Psalm 110 is in de christelijke traditie uitgegroeid tot een van de meest geciteerde teksten in verband met de identiteit van Jezus. De woorden “De HEER zei tot mijn Heer” worden in het Nieuwe Testament gelezen als een gesprek binnen een meervoudige godheid, waarbij de eerste “Heer” God de Vader is en de tweede “Heer” Jezus. Binnen deze christelijke lezing wordt de psalm een bewijsplaats voor een goddelijke Messias en een interne dialoog binnen de godheid.
Maar wie de Hebreeuwse tekst leest, merkt dat deze interpretatie niet wordt ondersteund door de grammatica, de semantiek of de historische context. De psalm is een koningspsalm, geschreven over een menselijke vorst, en de taal maakt een scherp onderscheid tussen de Ene God en de menselijke koning die door Hem wordt aangesteld.
Het tekstuele hart van de kwestie is het woord adoni (אדני). In het Hebreeuws is dit woord een grammaticale vorm die uitsluitend wordt gebruikt voor menselijke meesters, leiders of superieuren. Abraham wordt zo aangesproken, Jozef wordt zo aangesproken, en talloze menselijke autoriteiten in de Tenach dragen deze titel. Wanneer de Hebreeuwse Bijbel God aanduidt, gebruikt zij een andere vorm: Adonai, met een andere vocalisatie en een andere grammaticale functie. Deze twee woorden zijn in het Hebreeuws strikt gescheiden. Adoni is menselijk; Adonai is goddelijk. De psalm opent daarom niet met een gesprek tussen twee goddelijke personen, maar met een uitspraak van de Ene God tot een menselijke koning: “Een uitspraak van JHWH tot mijn heer,” waarbij “mijn heer” de koning is die door de psalmist wordt erkend als zijn politieke meerdere.
De Joodse traditie leest Psalm 110 daarom als een koningspsalm, geschreven over David of over een Davidische koning. Radak en Ibn Ezra benadrukken dat de psalmist spreekt over zijn menselijke vorst, niet over een goddelijke figuur. De psalm beschrijft hoe God de koning ondersteunt, hem overwinning schenkt en hem een priesterlijke waardigheid verleent in de traditie van Melchizedek. De taal is verheven, maar niet metafysisch. De koning is een mens, geen god. De psalm is een lofzang op de relatie tussen God en de Davidische monarchie, niet een beschrijving van een interne dialoog binnen de godheid.
De christelijke traditie baseert haar alternatieve lezing vaak op de Griekse vertaling van de psalm, waarin beide woorden worden weergegeven met kyrios, een term die zowel menselijke als goddelijke autoriteit kan aanduiden. Deze vertaalkeuze vervaagt het onderscheid dat in het Hebreeuws scherp is. De rabbijnse traditie ziet hierin geen bewijs van een meervoudige godheid, maar een voorbeeld van hoe vertaling altijd interpretatie is. De Hebreeuwse taal maakt een principieel onderscheid tussen de Ene God en menselijke autoriteit, en dat onderscheid wordt in de vertaling minder zichtbaar. De rabbijnen benadrukken daarom het belang van de Hebreeuwse tekst. De psalm is geschreven in een taal die de theologische grenzen bewaakt, en die grenzen vervagen wanneer de tekst wordt gelezen in een taal die die nuance niet kent.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de psalmen geen metafysische speculaties zijn, maar liturgische uitingen van vertrouwen, lof en hoop. De psalmist spreekt niet over de innerlijke structuur van de godheid, maar over de relatie tussen God en de menselijke koning. De christelijke lezing van Psalm 110 als bewijs van een meervoudige godheid wordt in deze optiek een verschuiving van de psalm van liturgie naar dogma, een verschuiving die de aard van de psalmen verandert. Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van koningschap in de Tenach. Voor hem is de koning een mens die geroepen is tot rechtvaardigheid, niet een goddelijke figuur. De psalm beschrijft de roeping van de koning, niet zijn goddelijkheid.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om een mens te verheffen tot goddelijke status een vorm van afgoderij. De Hebreeuwse taal zelf, met haar onderscheid tussen adoni en Adonai, bewaakt deze grens. De psalm opent met een uitspraak van God tot een mens, niet met een gesprek binnen de godheid. De gedachte dat een mens goddelijk zou zijn, wordt in deze optiek een miskenning van de radicale transcendentie van de Ene. De psalm is een lofzang op Gods steun aan de koning, niet een aanwijzing van een meervoudige godheid.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de Joodse lezing van Psalm 110 verankerd is in de theologische structuur van de Tenach. De psalm is geen voorafbeelding van een goddelijke Messias, maar een koningspsalm over een menselijke vorst. De tekst is geen bewijs van een meervoudige godheid, maar een bevestiging van de unieke transcendentie van de Ene. De Joodse kritiek op de christelijke lezing van Psalm 110 is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: God is één, en de mens is mens. De taal bewaakt deze grens, en de psalm bevestigt haar.