Psalm 22 is in de christelijke traditie uitgegroeid tot een van de meest geciteerde teksten in verband met de kruisiging. De openingswoorden worden in het evangelie op de lippen van Jezus gelegd, en de beschrijving van vijanden die de psalmist omringen wordt vaak gelezen als een voorafbeelding van de gebeurtenissen op Golgotha. Binnen deze christelijke lezing krijgt één enkel Hebreeuws woord een centrale rol: het woord ka’ari in vers 17 (Engelse telling: 16). In sommige christelijke vertalingen wordt dit weergegeven als “zij hebben mijn handen en voeten doorboord”, waardoor de psalm een bijna letterlijke beschrijving lijkt te geven van een kruisiging.
Maar wie de Hebreeuwse tekst leest, merkt dat deze interpretatie niet wordt ondersteund door de grammatica, de poëtische context of de Masoretische traditie. Het woord ka’ari betekent “als een leeuw”, en de zin beschrijft vijanden die zich op de psalmist storten als roofdieren.
Het tekstprobleem rond ka’ari is in wezen eenvoudig, maar de gevolgen ervan zijn groot. Het Masoretische Hebreeuws leest כארי, een samenstelling van כ־ (“als”) en ארי (“leeuw”). Deze lezing is grammaticaal helder en sluit aan bij de beeldspraak van de psalm, waarin vijanden worden vergeleken met stieren, honden en leeuwen. De psalmist beschrijft geen executie, maar een aanval. De vijanden omsingelen hem als roofdieren, zij grijpen hem, zij bedreigen hem, maar zij doorboren hem niet. De taal is poëtisch, niet anatomisch. De psalm is een klaagzang van David, geen verslag van een kruisiging.
De christelijke traditie baseert haar alternatieve lezing vaak op de Septuaginta, een Griekse vertaling die in sommige manuscripten een werkwoordsvorm heeft die lijkt op “doorboren”. Deze variant kan zijn ontstaan door een verwisseling van letters in een vroeg Hebreeuws handschrift, of door een interpretatieve keuze van de vertaler die de beeldspraak wilde verduidelijken. De rabbijnse traditie ziet hierin geen bewijs van profetie, maar een voorbeeld van hoe vertaling altijd interpretatie is. De psalmen zijn geschreven in een taal die rijk is aan beeldspraak, ritme en klank. Wanneer deze taal wordt vertaald, gaat er altijd iets verloren. De rabbijnen benadrukken daarom het belang van de Hebreeuwse tekst. De psalmen zijn de stem van de mens tot God, en die stem klinkt het zuiverst in de taal waarin zij is geboren.
De Joodse traditie leest Psalm 22 daarom niet als een voorspelling van een toekomstige Messias die sterft, maar als een persoonlijke, existentiële uiting van David in een moment van diepe nood. De psalmist voelt zich omsingeld, bedreigd, verlaten, maar blijft zich vastklampen aan God. De vijanden zijn politieke tegenstanders, geen Romeinse soldaten. De beelden zijn metaforen, geen voorspellingen. De psalm is een gebed, geen blauwdruk. De rabbijnen benadrukken dat de psalmen de stem van de mens tot God zijn, niet de stem van God tot de toekomst. De psalmist spreekt vanuit zijn eigen ervaring, niet vanuit een visioen van een toekomstige kruisiging.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de psalmen geen voorspellingen zijn, maar gebeden. Zij zijn de stem van de mens die worstelt met God, niet de stem van God die de toekomst onthult. De christelijke lezing van Psalm 22 als profetie wordt in deze optiek een verschuiving van de psalm van gebed naar voorspelling, een verschuiving die de aard van de psalmen verandert. Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van de psalmen. Voor hem zijn de psalmen geen blauwdrukken van toekomstige gebeurtenissen, maar uitingen van de menselijke ziel in momenten van crisis. De psalmist voelt zich verlaten, bedreigd, omsingeld, maar blijft zich vastklampen aan God. De psalm is een getuigenis van menselijke kwetsbaarheid en goddelijke nabijheid, niet van een toekomstige executie.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om de psalmen te lezen als voorspellingen een vorm van religieuze projectie. De psalmen zijn geen orakels, maar liturgie. Zij zijn geen profetieën, maar gebeden. De gedachte dat een enkele uitdrukking in een psalm een toekomstige historische gebeurtenis voorspelt, wordt in deze optiek een miskenning van de aard van de psalmen. De psalmen zijn de stem van de mens tot God, niet de stem van God tot de toekomst. De christelijke lezing van Psalm 22 als profetie wordt in deze optiek een verschuiving van de psalm van gebed naar dogma, een verschuiving die de psalm zijn liturgische kracht ontneemt.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de Joodse lezing van Psalm 22 verankerd is in de aard van de psalmen als gebeden. De psalm is geen voorafbeelding van een kruisiging, maar een uiting van menselijke nood. De tekst is geen voorspelling, maar een gebed. De vijanden zijn geen soldaten, maar politieke tegenstanders. De beeldspraak is niet anatomisch, maar metaforisch. De psalm is een getuigenis van menselijke kwetsbaarheid en goddelijke nabijheid, niet van een toekomstige executie. De Joodse kritiek op de christelijke lezing van Psalm 22 is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: de psalmen zijn gebeden, geen voorspellingen. De taal is poëtisch, niet profetisch. De mens spreekt tot God, niet God tot de toekomst.
De kern van de verwarring komt uit één specifieke Griekse weergave in de Septuaginta (LXX) van Psalm 22:17 (Engelse telling: 16). Waar de Masoretische tekst ondubbelzinnig כארי (ka’ari, “als een leeuw”) heeft, leest de LXX in veel manuscripten:
ὤρυξαν χεῖράς μου καὶ πόδας ōryxan cheiras mou kai podas “zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven / doorboord”
Deze Griekse vorm ōryxan (“zij groeven”, “zij doorboorden”) is de bron van de latere christelijke vertaling “they pierced my hands and my feet”.