Wanneer Johannes in zijn proloog schrijft dat het Woord sarx egeneto, “vlees geworden is”, raakt hij een kernpunt van de christelijke belijdenis. Deze korte uitdrukking heeft door de eeuwen heen een enorme theologische lading gekregen. Klassiek werd zij gelezen als een radicale stelling tegen docetische opvattingen, waarin men meende dat Christus slechts schijnbaar mens was. In de moderne theologie wordt zij vaak opnieuw verstaan in termen van “belichaming”, waarbij de nadruk ligt op Gods volledige deelname aan het menselijke bestaan. En vanuit joodse tradities kan de uitdrukking worden gezien als een verrassende verwoording van thema’s die al in de Tenach en de wijsheidstraditie aanwezig zijn.
In de eerste plaats is er de vraag naar docetisme. Hoewel het Johannesevangelie geschreven is aan het einde van de eerste eeuw, dus vóór de expliciete formulering van docetische ketterijen in de tweede eeuw, is het aannemelijk dat de evangelist reageert op stromingen die de lichamelijkheid van Jezus minimaliseerden. Het gebruik van het woord sarx is hier veelzeggend. Johannes had kunnen kiezen voor een neutraler woord als anthrōpos (mens) of sōma (lichaam), maar hij kiest voor sarx, dat in de Griekse en joodse traditie de kwetsbare, sterfelijke kant van het mens-zijn aanduidt. Daarmee onderstreept hij dat de Logos niet slechts een verschijning aannam, maar werkelijk deel kreeg aan de menselijke conditie, inclusief sterfelijkheid en lijden. Het is een belijdenis die later in de kerkgeschiedenis expliciet anti-docetisch werd ingezet: Jezus is niet een hemelse schijnfiguur, maar werkelijk vlees. De vertaling “vlees geworden” bewaart de schok van het Grieks en benadrukt de radicaliteit van de incarnatie.
In de moderne theologie is er echter een verschuiving in de manier waarop deze uitdrukking wordt verstaan. Theologen als Karl Barth, Jürgen Moltmann en vele hedendaagse stemmen in feministische en postkoloniale theologie spreken liever van “belichaming”. Daarmee wordt duidelijk dat het niet alleen gaat om een biologisch lichaam, maar om een volledige menselijke aanwezigheid. Het Woord deelt in menselijke relaties, geschiedenis en cultuur. “Belichaming” vangt de bredere dimensie van incarnatie: God kiest ervoor om zich volledig te verbinden met de menselijke conditie, niet alleen fysiek maar ook existentieel en sociaal. In deze lezing wordt sarx egeneto niet enkel gezien als een polemiek tegen docetisme, maar als een positieve belijdenis van solidariteit. God verschijnt niet in abstractie, maar in een concreet menselijk leven. Het Woord wordt belichaamd in de kwetsbaarheid van een historisch bestaan, en juist daarin openbaart zich genade en waarheid.
Vanuit een joods perspectief krijgt de uitdrukking nog andere interpretaties. In de joodse wijsheidstraditie wordt Gods wijsheid voorgesteld als een bijna zelfstandige werkelijkheid die bij God is en door wie de wereld geschapen wordt, zoals in Spreuken 8 en Sirach 24. Ook de Tora wordt soms beschreven als een pre-existente werkelijkheid die bij God was voor de schepping. Vanuit dit perspectief kan sarx egeneto worden verstaan als een radicale verbeelding: wat in de joodse traditie als hemelse wijsheid of Tora gedacht werd, is nu tastbaar en zichtbaar geworden in een menselijk leven. Het Woord dat schept en onderwijst, wordt belichaamd, zonder identiek te worden.
Daarnaast roept Johannes 1:14 met het werkwoord eskēnōsen (“zijn tent opgeslagen”” , of “getabernakeld”) direct de herinnering op aan de Sjechináh, Gods inwoning bij Israël in de woestijn, Gods presentie als Geest in de wereld. Voor een joods oor betekent dit dat Gods aanwezigheid niet langer beperkt is tot een heilige ruimte, maar belichaamd wordt in een mens, d.w.z. in de Messias die een nieuwe tijd aankondigt. Het is een verschuiving van tempel naar persoon, van een plaats naar een leven. Het Woord woont onder de mensen zoals Gods heerlijkheid in de tabernakel woonde.
Het gebruik van sarx sluit ook aan bij de Hebreeuwse notie van basar, vlees, dat de vergankelijkheid van de mens aanduidt. “Alle vlees is gras,” zegt Jesaja 40:6. Dat Johannes kiest voor dit woord kan vanuit een joods perspectief gelezen worden als een beklemtoning dat Gods Woord werkelijk deelneemt aan de vergankelijkheid van het menselijk bestaan. Het is geen verheven idee, maar een daad van solidariteit met het sterfelijke vlees.
Ten slotte kan sarx egeneto ook worden gelezen in het licht van de messiaanse verwachting. In de joodse hoop werd verwacht dat God zijn koninkrijk zichtbaar zou maken in de geschiedenis. De uitdrukking kan dan worden verstaan als een claim dat Gods Woord niet abstract blijft, maar concreet en historisch verschijnt in een mens die Gods koninkrijk belichaamt. Johannes zou dan hiermee zeggen dat in Jezus dat Messiaanse Rijk feitelijk is begonnen.
Wanneer we deze drie perspectieven samenbrengen, ontstaat een rijk beeld. Sarx egeneto is een belijdenis die in de vroege kerk anti-docetisch werd gelezen, maar die in de moderne theologie wordt verstaan als een affirmatie van belichaming, maar vanuit joodse tradities eerder resoneert met wijsheid, Tora, Sjechináh en messiaanse verwachting. Het Woord wordt vlees: dat betekent dat de Torah zich niet onttrekt aan de menselijke conditie, maar haar volledig deelt. Het Woord wordt belichaamd: dat betekent dat Gods Onderwijs, Zijn Torah, aanwezig is in de volle breedte van menselijke existentie. Het Woord verblijft als tent onder ons: dat betekent dat Gods heerlijkheid niet alleen gebonden is aan een tempel, maar zichtbaar wordt in een menselijk leven. En dat leven, het leven van Jezus Messias, baant voor de mensheid de weg om aan deze heiliging deel te nemen.
Zo is sarx egeneto niet slechts een dogmatische formule, maar een poëtische en theologische samenvatting van een manier om Gods nabijheid in de menselijke geschiedenis te verstaan. Het is een uitdrukking die overeenkomsten en verschillen aan de dag brengt tussen joodse tradities van Gods nabijheid en de christelijke belijdenis van Gods vleeswording. En juist in die spanning tussen vlees-wording en incarnatie, belichaming en Sjechináh ligt de reden van de fascinatie met Johannes’ proloog.