Zacharia 12:10 is in de christelijke traditie uitgegroeid tot een van de meest geciteerde profetieën in verband met de kruisiging. De woorden “zij zullen op Mij zien, die zij doorstoken hebben” worden gelezen als een aankondiging dat God zelf in menselijke gedaante zal verschijnen en lichamelijk zal worden doorboord. Binnen deze christelijke lezing wordt de profetie een voorafbeelding van de kruisiging, een moment waarop de goddelijke Messias wordt verwond en sterft.
Maar wie de Hebreeuwse tekst leest binnen het geheel van Zacharia 12–14, merkt dat deze interpretatie niet wordt ondersteund door de grammatica, de syntaxis of de historische context. De profetie beschrijft geen goddelijke incarnatie, maar nationale rouw om gesneuvelde Judese strijders.
Het tekstuele hart van de kwestie is de syntactische relatie tussen de twee zinsdelen. De Hebreeuwse tekst luidt: vehibbītu elai et asher dakaru, letterlijk: “zij zullen op Mij zien, over degene die doorstoken is.” Het voorzetsel elai (“naar Mij”) staat los van het betrekkelijk voornaamwoord asher (“die”), dat verwijst naar het object van het werkwoord dakar (“doorsteken, doorboren”). De zin betekent niet dat God zelf wordt doorstoken, maar dat het volk zich tot God wendt terwijl het rouwt om degenen die zijn gevallen. De syntaxis is helder: het object van het doorsteken is niet God, maar een derde partij. De profetie beschrijft geen goddelijke verwonding, maar menselijke verliezen.
De rabbijnse traditie leest Zacharia 12:10 daarom als een beschrijving van nationale rouw om gesneuvelde rechtvaardigen. De Talmoed (Sukkah 52a) bespreekt deze passage uitvoerig en legt uit dat het volk rouwt om een gevallen leider of om de rechtvaardigen die zijn gedood in de strijd om Jeruzalem. De profetie beschrijft een eschatologische oorlog, een moment van crisis waarin het volk zich tot God wendt en rouwt om degenen die zijn gevallen. De rouw is intens, vergelijkbaar met de rouw om een enig kind, maar zij is gericht op menselijke slachtoffers, niet op God. De profetie is een visioen van nationale omkeer, niet van goddelijke incarnatie.
De christelijke traditie baseert haar alternatieve lezing vaak op de Griekse vertaling van deze passage, waarin de syntactische scheiding tussen “naar Mij” en “die doorstoken is” minder duidelijk is. Deze vertaalkeuze kan de indruk wekken dat God zelf het object van het doorsteken is. De rabbijnse traditie ziet hierin geen bewijs van incarnatie, maar een voorbeeld van hoe vertaling de nuance van de Hebreeuwse tekst kan vervagen. De Hebreeuwse taal maakt een principieel onderscheid tussen God en de mens, en dat onderscheid wordt bewaakt door de syntaxis. Wanneer deze syntaxis wordt losgemaakt van haar oorspronkelijke taal, kunnen betekenissen verschuiven.
De Joodse traditie benadrukt dat God strikt incorporeel is. De Tenach stelt dit herhaaldelijk vast, onder meer in Numeri 23:19: “God is geen man.” De gedachte dat God lichamelijk kan worden doorstoken, staat haaks op deze fundamentele overtuiging. De profetie van Zacharia beschrijft geen goddelijke verwonding, maar menselijke verliezen. De rouw is gericht op degenen die zijn gevallen in de strijd, niet op God. De profetie is een oproep tot nationale omkeer, niet een aankondiging van een goddelijke incarnatie.
In deze context worden de inzichten van moderne Joodse denkers bijzonder verhelderend. Heschel benadrukt dat de profeten geen metafysische speculanten zijn, maar getuigen van Gods betrokkenheid bij de geschiedenis. De profetie van Zacharia beschrijft geen goddelijke incarnatie, maar een moment van nationale rouw en omkeer. De christelijke lezing van deze passage als aankondiging van een goddelijke verwonding wordt in deze optiek een verschuiving van de profetie van geschiedenis naar metafysica, een verschuiving die de aard van de profetie verandert. Soloveitchik legt de nadruk op de existentiële dimensie van rouw en omkeer. Voor hem is de rouw van Zacharia 12 geen rouw om een goddelijke figuur, maar om menselijke verliezen die het volk confronteren met zijn kwetsbaarheid en zijn roeping.
Leibowitz gaat nog een stap verder. Voor hem is elke poging om God te verbinden met lichamelijkheid een miskenning van de radicale transcendentie van de Ene. De gedachte dat God lichamelijk kan worden doorstoken, wordt in deze optiek een ontkenning van de essentie van monotheïsme. De profetie van Zacharia beschrijft geen goddelijke verwonding, maar menselijke verliezen. De rouw is gericht op degenen die zijn gevallen, niet op God. De profetie is een oproep tot omkeer, niet een aankondiging van incarnatie.
In het licht van deze denkers wordt duidelijk hoe diep de Joodse lezing van Zacharia 12 verankerd is in de theologische structuur van de Tenach. De profetie is geen voorafbeelding van een goddelijke incarnatie, maar een visioen van nationale rouw. De tekst is geen aankondiging van een goddelijke verwonding, maar een beschrijving van menselijke verliezen. De Joodse kritiek op de christelijke lezing van Zacharia 12 is daarom niet slechts een polemiek, maar een consequente toepassing van een hermeneutiek die door de hele Tenach en de rabbijnse traditie heen loopt: God is incorporeel, en de profetie is gericht aan het volk, niet aan een toekomstige incarnatie. De taal bewaakt deze grens, en de profetie bevestigt haar.
De Griekse vertaling van Zacharia 12:10 speelt een subtiele maar beslissende rol in de ontwikkeling van de christelijke lezing. Waar het Hebreeuws een scherpe syntactische scheiding bewaart tussen het volk dat “naar Mij zal opzien” en de mens die “doorstoken is”, vervaagt de Septuaginta deze grens. De Griekse zin – καὶ ἐπιβλέψονται πρός με ἀνθ’ ὧν κατωρχήσαντο – spreekt over het opzien naar God “omdat zij zich tegen Mij misdroegen”, en maakt daarmee de relatie tussen God en het werkwoord ambigu op een manier die de Hebreeuwse tekst niet toestaat. In latere christelijke manuscripten verschijnt zelfs een variant die expliciet spreekt over “degene die zij doorstoken hebben”, een formulering die de syntactische helderheid van het Hebreeuws volledig loslaat. Deze verschuiving in de Griekse traditie creëert een ruimte waarin een christelijke theologie van goddelijke incarnatie en lichamelijk lijden kan worden gelegd .De Septuaginta introduceert geen nieuwe betekenis, maar zij opent een interpretatief venster dat in het Hebreeuws gesloten blijft. De christelijke lezing van Zacharia 12:10 ontstaat precies in deze ruimte: niet uit de grammatica van de profeet, maar uit de ambiguïteit van een vertaling die de grenzen tussen God en mens minder scherp bewaakt dan de oorspronkelijke tekst.
Tja, ik weet niet of het jezelf opvalt, maar je gebruikt nu dezelfde redeneertrant als van Tovia Singer in zijn polemiek tegen het christelijke geloof. Het lijkt erop dat de betiteling van hem, die jij in een eerdere fase van je geloofsontwikkeling gebruikte, nu op je eigen hoofd terugkomt. Weet je het nog? Je noemde Tovia Singer “een antichrist”. Ik begrijp dan werkelijk niet meer, dat jij in de aanhef van je preken nog de woorden in de mond neemt:”Gemeente van onze heer Jezus Christus…”. Want Jezus is toch, in je eigen woorden een “mislukte Messias”?
Dus, wat mij betreft, ga voor in kerkdiensten of waar dan ook, maar laat mijn Heer Jezus Christus er buiten, want je spreekt niet meer in Zijn Naam.
Oei.
Ik zeg alleen dat het gebruik van deze OT-ische teksten om het evangelie te “bewijzen” niet correct is.