De christelijke traditie heeft Jesaja 7:14 altijd gelezen als een sleuteltekst voor de geboorte van Jezus. De woorden “Zie, de maagd zal zwanger worden” zijn in het evangelie van Matteüs het fundament geworden van de leer van de maagdelijke geboorte. Binnen deze christelijke lezing wordt het Hebreeuwse woord ‘almah’ opgevat als “maagd”, en de profetie wordt losgemaakt van haar historische context om te verwijzen naar een gebeurtenis zeven eeuwen later.
Maar wie de Hebreeuwse tekst leest binnen het geheel van Jesaja 7, merkt dat deze christelijke interpretatie niet wordt ondersteund door de grammatica, de semantiek of de historische context. De profetie is geen vooruitwijzing naar een toekomstige Messias, maar een onmiddellijk teken voor koning Achaz in een moment van politieke crisis.
Het tekstuele probleem draait om het woord ‘almah’. In het Hebreeuws betekent dit woord “jonge vrouw”, een vrouw van huwbare leeftijd, zonder implicatie over haar seksuele ervaring. Het woord voor “maagd” is betulah, en wanneer de Hebreeuwse Bijbel ondubbelzinnig maagdelijkheid wil aanduiden, gebruikt zij dat woord. De keuze voor ‘almah’ in Jesaja 7:14 is daarom betekenisvol. De profeet spreekt niet over een wonderbaarlijke conceptie, maar over een jonge vrouw die reeds zwanger is of op het punt staat zwanger te worden. De profetie is geen aankondiging van een bovennatuurlijke geboorte, maar een teken dat binnen korte tijd zichtbaar zal worden.
De context van Jesaja 7 maakt dit nog duidelijker. Koning Achaz staat onder druk van een coalitie van Aram en Israël, die Jeruzalem willen belegeren. De profeet komt naar hem toe om hem gerust te stellen dat deze aanval zal mislukken. Het teken dat Jesaja geeft, is geen wonder dat eeuwen later zal plaatsvinden, maar een onmiddellijk herkenbaar teken: voordat het kind dat nu in de schoot van een jonge vrouw groeit oud genoeg is om goed van kwaad te onderscheiden, zullen de twee koningen die Achaz bedreigen verdwenen zijn. De profetie is dus strikt gebonden aan de politieke situatie van de achtste eeuw voor de gewone jaartelling. De tijdsaanduiding is concreet, de gebeurtenis is nabij, en de betekenis is direct. De profetie is geen blauwdruk van een toekomstige Messias, maar een woord van troost voor een angstige koning.
De rabbijnse traditie leest Jesaja 7 daarom niet als een voorspelling van een maagdelijke geboorte, maar als een voorbeeld van hoe profetie functioneert binnen de geschiedenis. De profeet spreekt tot zijn eigen tijd, niet tot een verre toekomst. De woorden zijn gericht aan Achaz, niet aan een toekomstige generatie. De profetie is een teken van Gods nabijheid in een moment van crisis, niet een aankondiging van een bovennatuurlijke geboorte. De rabbijnen benadrukken dat de profetie haar kracht verliest wanneer zij wordt losgemaakt van haar historische context. De woorden van Jesaja zijn geen mystieke code, maar een concrete boodschap.
De christelijke traditie baseert haar alternatieve lezing vaak op de Septuaginta, een Griekse vertaling die het woord ‘almah’ weergeeft met parthenos, een woord dat meestal “maagd” betekent, maar in de Hellenistische periode ook kon verwijzen naar een jonge vrouw zonder nadruk op maagdelijkheid. De rabbijnse traditie ziet hierin geen bewijs van profetie, maar een voorbeeld van hoe vertaling altijd interpretatie is. De profeten spreken in een taal die rijk is aan nuance, en wanneer deze taal wordt vertaald, kunnen betekenissen verschuiven. De rabbijnen benadrukken daarom het belang van de Hebreeuwse tekst. De profetie van Jesaja is geschreven in een taal die de historische context draagt, en die context gaat verloren wanneer de tekst wordt losgemaakt van haar oorspronkelijke woorden.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de profeten geen voorspellers van verre gebeurtenissen zijn, maar getuigen van Gods aanwezigheid in de geschiedenis. Voor Heschel is de profetie geen blauwdruk van de toekomst, maar een oproep in het heden. De christelijke lezing van Jesaja 7 als een voorspelling van een maagdelijke geboorte wordt in deze optiek een verschuiving van de profetie van het heden naar de toekomst, een verschuiving die de aard van de profetie verandert. Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van profetie. Voor hem is de profeet iemand die spreekt tot de crisis van zijn eigen tijd, niet iemand die een verre toekomst onthult. De profetie van Jesaja 7 wordt in deze optiek een woord van troost voor Achaz, niet een aankondiging van een toekomstige Messias.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om profetie te lezen als voorspelling een vorm van religieuze projectie. De profeten spreken niet om de toekomst te onthullen, maar om de mens te confronteren met zijn verantwoordelijkheid in het heden. De gedachte dat Jesaja 7:14 een voorspelling is van een bovennatuurlijke geboorte, wordt in deze optiek een miskenning van de aard van profetie. De profetie is geen mystieke code, maar een ethische oproep. De woorden van Jesaja zijn gericht aan Achaz, niet aan een toekomstige generatie. De profetie is een teken van Gods nabijheid in een moment van crisis, niet een aankondiging van een wonder dat eeuwen later zal plaatsvinden.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de Joodse lezing van Jesaja 7 verankerd is in de aard van profetie als historische, ethische en existentiële werkelijkheid. De profetie is geen voorafbeelding van een maagdelijke geboorte, maar een teken voor een koning in nood. De tekst is geen voorspelling van een toekomstige Messias, maar een woord van troost in een moment van crisis. De Joodse kritiek op de christelijke lezing van Jesaja 7 is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: profetie is gericht aan het heden, niet aan een verre toekomst. De taal is concreet, niet mystiek. De woorden zijn gericht aan Achaz, niet aan een evangelist.