Paulus’ leer van de rechtvaardiging door geloof is in de geschiedenis van de kerk vaak gelezen als een tegenstelling tussen geloof en werken, tussen genade en wet, tussen christendom en jodendom. Maar die lezing is niet wat Paulus zelf bedoelde.
Het is een product van een latere kerk die zijn woorden losmaakte van hun Joodse bedding en ze gebruikte om een nieuwe religie te definiëren tegenover de oude. Als we Paulus lezen zoals een Jood uit de eerste eeuw hem zou hebben gelezen, ontstaat een totaal ander beeld.
Voor Paulus was “rechtvaardiging” geen innerlijke, psychologische ervaring van vergeving, maar een juridische term uit de wereld van het verbond. Het betekende: door God erkend worden als lid van zijn volk. Rechtvaardiging ging niet over de vraag hoe een individu zijn zonden kwijtraakt, maar over de vraag wie bij het verbondsvolk hoort nu de Messias is gekomen. En “geloof” was geen innerlijke overtuiging of persoonlijke toewijding, maar trouw, vertrouwen, loyaliteit aan de God van Israël en aan zijn Messias. In die zin was “rechtvaardiging door geloof” geen afwijzing van de Torah, maar een manier om te zeggen dat heidenen niet langer Joden hoefden te worden om deel te nemen aan het volk van God. Het was een inclusieve uitspraak, geen exclusieve.
In een wereld waarin het christendom binnen het jodendom was gebleven, zou Paulus’ leer precies zo zijn gelezen. Men zou hebben gezien dat Paulus niet de Torah afschafte, maar de toegang tot het verbond verbreedde. Men zou hebben begrepen dat “werken van de wet” niet morele inspanningen waren, maar identiteitsmarkeringen zoals besnijdenis, voedselwetten en sabbat — praktijken die Joden onderscheidden van heidenen. Paulus’ punt was niet dat werken waardeloos zijn, maar dat deze specifieke werken niet langer de grens vormen tussen binnen en buiten. In zo’n lezing blijft de Torah heilig, blijft ethiek centraal staan, blijft gerechtigheid een kwestie van daden. Paulus’ woorden worden dan geen aanval op het jodendom, maar een verdediging van een Joodse Messiasbeweging die ruimte maakt voor de volken.
De tegenstelling tussen Paulus en Jakobus zou in deze wereld nooit zijn ontstaan. Jakobus zou Paulus niet corrigeren, maar aanvullen. Paulus zou zeggen: “Heidenen worden opgenomen in het verbond door geloof in de Messias, niet door besnijdenis.” Jakobus zou zeggen: “En dat geloof moet zichtbaar worden in daden van gerechtigheid.” Beide stemmen zouden samenklinken als twee delen van één melodie. De kerk zou nooit de fout hebben gemaakt om geloof en werken tegenover elkaar te zetten, omdat niemand ooit zou hebben gedacht dat Paulus dat bedoelde. Rechtvaardiging door geloof zou zijn gelezen als een boodschap van inclusie, niet als een afwijzing van de Tora.
In deze alternatieve wereld zou Paulus dus niet de architect zijn van een theologie die het jodendom overbodig maakt, maar de profeet van een Joodse universaliteit. Zijn woorden zouden niet worden gebruikt om Joden te veroordelen, maar om heidenen welkom te heten. Zijn brieven zouden niet de basis vormen voor vervangingstheologie, maar voor een verbondstheologie waarin Israël centraal blijft staan. De kerk zou Paulus hebben gelezen zoals hij zichzelf zag: als een Jood die de Messias van Israël verkondigt aan de volken, niet als de stichter van een nieuwe religie.
En misschien is dat wel de grootste tragiek van de geschiedenis: dat Paulus, de apostel van de eenheid tussen Joden en heidenen, werd omgevormd tot de apostel van de scheiding. Dat zijn woorden, bedoeld om muren af te breken, die werden gebruikt om nieuwe muren te bouwen. Dat zijn visie van een veelkleurig verbondsvolk werd vervangen door een kerk die zichzelf tegenover Israël plaatste. In een alternatieve wereld zonder de grote misverstanden over Paulus – of zelfs zonder Paulus – zou die tragiek nooit hebben plaatsgevonden. Paulus zou zijn gelezen zoals hij schreef: als een Jood onder Joden, die geloofde dat de komst van de Messias de wereld niet verdeelde, maar samenbracht.