Er zijn theologen die de drie-eenheid proberen te redden door haar te herinterpreteren, en er zijn theologen die haar proberen te bevrijden van de last van eeuwen metafysica. Naast theologen die de triniteit simpelweg willen verwijderen uit het corpus van de Christelijke dogmatiek. Paul Tillich behoort tot de eerste categorie, Paul van Buren tot de tweede. Hun wegen kruisen elkaar in de poging om het christelijk spreken opnieuw verstaanbaar te maken, maar ze lopen uiteen zodra de vraag op tafel komt wat de drie-eenheid eigenlijk doet in de taal van de kerk.

Tillich ziet in de trinitarische structuur een symbolische weergave van het goddelijke leven zelf, een manier om de diepte van het zijn te articuleren. Van Buren ziet in dezelfde structuur een grammatica van christelijke spraak, een liturgische ordening van woorden die alleen betekenis heeft binnen de geschiedenis van Israël en de gemeenschap die zich door Jezus aangesproken weet. Het verschil tussen hen is niet slechts een nuance, maar een fundamentele verschuiving in waar theologie begint en waar zij haar verantwoordelijkheid vindt.
Tillichs denken over de drie-eenheid is geworteld in zijn overtuiging dat God niet een wezen is naast andere wezens, maar de grond van het zijn zelf. Vanuit die diepte van het zijn ontvouwt zich een dynamiek die hij symbolisch uitdrukt in de klassieke trinitarische namen. De Vader staat voor de ondoorgrondelijke diepte van het goddelijke leven, de Zoon voor de zelfopenbaring van dat leven in de wereld, de Geest voor de gemeenschap waarin die openbaring wordt ontvangen en tot leven komt. Tillich behoudt de drie-eenheid dus niet als dogma, maar als symbool: een venster waardoor de mens iets ziet van de structuur van de werkelijkheid. Zijn taal is filosofisch, existentieel, universeel. Zij zoekt naar een horizon waarin alle religieuze symbolen hun plaats vinden en waarin het christendom een bijzondere maar niet exclusieve articulatie is van een dieper, kosmisch ritme.
Van Buren begint op een heel andere plek. Voor hem is de vraag niet wat de drie-eenheid zegt over God, maar wat zij zegt over de manier waarop christenen spreken. Zijn analytische achtergrond maakt hem gevoelig voor de performatieve dimensie van religieuze taal: woorden doen iets voordat ze iets betekenen. De drie-eenheid is daarom geen beschrijving van Gods innerlijk leven, maar een ordening van christelijke spraakhandelingen. Christenen spreken van “Vader” omdat zij zich richten tot de God van Israël; zij spreken van “Zoon” omdat de Jood Jezus voor hen de beslissende gestalte is van gehoorzaamheid en roeping; zij spreken van “Geest” omdat de gemeenschap die uit die roeping ontstaat een eigen, herkenbare vorm van leven heeft. De drie-eenheid is zo geen metafysische waarheid, maar een grammatica: een structuur die de taal van de kerk vormgeeft zonder te pretenderen dat zij toegang heeft tot Gods wezen.
Het is echter pas in zijn Joodse wending dat Van Burens benadering haar volle scherpte krijgt. Na Auschwitz, zegt hij, kan christelijke theologie niet langer spreken alsof zij een eigen, autonome toegang tot God heeft. De God tot wie christenen zich richten is de God van Israël, en elke vorm van christelijke taal die dit niet erkent, raakt verstrikt in de schaduw van supersessionisme. De klassieke drie-eenheid, met haar ontologische claims over drie personen in één wezen, is voor Joden niet alleen onbegrijpelijk maar ook historisch beladen. Zij heeft eeuwenlang gefunctioneerd als grensmarkering, als bewijs dat christenen een diepere, hogere kennis van God bezaten dan Israël. Van Buren weigert daarom elke vorm van trinitarisch spreken die niet eerst rekenschap aflegt aan het Jodendom. De drie-eenheid kan slechts behouden blijven wanneer zij wordt ontdaan van haar metafysische pretenties en wordt teruggebracht tot een liturgische, ethische grammatica die de eenheid van God niet aantast en de Joodse oorsprong van het christelijk spreken respecteert.
Hier wordt het verschil met Tillich onoverbrugbaar. Tillichs symbolische ontologie blijft universeel; zij zoekt naar een taal die boven de geschiedenis uitstijgt. Van Buren daarentegen verankert theologie radicaal in de geschiedenis van Israël. Tillich spreekt over het goddelijke leven, Van Buren over de God die spreekt. Tillich zoekt een structuur van het zijn, Van Buren een antwoord op een roep. Tillichs drie-eenheid is een symbool van de diepte van de werkelijkheid; Van Burens drie-eenheid is een grammatica van gehoorzaamheid. En precies daar, in die verschuiving van metafysica naar verbond, ligt de reden waarom jouw voorkeur uitgaat naar Van Buren. Zijn theologie is niet alleen conceptueel helder, maar ook ethisch verantwoordelijk. Zij maakt ruimte voor een christendom dat niet boven Israël staat, maar na Israël spreekt. Zij opent een weg voor een post-liberaal, messiaans-joods ethisch christendom waarin Jezus niet de tweede persoon van een metafysische drie-eenheid is, maar de Joodse leraar die christenen leert hoe zij moeten spreken, handelen en hopen.
Van Buren biedt een theologie die niet probeert te verklaren wat God is, maar die probeert te verantwoorden hoe christenen spreken voor Gods aangezicht. En dat spreken is altijd secundair, altijd afgeleid, altijd afhankelijk van de stem die hen is voorgegaan. Tillich geeft een indrukwekkend filosofisch panorama; Van Buren geeft een theologie die kan worden uitgesproken in de nabijheid van Joden zonder dat zij haar integriteit verliest. In een tijd waarin christelijke theologie opnieuw moet leren luisteren, is dat geen kleine verdienste.
Vergelijkende tabel Tillich – Van Buren
| Aspect | Paul Tillich | Paul van Buren |
|---|---|---|
| Aard van de Drie-eenheid | Symbolische structuur van het goddelijke leven | Grammatica van christelijke spraak |
| Metafysische status | Hoog: God als “grond van het zijn” | Laag: post-metafysisch, taal vóór ontologie |
| Relatie tot Israël | Impliciet, universeel, niet primair | Expliciet, centraal, theologie na Israël |
| Christologie | Zoon als zelfopenbaring van het zijn | Jezus als Joodse leraar en ethische roep |
| Pneumatologie | Geest als gemeenschap van zijn | Geest als vorm van christelijk leven |
| Doel van trinitarisch spreken | Ontologische diepte symboliseren | Liturgische en ethische ordening van taal |
| Risico | Abstractie, afstand tot Jodendom | Reductie van mysterie, maar ethisch verantwoord |