De christelijke traditie heeft Jesaja 53 altijd gelezen als het hart van het Oude Testament, een verborgen evangelie dat vooruitwijst naar de lijdende Messias die de zonden van de wereld draagt. In deze lezing wordt de dienaar een voorafbeelding van Christus, zijn wonden worden de wonden van Golgotha, zijn zwijgen het zwijgen van Jezus voor Pilatus, zijn dood de verzoening van de mensheid. De tekst wordt geïsoleerd uit zijn context en gelezen als een profetische blauwdruk van de kruisiging.
Maar wie de Hebreeuwse tekst leest binnen het geheel van Jesaja 40–55, merkt dat deze christelijke interpretatie niet alleen niet wordt ondersteund, maar door de tekst zelf wordt tegengesproken. De identiteit van de dienaar wordt herhaaldelijk en expliciet genoemd: “Maar jij, Israël, mijn dienaar.” De dienaar is niet een individu, maar het volk Israël, het collectieve lichaam dat door de geschiedenis heen lijdt onder de hand van de naties en toch trouw blijft aan de Ene.
De klassieke Joodse commentatoren zoals Ibn Ezra en Radak lezen Jesaja 53 daarom niet als een voorspelling van een toekomstige Messias die sterft, maar als een beschrijving van de verbazing van de naties aan het einde der dagen. De naties zullen terugkijken op de geschiedenis en beseffen dat het volk dat zij verachtten, vervolgden en marginaliseerden, in werkelijkheid het volk was dat Gods aanwezigheid droeg. De dienaar is het volk dat door de eeuwen heen de last van vijandschap, ballingschap en miskenning heeft gedragen. De wonden van de dienaar zijn de wonden van de geschiedenis, de littekens van pogroms, verdrijvingen en vervolgingen. De tekst beschrijft geen verlossende dood, maar een onthulling: de naties zullen erkennen dat hun oordeel over Israël verkeerd was.
In deze lezing wordt Jesaja 53 een spiegel van de geschiedenis. De dienaar wordt veracht, niet omdat hij schuldig is, maar omdat de wereld zijn roeping niet begrijpt. De naties zien zijn lijden en concluderen dat hij door God geslagen is, maar aan het einde van de dagen zullen zij erkennen dat zijn lijden niet het teken van verwerping was, maar van trouw. De tekst wordt zo een profetische waarschuwing tegen de neiging van de naties om Israëls lijden te interpreteren als bewijs van goddelijke afwijzing. De geschiedenis heeft deze waarschuwing tragisch bevestigd. De christelijke traditie heeft eeuwenlang beweerd dat Israëls lijden het bewijs was dat God het volk had verworpen en vervangen door de kerk. Jesaja 53 wordt in de Joodse traditie juist gelezen als een voorafgaande weerlegging van deze gedachte. De dienaar is niet verworpen, maar miskend. Zijn lijden is geen teken van schuld, maar van trouw. Zijn vernedering is geen bewijs van goddelijke afwijzing, maar van menselijke blindheid.
De rabbijnse traditie ziet in Jesaja 53 daarom geen voorafschaduwing van een kruisiging, maar een waarschuwing tegen de mislezing van Israëls geschiedenis. De tekst laat zien hoe gemakkelijk de naties het lijden van Israël verkeerd interpreteren. De dienaar wordt gezien als geslagen door God, terwijl hij in werkelijkheid lijdt onder de hand van de naties. De rabbijnen lezen dit als een waarschuwing dat de wereld Israëls lijden zal misduiden en dat Israël zich niet moet laten misleiden door deze misinterpretatie. De tekst is een oproep tot volharding, niet tot zelfverachting. De dienaar wordt niet geroepen om te sterven voor de zonden van anderen, maar om trouw te blijven ondanks de miskenning van de wereld.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat het lijden van Israël niet kan worden begrepen als straf of verwerping, maar als deel van de mysterieuze roeping van het volk. Hij spreekt over de “pathos van God”, de diepe betrokkenheid van de Eeuwige bij het lot van Israël. Voor Heschel is het lijden van Israël geen bewijs van afwijzing, maar een teken van de nabijheid van God in de geschiedenis. De dienaar van Jesaja 53 wordt in deze optiek niet een individu die sterft voor de zonden van anderen, maar een volk dat de last van de geschiedenis draagt in relatie tot de Eeuwige.
Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van het lijden. Voor hem is het lijden van Israël geen metafysische transactie, maar een existentiële roeping. Het volk wordt geroepen om te leven in de spanning tussen ballingschap en verbond, tussen vernedering en heiligheid. De dienaar van Jesaja 53 wordt in deze optiek een symbool van de Joodse existentie: een bestaan dat wordt gekenmerkt door lijden, maar dat juist in dat lijden zijn trouw aan God toont. De tekst wordt geen voorspelling van een kruisiging, maar een beschrijving van de Joodse geschiedenis.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om het lijden van Israël te romantiseren of te sacraliseren een vorm van afgoderij. Hij benadrukt dat het lijden van Israël geen verlossende functie heeft, maar een historische realiteit is die moet worden gedragen in gehoorzaamheid aan God. De dienaar van Jesaja 53 wordt in deze optiek geen heilsfiguur, maar een getuige van de radicale transcendentie van God. Het lijden van Israël is geen middel tot verlossing, maar een context waarin de mens wordt geroepen tot dienst aan God. De tekst wordt een waarschuwing tegen elke poging om het lijden te verheffen tot heilsbron, inclusief de christelijke poging om de dood van een individu te verheffen tot kosmische verlossing.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de rabbijnse traditie verankerd is in de strijd tegen mislezing en objectverering. Jesaja 53 is geen voorafbeelding van een kruisiging, maar een waarschuwing tegen het verheffen van een kruisiging tot heilsbron. De tekst is geen typologie van een toekomstige Messias die sterft, maar een profetische beschrijving van de miskenning van Israël door de naties. De tekst is een grenspaal: het lijden van Israël is geen bewijs van schuld, geen teken van verwerping, geen aanleiding tot vervanging, maar een getuigenis van trouw. De Joodse kritiek op de christelijke lezing van Jesaja 53 is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: God is niet te vinden in de verering van een lijdende figuur, maar in de trouw van een volk dat ondanks alles blijft getuigen van de Ene.