De christelijke traditie heeft het mensbeeld van de Hebreeuwse Bijbel diepgaand hertekend door de leer van de erfzonde centraal te stellen. In deze visie is de mens vanaf zijn geboorte moreel gebroken, fundamenteel onmachtig om Gods wil te doen, en volledig afhankelijk van een goddelijke tussenkomst die verlossing schenkt door het bloed van een ander. De wet wordt in deze lezing niet een weg naar leven, maar een onmogelijke last die de mens veroordeelt en hem dwingt tot een andere vorm van redding. De mens wordt niet gezien als iemand die kan kiezen, maar als iemand die gedoemd is te falen.
Maar wie de Hebreeuwse Bijbel leest, merkt dat deze christelijke herdefiniëring niet alleen niet wordt ondersteund, maar door de tekst zelf wordt tegengesproken. De profeten spreken niet over een mens die onmachtig is, maar over een mens die verantwoordelijk is. Niet over een mens die gedoemd is, maar over een mens die kan kiezen. Niet over een mens die afhankelijk is van een bloedoffer, maar over een mens die door tesjoeva terugkeert naar God.
Ezechiël 18 is in dit opzicht een theologische aardverschuiving. De profeet verwerpt elke vorm van erfzonde, elke gedachte dat de schuld van de ene generatie wordt gedragen door de volgende. De ziel die zondigt, die zal sterven. De zoon draagt de schuld van de vader niet, en de vader draagt de schuld van de zoon niet. De mens staat voor God als individu, niet als erfgenaam van een metafysische schuld. De profeet benadrukt dat de mens altijd kan terugkeren, dat tesjoeva onmiddellijk effect heeft, dat God geen vreugde vindt in de dood van de zondaar maar in zijn terugkeer. De mens is niet gedoemd, maar geroepen. Niet gebroken, maar verantwoordelijk. Niet afhankelijk van een ander, maar in staat tot verandering.
Deuteronomium 30 gaat nog verder. De wet is niet te zwaar, niet te hoog, niet te ver. Zij is in je mond en in je hart, zodat je haar kunt doen. De tekst verwerpt elke gedachte dat de mens onmachtig is om Gods wil te doen. De mens is niet totaal verdorven, maar totaal verantwoordelijk. De wet is geen last, maar een weg. Geen veroordeling, maar een uitnodiging. Geen bewijs van menselijke onmacht, maar een bevestiging van menselijke waardigheid. De mens wordt aangesproken als iemand die kan kiezen tussen leven en dood, tussen goed en kwaad, tussen zegen en vloek. De keuze is reëel, de verantwoordelijkheid is echt, en de mogelijkheid tot verandering is altijd aanwezig.
In deze Joodse lezing wordt duidelijk waarom de christelijke leer van de erfzonde zo vreemd klinkt binnen de wereld van de Hebreeuwse Bijbel. De profeten spreken niet over een mens die afhankelijk is van een bloedoffer om vergeving te ontvangen, maar over een mens die door tesjoeva onmiddellijk wordt vergeven. De relatie tussen mens en God is direct, niet bemiddeld. De weg naar verzoening is open, niet geblokkeerd. De mens wordt niet veroordeeld door zijn natuur, maar aangesproken op zijn daden. De gedachte dat de mens fundamenteel onmachtig is om goed te doen, staat haaks op de profetische visie. De gedachte dat vergeving afhankelijk is van het bloed van een ander, staat haaks op de profetische oproep tot tesjoeva.
De rabbijnse traditie heeft deze visie verder uitgewerkt. Tesjoeva is geen ritueel, maar een innerlijke omkering. Het is de beweging van de mens naar God, een beweging die altijd mogelijk is, altijd open, altijd effectief. De rabbijnen benadrukken dat tesjoeva de wereld kan veranderen, dat zij de mens kan veranderen, dat zij zelfs het verleden kan transformeren. De mens is niet gevangen in zijn fouten, maar vrij om terug te keren. De relatie tussen mens en God is niet gebroken door een erfzonde, maar voortdurend vernieuwbaar door tesjoeva. De rabbijnen zien in deze visie een bevestiging van de menselijke waardigheid: de mens is niet een wezen dat gered moet worden van zichzelf, maar een wezen dat geroepen is tot verantwoordelijkheid.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de profeten geen theologen van schuld zijn, maar theologen van verantwoordelijkheid. Voor Heschel is de mens niet een wezen dat gedoemd is tot falen, maar een wezen dat geroepen is tot rechtvaardigheid. De profeten spreken niet over een mens die afhankelijk is van een bloedoffer, maar over een mens die door zijn daden de wereld kan veranderen. Tesjoeva wordt in deze optiek geen ritueel, maar een ontmoeting met de Eeuwige, een terugkeer naar de bron van het leven.
Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van tesjoeva. Voor hem is tesjoeva geen ontsnapping uit schuld, maar een confrontatie met verantwoordelijkheid. De mens wordt niet gered door een ander, maar door zijn eigen keuze om terug te keren. Tesjoeva is een daad van vrijheid, niet van afhankelijkheid. De gedachte dat de mens fundamenteel onmachtig is om goed te doen, wordt in deze optiek een ontkenning van de menselijke waardigheid. De mens is niet een wezen dat gered moet worden van zijn natuur, maar een wezen dat geroepen is tot heiligheid.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om verlossing te verbinden aan een ritueel of een offer een vorm van religieuze projectie. De essentie van de Joodse eredienst ligt in gehoorzaamheid, niet in verzoening door middel van een ander. Tesjoeva is geen magische handeling, maar een ethische. De mens wordt niet gered door een bloedoffer, maar door zijn keuze om God te dienen. De gedachte dat vergeving afhankelijk is van het bloed van een ander, wordt in deze optiek een verschuiving van verantwoordelijkheid naar passiviteit. De mens wordt niet geroepen om te geloven in een offer, maar om te handelen in gehoorzaamheid.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de Joodse visie op de mens verankerd is in verantwoordelijkheid, vrijheid en directe relatie met God. De mens is niet gebroken door erfzonde, maar geroepen tot tesjoeva. De wet is niet onmogelijk, maar nabij. Vergeving is niet afhankelijk van een ander, maar van de mens zelf. De profeten spreken niet over een mens die gered moet worden door bloed, maar over een mens die terugkeert naar God door daden. De Joodse kritiek op de christelijke leer van de erfzonde is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: de mens is vrij, verantwoordelijk en in staat tot verandering. De weg naar God is open, direct en onbemiddeld. Tesjoeva is geen theologische noodoplossing, maar de kern van de menselijke waardigheid.