De christelijke traditie heeft Deuteronomium 21:23 vaak gelezen als een sleuteltekst voor de betekenis van de kruisiging. Paulus citeert het vers in zijn brief aan de Galaten en stelt dat Christus “voor ons een vloek geworden is” omdat er geschreven staat dat ieder die aan een hout hangt vervloekt is. Binnen deze christelijke lezing wordt het vers een theologische spil: de kruisiging wordt niet slechts een executie, maar een kosmische daad waarin Christus de vloek van de mensheid op zich neemt.
Het hout wordt een plaats van verlossing, de schande wordt omgekeerd tot glorie, en de dood van een gekruisigde wordt een goddelijke overwinning. Maar wie de Hebreeuwse tekst leest, merkt dat deze christelijke interpretatie niet alleen niet wordt ondersteund, maar door de tekst zelf wordt tegengesproken. De tekst heeft geen verlossende structuur, geen typologische beweging, geen vooruitwijzing naar een toekomstige Messias die sterft. De tekst is een juridische bepaling, een wet die de waardigheid van het menselijk lichaam beschermt en de heiligheid van het land bewaakt.
Deuteronomium 21:23 bepaalt dat een geëxecuteerde misdadiger niet mag blijven hangen, maar nog dezelfde dag moet worden begraven. Ramban legt uit dat het laten hangen van een lichaam een belediging is van de God die de mens naar zijn beeld heeft geschapen. Het lichaam, zelfs dat van een misdadiger, draagt een afstraling van de goddelijke waardigheid. Het publiek tentoonstellen van een dode is daarom een schending van Gods eer. De tekst heeft niets te maken met verlossing, maar alles met respect voor het lichaam en met het voorkomen van rituele verontreiniging van het land. De “vloek” waarover de tekst spreekt, is geen metafysische vloek die op de persoon rust, maar een toestand van schande die het land bezoedelt wanneer een lichaam onbegraven blijft. De tekst is gericht op het beschermen van het land en het beschermen van de menselijke waardigheid, niet op het voorbereiden van een toekomstige theologie van kruisiging.
De rabbijnse traditie leest dit vers daarom niet als een voorafschaduwing van een verlossende dood, maar als een waarschuwing tegen het verheffen van een geëxecuteerde figuur tot religieus symbool. De tekst noemt de toestand van een gehangene een “vloek voor God”, niet omdat de persoon zelf vervloekt is, maar omdat het laten hangen van een lichaam een belediging is van de God die de mens naar zijn beeld heeft gemaakt. De rabbijnen benadrukken dat de tekst uitsluitend betrekking heeft op een schuldige misdadiger, iemand die terecht is geëxecuteerd. De wet is bedoeld om te voorkomen dat het lichaam van een misdadiger wordt tentoongesteld als afschrikwekkend voorbeeld of als object van publieke vernedering. De tekst beschermt de dode tegen misbruik en beschermt het land tegen verontreiniging.
In deze rabbijnse lezing wordt duidelijk waarom de Joodse traditie de verering van een gekruisigde figuur theologisch onmogelijk acht. De tekst noemt de toestand van een gehangene een schande, een bezoedeling, een toestand die onmiddellijk moet worden beëindigd door begrafenis. De gedachte dat een gekruisigde figuur verheven zou worden tot goddelijke status, staat haaks op de bedoeling van de tekst. De wet is juist bedoeld om te voorkomen dat een geëxecuteerde figuur een religieuze betekenis krijgt. De tekst is een grenspaal: een gehangene is geen heilige, geen bemiddelaar, geen goddelijke figuur, maar iemand wiens lichaam zo snel mogelijk moet worden begraven om de eer van God te beschermen.
Deze gevoeligheid voor de gevaren van het verheffen van een geëxecuteerde figuur werkt door in de bredere Joodse kritiek op de christelijke kruisverering. Vanuit Joods perspectief herhaalt het christendom precies de fout die Deuteronomium 21 wil voorkomen: het verheffen van een gehangene tot object van verering. Waar de tekst gebiedt dat het lichaam onmiddellijk moet worden begraven om de eer van God te beschermen, ziet de Joodse traditie dat het christendom het lichaam van een gekruisigde figuur juist verheft tot centrum van de eredienst. De rabbijnse traditie ziet hierin een omkering van de bedoeling van de tekst: wat de Torah definieert als schande, wordt in de christelijke traditie verheven tot glorie. Wat de Torah gebiedt te begraven, wordt in de christelijke traditie tentoongesteld. Wat de Torah noemt een bezoedeling van het land, wordt in de christelijke traditie een symbool van verlossing.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de essentie van de Joodse eredienst niet ligt in objecten of gebeurtenissen, maar in de innerlijke bewogenheid van de mens tegenover de Eeuwige. Voor Heschel is het heilige niet iets dat men kan aanraken of vasthouden, maar iets dat men ontmoet in tijd, in gebed, in morele gevoeligheid. De verering van een gekruisigde figuur wordt in deze optiek een verplaatsing van het heilige van de ontmoeting naar het object, een verschuiving die de radicale transcendentie van God ondermijnt. Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële relatie tussen mens en God. Voor hem is de religieuze mens iemand die worstelt, bidt, zoekt, maar nooit probeert God te vangen in vormen of beelden. De verering van een gekruisigde figuur wordt in deze optiek een poging om het mysterie van God te reduceren tot een tastbare vorm, een poging die haaks staat op de radicale transcendentie van de God van Israël.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke vorm van religieuze verering van objecten, symbolen of beelden een vorm van afgoderij, zelfs wanneer die objecten verwijzen naar heilige gebeurtenissen. Hij benadrukt dat de essentie van de Joodse eredienst ligt in het dienen van God door gebod en gehoorzaamheid, niet door emotionele of esthetische identificatie met symbolen. In zijn scherpe kritiek op religieuze sentimentaliteit ziet hij de verering van een gekruisigde figuur als een vorm van religieuze projectie: de mens vereert zijn eigen emoties, zijn eigen behoefte aan dramatische symboliek, in plaats van de God die geen vorm heeft en geen vorm duldt. Voor Leibowitz is Deuteronomium 21:23 een tekst die elke poging tot verering van een geëxecuteerde figuur principieel uitsluit. De tekst gebiedt dat het lichaam onmiddellijk moet worden begraven, niet verheven. De tekst noemt de toestand van een gehangene een schande, niet een glorie. De tekst beschermt de eer van God door te voorkomen dat een mens, en zeker een geëxecuteerde mens, tot object van verering wordt.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de rabbijnse traditie verankerd is in de strijd tegen objectverering en tegen de verering van menselijke figuren. Deuteronomium 21:23 is geen voorafbeelding van een kruisiging, maar een waarschuwing tegen het verheffen van een kruisiging tot heilsbron. De tekst is geen typologie van een toekomstige Messias die sterft, maar een juridische bepaling die de menselijke waardigheid beschermt en de eer van God bewaakt. De tekst is een grenspaal: een gehangene is geen god, geen bemiddelaar, geen heilige, maar iemand wiens lichaam onmiddellijk moet worden begraven om de eer van God te beschermen. De Joodse kritiek op de christelijke kruisverering is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een theologische intuïtie die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: God is niet te vinden in objecten, niet in lichamen, niet in beelden, maar in de ontmoeting, de gehoorzaamheid, de tijd, de stem die spreekt zonder vorm.