Het onderstaande is gebaseerd op de studies over Pinchas op chabad.org
Wanneer God tot Mozes spreekt over de daad van Pinchas, gebruikt Hij een woord dat op het eerste gezicht volstrekt misplaatst lijkt: vrede. “Pinchas, de zoon van Elazar, de zoon van Aäron de priester, heeft Mijn woede van de kinderen Israëls afgewend door zijn ijver voor Mij… daarom zal Ik hem Mijn verbond van vrede geven” (Numeri 25:11-12). Pinchas heeft echter zojuist twee mensen gedood. Wat hij deed was halachisch geoorloofd en heeft, zo vertelt de tekst, een plaag tot stilstand gebracht die het volk dreigde te verzwelgen — maar doodslag, hoe gerechtvaardigd ook, roept doorgaans niet de associatie van vrede op. De vraag die deze parasja onvermijdelijk oproept, is dan ook niet of Pinchas gelijk had, maar wat voor soort daad hier eigenlijk verricht is, en vooral: vanuit welke innerlijke gesteldheid.
De achtergrond van het verhaal is bekend. Bileam, de heidense ziener die er niet in slaagde Israël te vervloeken door hun verleden tegen hen te gebruiken, adviseert Balak een andere strategie: verleid hen met de dochters van Moab, want hun God verafschuwt ontucht. De strategie werkt. Vooral binnen de stam van Simeon laten velen zich meeslepen door de Midjanitische vrouwen die het kamp in Sjittim binnendringen, en velen vervallen tot de dienst van Baäl Peor. Wanneer Mozes rechtbanken instelt om de overtreders te berechten, kiest Zimri, de vorst van Simeon, ervoor zijn stam publiekelijk te rechtvaardigen: hij neemt een Midjanitische vrouw mee zijn tent in, ten overstaan van Mozes en de gehele gemeenschap. Voor deze specifieke overtreding — begaan in het openbaar, ten aanschouwen van heel Israël — voorziet de Tora niet in een gerechtelijke procedure. Er bestaat een halacha die zegt dat “ijveraars hem mogen doden”, maar deze wet ontschiet Mozes en de gehele leiding van het volk. Alleen Pinchas herinnert zich haar, en hij is degene die haar ten uitvoer brengt.
Wat volgt in de midrasjische en talmoedische traditie (Sanhedrin 81b-82b en 106a; Rasji ad loc.) is echter geen ondubbelzinnige lofzang op de jonge held. De Talmoed stelt een merkwaardige vraag: waarom herhaalt de Tora, die Pinchas’ afkomst reeds heeft vastgelegd in Sjemot 6 en slechts enkele verzen eerder in Numeri 25:7, hier nogmaals zijn volledige geslachtslijn — “Pinchas, de zoon van Elazar, de zoon van Aäron”? Rasji citeert het antwoord van de Talmoed en de Midrasj: omdat de stammen van Israël hem bespotten en zeiden: hebben jullie de zoon van de mester gezien, wiens moeders vader kalveren mestte voor afgodische offers, en nu gaat hij een vorst in Israël doden? Daarom herleidt God zijn afstamming uitdrukkelijk tot Aäron. (Pinchas’ moeder was immers een dochter van Jitro, die vóór zijn bekering een heidens priester was.)
Deze verklaring roept meer vragen op dan zij beantwoordt, en juist in die vragen ligt de sleutel tot het verhaal. Ten eerste: wat verklaart de vijandigheid van “de stammen van Israël” — niet slechts van Simeon, wiens wrok begrijpelijk zou zijn, maar van het hele volk, dat toch overwegend verontwaardigd was over Zimri’s daad en Pinchas dankbaar moest zijn voor het stoppen van de plaag? Ten tweede: wat heeft Jitro’s verleden hiermee te maken? Als Pinchas onrecht deed, is hij schuldig aan iets veel ernstigers dan een onguur grootvader — “moordenaar” zou een raker verwijt zijn dan “kleinzoon van een mester”. En als erkend werd dat het doden van Zimri terecht was, waarom wordt de jonge redder van zijn volk dan bespot? Ten derde: als Jitro’s afgodische verleden al relevant zou zijn, waarom wordt dan specifiek zijn beroep als kalvermester genoemd, en niet het feit dat hij, zoals de Midrasj vertelt, ooit elke afgod ter wereld gediend heeft? En ten vierde: hoe wordt het bezwaar tegen Pinchas precies weerlegd door de vermelding dat hij Aärons kleinzoon is?
Het antwoord op deze vragen ligt, meen ik, in de bijzondere halachische status van de wet die Pinchas toepast. Wanneer een vonnis wordt voltrokken na een regulier proces, is er weinig reden om stil te staan bij de innerlijke motieven van rechters en beul: hun handelen laat zich toetsen aan de letter van de wet. Maar de wet dat “ijveraars hem mogen doden” kent geen proces, geen rechter, geen formele autorisatie. Zij wordt uitgevoerd door een individu op eigen gezag, en daarom wordt alles afhankelijk van de vraag wát die persoon in werkelijkheid beweegt. Is hij werkelijk gedreven door het verlangen Gods toorn te bezweren en het volk met Hem te verzoenen — of heeft hij enkel een heilig omhulsel gevonden voor een persoonlijke, agressieve impuls? De ware ijveraar (kana’i) is per definitie iemand zonder eigenbelang: zodra zijn persoonlijke gevoelens, wrok of driften in het spel komen, houdt hij op ijveraar te zijn en wordt hij eenvoudigweg een moordenaar die zich op een wet beroept.
Dit verklaart waarom deze halacha volgens de traditie valt onder de bijzondere categorie halachah ve-ein morin ken — “een wet die niet onderwezen wordt” (Maimonides, Misjne Tora, Wetten der verboden omgang 12:5). Wanneer een potentiële ijveraar zich vooraf tot het gerecht zou wenden met de vraag of hij geoorloofd mag doden, wordt hem dat uitdrukkelijk niet toegestaan. Sterker nog: het feit dat iemand komt vragen, diskwalificeert hem reeds als ijveraar. Wie vooraf zekerheid zoekt, wie zich wil laten dekken door een gezaghebbende instantie, bewijst daarmee dat hij niet handelt vanuit de zuivere, onbaatzuchtige impuls die de wet vereist, maar vanuit een berekening — hoe religieus verpakt ook — die op zichzelf al incompatibel is met het wezen van de kana’ut. De ware ijveraar denkt niet aan zichzelf: niet aan zijn eigen veiligheid, niet aan de morele of geestelijke consequenties voor zijn eigen ziel, zelfs niet aan de vraag of zijn daad wel legaal is. Hij is enkel en alleen gericht op het beëindigen van een situatie die Gods toorn over Israël afroept.
Vanuit dit inzicht vallen de vragen van hierboven in elkaar. De stammen van Israël wisten heel goed dat het geval van Zimri de wet van de ijveraars rechtvaardigde. Maar zij twijfelden aan Pinchas’ motieven, en niet zonder reden: waarom was het uitgerekend hij — “de jongste van het gezelschap”, zoals de traditie hem noemt — die deze rol op zich nam, terwijl Mozes, de oudsten en de gehele leiding van het volk stil bleven? Was Pinchas werkelijk de meest onbaatzuchtige en zorgzame onder hen allen? Veel waarschijnlijker, redeneerden zij, is dat hier een woedende jongeman een door de Tora gesanctioneerde uitlaatklep voor zijn agressie had gevonden. En toen zij vervolgens zijn afkomst nagingen, leek deze verdenking bevestigd te worden: zijn grootvader van moederszijde was een mester van kalveren voor de afgodendienst geweest — en juist dát beroep, niet zozeer Jitro’s afgoderij zelf, wordt door de traditie benadrukt, omdat het gaat om karakter, niet om theologie. Weinig beroepen vereisen zo’n onverschilligheid tegenover het lijden van een levend wezen als het vetmesten van dieren voor de slacht. Pinchas, zo redeneerden de stammen, moest de aangeboren hardheid van zijn grootvader hebben geërfd, en die vervolgens in het gewaad van religieuze ijver hebben gekleed.
Tegen deze verdachtmaking in plaatst God nadrukkelijk Pinchas’ naam naast die van Aäron — niet toevallig de zachtmoedigste en meest vredelievende gestalte die Israël kende, “hij die vrede liefheeft en vrede najaagt, die de mensen liefheeft en hen tot de Tora brengt” (vgl. Avot 1:12). Wat de Tora hiermee vaststelt, is een uitspraak over karakter, niet over halachische bevoegdheid: in temperament is Pinchas de erfgenaam van zijn andere grootvader. Niet alleen is hij niet geneigd tot geweld — geweld is het tegendeel van zijn natuurlijke aanleg. Zijn daad, hoe gewelddadig ook in uitvoering, was in wezen een daad van vrede, verricht met het uitsluitende doel Gods toorn van de kinderen Israëls af te wenden.
Dit werpt ook licht op een tweede, nauw verwante opmerking van Rasji. Direct na de vermelding van Pinchas’ eervolle afstamming noemt de Tora de naam van de gedode Israëliet: “Zimri, de zoon van Salu, een stamhoofd van de Simeonieten.” Rasji tekent hierbij aan dat “op hetzelfde moment dat de afkomst van de rechtvaardige tot zijn lof werd genoemd, de afkomst van de boosdoener tot zijn nadeel werd genoemd.” Wat is echter het nadeel van vorst te zijn over Simeon? Wie Pinchas met wantrouwen bezag, zag zijn vermeende wreedheid des te scherper afsteken tegen de motieven die zij Zimri toedichtten: Pinchas doodde een man op het moment dat deze — in hun lezing — handelde uit liefde en zelfopoffering voor zijn stam, terwijl Pinchas zijn eigen gewelddadige driften de vrije loop liet. Als Pinchas al het juiste deed, deed hij het, naar hun overtuiging, om de verkeerde redenen, terwijl Zimri iets verkeerds deed uit onbaatzuchtige liefde voor zijn volk. Maar ook hier corrigeert de Tora het beeld: Zimri wordt uitdrukkelijk verbonden met Simeon, de stam die Jakob op zijn sterfbed vervloekte om hun felle en wrede toorn — “vervloekt zij hun toorn, want zij was heftig, en hun woede, want zij was hard” (Genesis 49:5), een verwijzing naar het bloedbad van Sichem en de aanslag op Jozef. Zimri is, in temperament, ten volle een zoon van Simeon.
Zo ontstaat het beeld van twee schijnbare tegenpolen die in werkelijkheid elkaars spiegelbeeld zijn. De Talmoed vat dit samen in de beroemde formulering dat de hypocriet is “wie de daden van Zimri verricht en het loon van Pinchas verlangt.” Zimri’s schijnbare naastenliefde was de ergste vorm van huichelarij: in plaats van zijn taak als leider te vervullen door zijn stam tot inkeer te bewegen, gaf hij toe aan zijn eigen begeerte, verhuld als zelfopofferende toewijding aan het welzijn van zijn volk. Pinchas’ daad daarentegen was “huichelachtig” in omgekeerde, positieve zin: ogenschijnlijk gewelddadig en meedogenloos, maar in wezen een volstrekt onbaatzuchtige daad van vrede — een daad die zijn rechtvaardiging niet vindt in de uiterlijke gebeurtenis, het doden van twee mensen, maar in de innerlijke afwezigheid van elk persoonlijk motief. Juist daarom, en niet ondanks de aard van zijn handelen, kon God hem het verbond van vrede toezeggen: niet als beloning voor een gewelddadige daad, maar als erkenning van een hart dat, temidden van geweld, volkomen vrij bleef van geweld.