het geheel niet in de geleerdheid van de joodse leiders van dat moment.
Jezus breekt ook met gangbare opvattingen. Hij negeert de gewoonten en de bijbeluitleg van de rabbijnen. In vers 21 en 23 wordt dat duidelijk. Zes maanden daarvoor was Hij ook in Jeruzalem. Toen genas hij een mens die 38 jaar lang verlamd geweest was. En in plaats van Hem te prijzen omdat Hij deze goddelijke gave van genezing gebruikte, waren ze boos op Hem omdat Hij het deed op de sabbat. En omdat Hij toeliet dat de man die genezen werd zijn ligbed opnam en rond liep, ook op de sabbat. Joodse gewoonten, vaststaande rituelen, overtuigingen over de sabbat – Jezus’ onderricht bouwt daar niet op voort maar breekt er mee.

Tegen de gewoonte in
Hoe zou iemand dan, die in die tijd is opgegroeid, de leer van Jezus kunnen begrijpen? Als je hele leven bepaald wordt door het onderwijs van vroeger en de gewoonten van vandaag, dan is er geen ruimte voor iets nieuws. Dan denk je niet eens na over wat er gezegd wordt. Je hebt je oordeel al kant-en-klaar. Zo doen wij het nu eenmaal! Zo denken wij nu eenmaal! Zo hebben we het altijd al gehoord! Zo hebben de andere rabbijnen het ons gezegd! Het zijn allemaal obstakels voor de joodse menigte en voor de leiders om het evangelie dat Jezus komt brengen te verstaan en te begrijpen.

De voorwaarde van ons begrip
Maar dan spreekt Jezus over de enige voorwaarde die vervuld moet worden om Zijn leer te kunnen begrijpen. Hij zegt ook nog wel andere dingen, bijvoorbeeld dat Hij niet uit Zichzelf spreekt, maar een openbaring van God de Vader doorgeeft. “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft.” Maar dat op zich is nog niet overtuigend. Dat is eerder aanstootgevend. Want dat betekent dat Hij geen onderwijs geeft in naam van Zijn menselijke leermeesters. En dat zijn zij allemaal nou juist gewend. Zo werkt de traditie. De joden in de dagen van Jezus hadden zelfs de overtuiging, dat God niet een enkele thora, maar twee thora’s gegeven had. De ene was schriftelijk vastgelegd door Mozes, en de andere was een grote verzameling van de rabbijnse uitspraken die samen ook thora, dat wil zeggen goddelijke onderwijzing waren.
Maar dan komt de voorwaarde aan bod, dan komt dit belangrijke zinnetje van Jezus in vers 17: “Indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit mijzelf spreek.” De Bijbel in gewone taal heeft hier: luister naar God en doe wat hij wil! Dan zul je ontdekken dat ik zijn boodschap vertel, en dat ik niet namens mijzelf spreek.” Ik weet niet of het duidelijk genoeg wordt in die vertaling dat het om een voorwaarde gaat! Je moet eerst iets willen, en dan zul je iets begrijpen. De beste vertaling is toch: “als iemand zijn wil doen wil, zal hij van deze leer erkennen of zij uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.”

#1 Gods wil doen
Drie dingen vinden we hier dus. In de eerste plaats de voorwaarde. Als je het evangelie van Jezus gehoord hebt en wilt begrijpen, dan moet het uitgangspunt zijn dat je de wil van God wil doen. Het is het zoeken naar Gods wil en naar Gods stem waardoor je oren geopend zijn, en je hart bereidwillig is om te ontvangen wat wordt gezegd. Als je de bijbel leest met het vaste voornemen dat je niets nieuws wilt leren, dat je niet gehoorzaam wilt zijn aan wat je leest, of dat het niet de stem van God zelf is die je daarin hoort, zal geen woord uit de bijbel tot je kunnen doordringen. Maar als je op zoek bent naar Gods wil met de intentie om daaraan ook gehoorzaam te zijn, dan gaat het Woord ook werkelijk tot je spreken. Dan zul je erkennen dat dat Christus zegt in Zijn Woord, waarachtig uit God is en tot jou gericht is.

#2 Gods waarheid erkennen
Het tweede punt is: dan zul je deze leer erkennen. Het is niet toevallig dat het woord “leer” gebruikt wordt. De woorden van de schrift zijn wel gericht aan het hart, maar het is de bedoeling dat we God ook dienen met ons verstand. En het is Gods woord dat ons verstand moet vormen en vervullen. Waarachtige wijsheid berust niet op menselijke inzicht, maar op het vermogen om het woord van God in te drinken, te verstaan, te begrijpen en dan ook toe te passen. Het Woord van God heeft dus ook wat we noemen een leerstellige inhoud, het wil ook onderwijzen. Het Bijbelse onderwijs is dan weliswaar geen theoretische kennis, maar praktische wijsheid – maar dat betekent niet dat het ons niets zegt over de wereld, over onszelf, over de gemeente en Christus, wat we met het verstand moeten proberen te begrijpen.

#3 Jezus’ woorden zijn Gods woorden
En dan het derde punt. Wat zullen we dan erkennen als we met deze houding het woord van Jezus benaderen? Zullen erkennen dat de leer van Jezus uit God is. Bij God vandaan komt. Gods eigen stem en Woord is. De joden van Zijn tijd wisten dat de rabbijnen onderling over allerlei zaken van mening verschilden. Binnen de ruime grenzen van het jodendom waren er verschillende benaderingen mogelijk. Er waren niet alleen farizeeën die zo aandrongen op de letterlijke en gedetailleerde toepassing van de wet op het dagelijks leven. Er waren ook sadduceeën die vooral bezig waren met de politieke situatie van Israël, zowel de binnenlandse veiligheid als de relatie met de Romeinen waren hun belangrijke zorg. Er waren priesters die alleen maar bezig waren met de nauwkeurige regels rondom de offers in de tempel. En over al deze zaken verschilden de rabbijnen van mening. En dan staat hier Jezus in hun midden en Hij zegt niet, als een ruimhartige gelovige van onze tijd, dat iedereen maar zijn eigen leer moet volgen, zijn eigen interpretatie mag geven, zolang het maar binnen de ruime grenzen van het jodendom – of bij ons het Christendom –  blijft. Hier komt Jezus een leer brengen waarvan Hij claimt dat deze uit God is – wat betekent dat al het andere dat in die dagen werd onderwezen en alles wat heden ten dage wordt onderwezen dat niet in overeenstemming met Zijn leer is, ook niet uit God is.

Valse leraren zoeken eigen roem
Je kunt het zien, zegt Jezus. Als iemand een leer brengt die tot doel heeft om zijn eigen roem en status te verhogen. Als hij wil laten zien dat hij de grootste wijsheid heeft; als hij wil laten zien dat hij slimmer is dan de andere rabbijnen. Als hij wil laten zien dat hij de woorden van de schrift zo kan bijbuigen, zulke slimme interpretaties kan uitvoeren, dat de bijbel precies gaat zeggen wat hij zelf denkt. Dat is mooi! De bijbel zo uitleggen dat God jou gelijk geeft. Kijk maar! Dit is wat ik denk, en God zelf geeft mij gelijk! Zo iemand is toch niet echt bezig met het zoeken naar Gods wil? Zo iemand verheerlijkt toch niet God met deze leer? Dat is het verschil tussen Jezus en de rabbijnen. Hij is er niet op uit om zijn eigen roem en status te bevorderen. Het gaat Hem om de grootsheid en de waarheid van God.
Daarom heeft Jezus de man in Bethesda genezen. De genezing van deze man was de wil van God. En daarom deed Hij het gewoon op de sabbat, omdat deze dag bestemd was voor de heerlijkheid van God en voor de rust van de mens. Wie een mens geneest verheerlijkt God; wie God wil verheerlijken moet het welzijn van zijn naaste zoeken. Dat was de leer van Christus. Maar zij hebben het niet begrepen, omdat ze verstrikt waren in menselijke opvattingen en gewoonten en er in hun hart geen plaats meer was voor de bereidheid om alleen God te erkennen; alleen Gods waarheid, alleen de waarheid van de schrift en niet de leringen van mensen.
De belangrijkste van deze drie voor dit moment, als het gaat om de toepassing, is natuurlijk het eerste punt. Het is de voorwaarde van onze ontmoeting met Jezus en het leren kennen van Zijn Woord. Als je bereid bent om de wil te doen van God de Vader, dan zul je de woorden van Jezus als het laatste en eerste woord  erkennen Wat Jezus zegt, zegt Hij vanuit God zelf. In Jezus spreekt God tot ons; de woorden van Jezus zijn Gods openbaring voor ons.

Jezus’ woorden in jezelf toelaten
Het is belangrijk dat wij nooit zullen toelaten, dat tussen ons en de woorden van Jezus onze eigen gewoonten en menselijke redeneringen een muur oprichten. Dat we Gods woord vervalsen en verzwakken met onze eigen redenaties. Ons hart is listig. Zegt Jezus dat we onze naasten moeten liefhebben? Dan zeggen wij over iemand dat hij onze naaste niet echt is. Zeggen de apostelen in de naam van Jezus dat hij de broeders en zusters in de gemeente moet liefhebben? Dan zeggen wij dat dat niet altijd kan, omdat sommigen nu eenmaal meer broeder en zuster zijn dan anderen. Zo proberen wij steeds onder het woord van God uit te komen. Net als de joden die in de tempel de woorden van Jezus hebben gehoord. Ze komen wel onder de indruk van  Zijn kennis, maar ze zijn niet bereid om het als Gods woord aan te nemen. Maar dan is het nodig dat we ons bezinnen op onszelf: willen wij werkelijk Gods wil en Gods wil alleen doen? Want dan zullen wij weten en erkennen en begrijpen dat het woord van Jezus het woord van God zelf is.

En dat woord hebben wij zo bitter nodig:

Lied 314

Ons gevoel en ons verstand
zijn, o Heer, zo zonder klaarheid,
als uw Geest de nacht niet bant,
ons niet stelt in het licht der waarheid.
Het Goede denken, doen en dichten
moet Gij zelf in ons verrichten.

AMEN

De valse kroning van de ware koning – Palmpasen 2017

We vieren vaak Palmpasen zonder te beseffen dat de intocht in Jeruzalem een onderdeel is van de lijdensweek. Als Jezus echter aan de discipelen vertelt wat Hem te wachten staat, dan spreekt hij niet over Zijn kroning maar over Zijn verwerping en naderende dood. Kijk maar in Markus 10:32-34. Een verwarrende en angstige menigte citeert bij de intocht verzen uit Psalm 118 zonder echt te beseffen wat dat allemaal betekent. Juist die Psalm spreekt ook over de steen die verworpen wordt door de bouwers, en over het feestoffer dat wordt vastgebonden aan het altaar.

Zeker, dat Jezus rijdt op een ezelsveulen is een vervulling van de profetie van Zacharia 9. “Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin” (9:9). Maar deze Koning trekt niet Jeruzalem binnen om Zijn aanspraak op de troon te bevestigen, maar Hij gaat als een Hogepriester de Tempel binnen, om de toestand van Zijn volk in ogenschouw te nemen, om het strijdtoneel te verkennen van deze laatste week. Jezus rijdt op maandag Jeruzalem binnen, keert op dinsdag terug om de Tempel te reinigen en zal op woensdag spreken met de Joodse leiders in de Tempel. Waarom op maandag? Omdat dit de dag was dat het Paaslam werd uitgekozen voor het offer in de Tempel, en de gelovigen in Jeruzalem het Paaslam kochten voor de maaltijd op donderdag. (De oude Kerk is het gaan vieren op zondag.)

De intocht in Jeruzalem is bedoeld als een provocatie tegenover de Farizeeën en de Schriftgeleerden. Zij waren van plan Jezus te vermoorden, maar wilden dat uitstellen tot na het Paasfeest. Met deze actie, vanwege de uitroepen van een verwarrende en angstige menigte, provoceerde Jezus een ingrijpen van de Joodse leiders. Het zette Judas ertoe aan om Jezus te verlaten en te verraden – op woensdag. Het zette de Joodse leiders ertoe aan om Hem al op donderdagavond te arresteren en vanwege de naderende sabbat al vroeg in de morgen aan Pilatus voor te geleiden. Zo gebeurde het, dat Jezus precies op het door God beschikte tijdstip zou worden gekruisigd als het ware Paaslam, dat de zonden van de wereld wegneemt. Terwijl het Paasoffer werd geslacht in de Tempel, gaf Jezus Zijn leven aan het kruis van Golgotha.

Als we Palmpasen bekijken in het licht van de gebeurtenissen van de hele week, wordt duidelijk dat het geen Kroning was. Nu ja, hooguit een valse Kroning van de ware Koning. Aan het begin van de Lijdensweek wordt duidelijk dat de Heere God alle gebeurtenissen in de hand heeft en dat Hij ervoor zorgt dat alles op Zijn tijd gebeuren zal. Dat is de echte reden dat wij Palmpasen vieren. Het is onjuist om ons te willen aansluiten bij de jubelende stemmen van deze angstige en verwarde menigte die niet weet wat ze zegt. Het kan voor ons geen Kroningsfeest zijn.

Tweeluik over Jesaja 53 – de verkondiging van 12 maart 2017 in IJmuiden

Jesaja 53 in de Lijdenstijd.

Een prachtig en diep hoofdstuk dat ons het Lijden en sterven van de Heer Jezus Christus voorstelt, 800 jaar voordat Jezus geboren zou worden!
We vinden eerst de verworpen Christus (vs. 1-3), dan het plaatsvervangend lijden en sterven (4-6), dan de vrijwillige onderwerping aan het lijden en het zwijgen (7-9) en tenslotte de uitkomst van het lijden en de toekomst (10-12).

OCHTENDDIENST

AVONDDIENST

Het evangelie naar Marcus – les 1

Het evangelie is een verhaal dat verteld wordt door ooggetuigen. Ooggetuige waarvan? In de eerste plaats van alles wat ene Jezus uit Nazareth heeft gedaan vanaf zijn doop door Johannes tot de dag van Zijn Hemelvaart. Die korte periode van nauwelijks drie jaar wordt in de evangeliën gepresenteerd als het centrum van de wereldgeschiedenis. Geen geschiedenis kan belangrijker zijn dan deze. Alles wat noodzakelijk is voor de verlossing van een mensheid die gebukt gaat onder de macht van de zonde en de dood, is in deze geschiedenis van drie jaar aanwezig.

Het zou niet voldoende zijn geweest om alleen maar te verkondigen dat mensen zich moeten bekeren tot de levende God. Een theorie van verzoening en verlossing zou het hart niet geraakt hebben, omdat het alleen een beroep doet op de goede wil. De onvolkomenheid van de mens blijkt echter juist daaruit dat mensen niet doen wat ze willen en meestal zelfs het goede niet willen. Een arts die niet behandelt, maar alleen een diagnose stelt, is geen genezer. Wie genezing zoekt, moet contact krijgen met de genezer. Maar hoe krijgen mensen die Jezus niet gezien hebben, een relatie met Hem? Voor de generaties die Jezus niet met eigen ogen hadden gezien en niet met hun eigen handen hadden getast, was het noodzakelijk dat Hij aan hen voor ogen gesteld werd. Het evangelie wil Degene die de weg, de waarheid en het leven is, presenteren. Het wil een triomfantelijke declaratie zijn van Jezus als de Christus. Wanneer Jezus in het evangelie op die manier getoond is, kan de Heilige Geest het hart van mensen bewegen om naar Hem op te kijken en zo verlossing te ontvangen.

Toch is er geen uitgebreide biografie nodig om Jezus in Zijn wezenlijke kenmerken te schetsen. Voor Paulus was het zelfs voldoende om de meest elementaire feiten van het leven van Jezus te schetsen: Christus stierf voor onze zonden, was begra-ven en weer opgestaan, en gezien door getuigen, zoals hij schrijft in 1 Kor. 15. Bovendien leeft de Geest van Christus nu in de gemeente. Het is deze Geest die de volheid van de leer van Christus aan de apostelen doorgeeft, waaraan wij het Nieuwe Testament te danken hebben; en een ander begrip van het Oude Testament. Daarom kunnen de evangelisten tevreden zijn met een buitengewoon beknopte weergave van deze drie jaren. Maar hun selectie van de feiten vertoont een scherp gevoel voor de intensiteit en de kracht van wat ze daarmee over Christus openbaren.

 

De cursus over Marcus

In deze les willen we volstaan met een paar inleidende opmerkingen over het karakter van dit evangelie, de schrijver en het onderwerp. In de volgende lessen zullen we elke perikoop – dat is de kleinste literaire eenheid in het evangelie – nauwkeurige aandacht geven. In de videolessen bespreken we de tekst in vogelvlucht. In de geschreven lessen gaan we dieper in op de inhoud van de tekst. Sommige details van de tekst of problemen in die interpretatie behandelen we in de bijbehorende audio lessen. Tekst, video en audio vormen samen een enkel college; de colleges samen zijn dan de basis voor het onmisbare vervolg, namelijk de diepgaande persoonlijke studie van deze tekst. Een enkele keer voegen we aan de les ook een voorbeeld toe van een preek. Dat is alleen maar bedoeld om te laten zien hoe de gedachtegang van het evangelie zou kunnen worden vertaald in de verkondiging aan de gemeente.

 

Het evangelie en Petrus

Het evangelie naar Marcus is het kortste van de vier evangeliën in het Nieuwe Testament. Voor velen is dit evangelie de eerste kennismaking met het leven van Je-zus Christus. Dat komt ongetwijfeld door de helderheid waarmee Marcus weet te vertellen, en door de kracht van het ooggetuigenverslag. Veel details bij Marcus zijn alleen maar te begrijpen als een weerspiegeling van een levende herinnering. Zo bijvoorbeeld de uitdrukking in het zesde hoofdstuk “tuinbedsgewijs”, die aanduidt hoe mensen in rijen en blokken zijn gaan zitten als een reeks bedden in een groentetuin. Je kunt je goed voorstellen dat dat voor een discipel er zo uitgezien moet hebben.

Er is een bijzondere relatie tussen het evangelie naar Marcus en de apostel Petrus. Bij de vroege kerkvaders was Marcus bekend als de “vertaler” van Petrus. Marcus heeft opgeschreven wat hij van Petrus gehoord had. Van Bruggen is van mening dat Petrus in ieder geval de “stem op de achtergrond” is, die kleur en detail heeft verleend aan dit evangelie. Het feit dat uit bescheidenheid de naam van Petrus zo weinig voorkomt, en bijvoorbeeld ook de belijdenis van Petrus niet uitgebreid wordt vermeld, geven gewicht aan de theorie dat Petrus de voornaamste bron van Marcus is geweest. Maar zeker niet de enige. Marcus is ook een onafhankelijk getuige die doorgeeft wat hij van anderen gehoord heeft en misschien zelfs een (oudere vorm van het) evangelie naar Mattheus gekend heeft. Adolf Schlatter meende zelfs dat Marcus de eerste uitlegger en vertolker van het evangelie naar Mattheus geweest is. Het joodse karakter van dat evangelie maakte het wenselijk dat Marcus er een andere versie van maakte, geschikt voor niet-joodse lezers.

Het is duidelijk dat het evangelie vooral bedoeld is geweest voor niet-joodse lezers. Men neemt aan dat Marcus dit evangelie in het Grieks geschreven heeft in Rome, en het daarom nodig vond om veel zaken uit te leggen die voor joden van-zelfsprekend zouden zijn. Zo wordt de Jordaan aangeduid als “de rivier de Jordaan”, alsof iemand kon denken dat het iets anders was dan een rivier. We vinden vaak een vertaling van een Aramese uitdrukking. Marcus geeft uitleg over het vasten, en over de tijd waarop vijgen rijp zijn. Het geslachtregister van Jezus wordt weggelaten, omdat dat voor Romeinse lezers geen betekenis heeft. De tijden van de dag worden uitgedrukt met het Romeinse systeem zoals in 6:48 de uitdrukking “vierde nachtwake.” Ook de reinheidswetten van het Jodendom worden uitgebreid toegelicht voor niet-joodse oren in hoofdstuk 7. Het is waar dat er weinig uitleg wordt gegeven over de sabbat, maar dat zou ook niet nodig zijn omdat Romeinen wel wisten dat hun joodse stadsgenoten op die dag geen handel dreven.

 

Johannes Marcus’ persoonlijke achtergrond

De naam Marcus betekent “de hamer”, en deze naam werd vaak gegeven aan de eerstgeborene in een gezin. Het was een bijnaam die aan de eigenlijke voornaam werd toegevoegd. We weten uit het boek Handelingen dat Marcus voluit Johan-nes Marcus heette. Johannes was zijn joodse naam en Marcus zijn Latijnse naam. Zijn moeder heette Maria, en hoorde tot de eerste discipelen in Jeruzalem. Wanneer Petrus uit de gevangenis wordt bevrijd gaat hij naar het “huis van Maria, de moeder van Johannes, die ook Marcus genoemd werd, waar velen bijeen waren en baden (Hand. 12:2).” Een deel van de gemeente van Jeruzalem kwam blijkbaar samen in het huis van Maria. Dat suggereert dat deze Maria een groot huis en dus waarschijnlijk een behoorlijke rijkdom moet hebben gehad. Misschien is dit wel het huis geweest met de Bovenzaal waar het laatste avondmaal werd gehouden; misschien zelfs het huis waar de discipelen bijeen waren voor de verschijning van de opgestane Jezus.

Na deze korte periode waarin Johannes Marcus contact moet hebben gehad met de apostel Petrus, komt Marcus in het gezelschap van Paulus terecht. In Hand. 13:5 wordt gesproken over “Johannes als dienaar” tijdens de bediening van Paulus en Barnabas op Cyprus. Wanneer het gezelschap aankomt in Pamfylië, de geboortestreek van Paulus, verlaat Johannes Marcus het gezelschap. Misschien was hij nog te jong voor een dergelijke gevaarlijke reis. Het geeft in ieder geval inzicht in het karakter van Marcus, die wel vaker impulsief en uit angst gereageerd heeft.

Op grond van het bovenstaande – de waarschijnlijke rijkdom van de familie van Marcus en zijn impulsieve en angstige karakter – zou een obscure passage uit Marcus 14 verhelderd kunnen worden. Daar lezen we in vers 51: “En een zekere jongeman, die een linnen kleed” – de zogenaamde sindon, die zeker niet door armen zou worden gedragen – “om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem et cetera.” Deze jongeman zou Johannes Marcus kunnen zijn.

Na het vertrek van Johannes Marcus uit het gezelschap van Paulus en Barnabas, komen we hem nog een paar keer tegen. Paulus schrijft over hem in Kol. 4:10, “… En Marcus, de neef van Barnabas, over wie u opdrachten ontvangen hebt – als hij bij u komt, ontvang hem dan…” Uiteindelijk zal Marcus zijn waarde voor de verbreiding van het evangelie bewijzen. Daarom vinden we in 2 Timotheüs 4:11, “Haal Marcus op en breng hem met u mee, want hij is voor mij van veel nut voor de bediening.” Dat betekent waarschijnlijk dat Marcus zijn taken als “dienaar” weer vervulde. (Vergelijk Hand. 12:12)

Uiteindelijk is Marcus bij Petrus geweest ofwel in Rome – wanneer “Babylon” een codewoord is dat op Rome slaat – ofwel in Babylon zelf, waar een grote joodse kolonie geweest moet zijn. Petrus schrijft in zijn eerst brief: “U groet de mede-uitverkorene die in Babylon is, en Marcus, mijn zoon” (1 Pe. 5:13). Omdat Petrus rond het jaar 62-64 in Rome de martelaarsdood stierf, moet Marcus voór die tijd bij hem zijn geweest. Sommigen vermoeden mede daarom dat het evangelie naar Marcus is gepubliceerd niet later dan het jaar 70.

 

Het karakter van het evangelie

Het doel van dit evangelie wordt meteen al aangeduid in het eerste vers: “Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.” Marcus wilde duidelijk maken dat Jezus Christus waarachtig de Zoon van God is. Daarom is het hoogtepunt van het evangelie de belijdenis van Petrus: “Petrus antwoordde en zei tegen Hem: U bent de Christus (8:29).” In de voorafgaande hoofdstukken werkt Marcus naar deze belijdenis toe, en alles wat daarna volgt is op deze belijdenis gebaseerd. Jezus is waarachtig de Christus vanwege zijn gezaghebbende woorden en wonderbare daden. Dat is het thema van de eerste acht hoofdstukken. Dat Jezus waarachtig de Christus is, wordt ook duidelijk aan zijn dood en opstanding. Dat wordt zichtbaar in de laatste acht hoofdstukken. In beide gevallen is de belijdenis van Petrus de sleutel.

Marcus presenteert Jezus als de lijdende Knecht, zoals Hij ook in Jesaja 53 wordt voorgesteld. Marcus 10:45 is een sleuteltekst: “Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven als losprijs voor velen.” De menselijke emoties van Jezus worden daarom evenzeer benadrukt als Zijn Godheid. Jezus is bijvoorbeeld “innerlijk met ontferming bewogen” (1:41), en Hij heeft ook de beperkingen van het menszijn, zodat Hij bijvoorbeeld ook moet slapen: “En Hij lag in het achterschip te slapen op een hoofdkussen” (4:38). Aan de andere kant benadrukt Marcus ook de Godheid van Jezus, doorgaans op grond van een getuigenis van demonen zoals in 9:7, maar vooral het getuigenis van God de Vader: “Dit is Mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!” Jezus heeft ook goddelijke autoriteit over de demonen, over ziekte, over vergeving, over de sabbat en over de krachten van de natuur. Dat laatste bijvoorbeeld in het vierde hoofdstuk: “en Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zei tegen de zee: zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er kwam een grote stilte” (4:38).

Marcus kent geen lange redevoeringen, zeker niet van de lengte die we vinden in het evangelie van Johannes. Ook de geschiedenis rond om de geboorte van Jezus wordt niet verteld. Het evangelie zou wel eens bedoeld kunnen zijn als catechetisch materiaal. Het heeft meer weg van een pamflet waarin wordt opgeroepen tot bekering, dat van een biografie. De kern van de prediking van Marcus is de oproep tot bekering en geloof in Jezus Christus. De opdracht om vormen van hypocriete godsdienst achter je te laten – zoals nadrukkelijk in hoofdstuk 2, 7 en 12 – en Jezus Christus na te volgen met een doorleefde gehoorzaamheid. “Neem het kruis op en volg Mij” is van deze gehoorzaamheid de sleuteltekst (10:21), namelijk in het gesprek met de “rijke jongeling.”