Paulus verheffing van Jezus tot goddelijkheid

De vraag naar Paulus’ verhouding tot het Jodendom blijft een van de meest complexe en omstreden thema’s binnen de nieuwtestamentische wetenschap. In recente Joodse lezingen van Paulus is een dubbele beweging zichtbaar: enerzijds een herwaardering van Paulus als Joodse denker die binnen de categorieën van het Jodendom van de Tweede Tempelperiode opereert, anderzijds een kritische analyse van de manier waarop Paulus Jezus positioneert binnen de goddelijke sfeer. Deze tweede beweging is van bijzonder belang, omdat zij raakt aan de grenzen van het Joodse monotheïsme. Joodse geleerden zoals Paula Fredriksen hebben benadrukt dat Paulus’ taal over Jezus een verschuiving introduceert die binnen het Jodendom ongebruikelijk is: Jezus wordt niet slechts een hemelse figuur, maar een object van cultische aanroeping. Daarmee wordt een grens overschreden die in het Jodendom scherp bewaakt werd, namelijk de exclusiviteit van aanbidding voor de ene God.

Deze kritiek is niet polemisch, maar hermeneutisch. Zij gaat uit van de vraag hoe religieuze taal functioneert binnen een traditie die haar identiteit mede ontleent aan de strikte scheiding tussen Schepper en schepsel. Paulus’ taal over Jezus als “Kyrios”, zijn participatie in schepping, verlossing en oordeel, en zijn rol in de liturgische aanroeping van de gemeente, moeten gezien worden als een vorm van uitbreiding van de goddelijke identiteit. Deze uitbreiding is eenvoudig niet te rijmen met het strenge  monotheïsme dat de Hebreeuwse Bijbel en de rabbijnse traditie kenmerkt. De vraag is dan niet of Paulus Joods is, maar of zijn christologie binnen het Jodendom zelfs maar denkbaar is. Voor velen is dat niet het geval.

Deze spanning wordt bijzonder zichtbaar in Romeinen 9:5, een tekst die in de christelijke traditie vaak is gelezen als een van de sterkste uitspraken over de goddelijkheid van Christus. De Griekse tekst laat verschillende syntactische mogelijkheden toe, maar de traditionele christelijke lezing verbindt de slotwoorden “ὁ ὢν ἐπὶ πάντων θεoς εὐλογητός” met Christus, waardoor de zin luidt: “Christus, die God is boven alles, gezegend tot in eeuwigheid.” Deze lezing maakt van Paulus een expliciet getuige van een hoge christologie waarin Christus niet slechts een hemelse figuur is, maar deel uitmaakt van de goddelijke identiteit.

Voor Joodse geleerden is juist deze lezing problematisch. Zij wijzen erop dat de syntaxis van de tekst ook anders kan worden gelezen, namelijk als een doxologie gericht aan God de Vader, los van de verwijzing naar Christus. In die lezing eindigt de zin met een lofprijzing die niet op Christus slaat, maar op God: “Uit hen is de Messias naar het vlees; God, die boven alles is, zij gezegend tot in eeuwigheid.” Deze alternatieve lezing is niet ingegeven door dogmatische terughoudendheid, maar door een hermeneutische gevoeligheid voor de manier waarop Joodse teksten functioneren. Een doxologie die abrupt volgt op een opsomming van Israëls voorrechten is in de Joodse traditie volkomen natuurlijk. Een identificatie van een mens met God is dat niet.

De vraag is echter hoe Paulus’ eigen Joodse tijdgenoten deze tekst zouden hebben gehoord. Binnen het Jodendom van de Tweede Tempelperiode bestond een breed spectrum aan opvattingen over hemelse machten, maar aanbidding bleef exclusief voorbehouden aan de ene God. Wanneer Paulus Christus in de sfeer van aanbidding plaatst, zoals hij elders doet, ontstaat een hermeneutische spanning die in Romeinen 9:5 op scherp komt te staan. De traditionele christelijke lezing van deze tekst zou voor een Joodse hoorder een grensoverschrijding zijn geweest. Niet omdat zij polytheïstisch zou zijn, maar omdat zij een mens plaatst in de sfeer van aanbidding die alleen aan God toekomt.

Tegelijkertijd moet worden erkend dat Paulus’ taal niet eenvoudig te reduceren is tot een harde en opzettelijke breuk met het Jodendom. Zijn doxologieën, zijn verwijzingen naar de God van Israël, en zijn voortdurende beroep op de Schrift laten zien dat hij zichzelf niet buiten het Jodendom wilde plaatsen. De vraag die bij Paulus steeds gesteld moet worden is  hoe hij de ervaring van de opstanding hermeneutisch verwerkt. Voor Paulus is Christus niet een tweede god, maar de wijze waarop de ene God zijn eschatologische handelen zichtbaar maakt. Deze hermeneutische beweging is echter precies wat Joodse geleerden problematisch vinden: zij zien hierin een verschuiving van de exclusieve goddelijke identiteit naar een gedeelde identiteit waarin Christus participeert.

Romeinen 9:5 wordt zo een testgeval voor de vraag hoe ver Paulus’ christologie reikt. De christelijke traditie heeft de tekst vaak gelezen als een expliciete bevestiging van Christus’ goddelijkheid. De Joodse traditie leest dezelfde tekst als een doxologie die de eenheid van God bewaart. De spanning tussen deze lezingen is niet eenvoudig op te lossen, maar zij is hermeneutisch vruchtbaar. Zij laat zien hoe religieuze tradities hun eigen grenzen bewaken door te bepalen welke vormen van taal over God wel en niet mogelijk zijn. Paulus staat precies op dat kruispunt: een Jood die een nieuwe interpretatie van God introduceert, en daarmee de weg bereidt voor een traditie die zich uiteindelijk van het Jodendom zal losmaken.

In die zin vormt Romeinen 9:5 geen bewijs voor een dogmatische stelling, maar is het wel een hermeneutische spiegel. De tekst laat zien hoe dicht Paulus bij het Jodendom blijft, en tegelijk hoe ver hij ervan verwijderd raakt. Hij blijft spreken in de taal van Israël, maar hij gebruikt die taal om een figuur te beschrijven die binnen het Jodendom geen plaats heeft. De spanning tussen deze twee bewegingen is niet een probleem dat moet worden opgelost, maar een werkelijkheid die moet worden erkend.

De spanning tussen Paulus’ Joodse achtergrond en zijn christologische taal wordt nog scherper zichtbaar wanneer men zich richt op de hymnen die in zijn brieven zijn opgenomen. Deze teksten behoren tot de meest verheven passages van het Nieuwe Testament en worden vaak gezien als de vroegste getuigen van een hoge christologie. Juist daarom vormen zij een toetssteen voor de vraag in hoeverre Paulus zich binnen of buiten het Joodse monotheïsme beweegt. Twee teksten springen daarbij in het oog: Kolossenzen 1:15–20 en Filippenzen 2:6–11. Beide passages plaatsen Christus in een sfeer die traditioneel exclusief aan God toebehoort, en beide zijn daarom in de Joodse exegese aanleiding geweest tot de vraag of Paulus hier een grens overschrijdt die binnen het Jodendom niet denkbaar was.

Kolossenzen 1:15–20 beschrijft Christus als “beeld van de onzichtbare God” en “eerstgeborene van heel de schepping”. De tekst vervolgt met de opmerkelijke uitspraak dat “in hem alles geschapen is”, zowel in de hemel als op aarde, en dat “alles door hem en voor hem geschapen is”. Deze taal is niet eenvoudig te reduceren tot metaforiek. Zij plaatst Christus in de sfeer van de scheppingsmacht, een prerogatief dat in de Hebreeuwse Bijbel exclusief aan God toekomt. De hymne gaat verder door te stellen dat Christus “voor alles” is en dat “alles in hem bestaat”. De climax volgt in de uitspraak dat God heeft gewild “dat heel de volheid in hem zou wonen”. Deze formuleringen zijn in de christelijke traditie gelezen als een expliciete bevestiging van Christus’ deelname aan de goddelijke identiteit. Voor Joodse geleerden is  dit buitengewoon problematisch: de taal van schepping, volheid en pre-existentie behoort in de Joodse traditie tot de sfeer van God alleen. De vraag is dan of Paulus hier een stap zet die binnen het Jodendom niet mogelijk was.

Een Joodse lezing van deze tekst zou erop wijzen dat de hymne gebruikmaakt van wijsheidstradities uit Spreuken, Sirach en Wijsheid van Salomo, waarin de Wijsheid wordt gepersonifieerd als een hemelse figuur die bij de schepping aanwezig is. Deze traditie biedt een hermeneutische ruimte waarin een hemelse figuur een rol kan spelen in Gods handelen zonder dat deze figuur wordt aanbeden. Maar de hymne in Kolossenzen gaat verder dan de wijsheidstraditie: Christus is niet slechts aanwezig bij de schepping, maar is de scheppende kracht zelf. Bovendien wordt hij niet alleen beschreven als een hemelse figuur, maar als degene in wie de volheid van God woont. Voor Joodse lezers is dit een verschuiving van categorie: de wijsheid is een schepsel, geen object van aanbidding. Christus wordt echter in een positie geplaatst die aanbidding impliceert. Daarmee wordt opnieuw de grens overschreden die in het Jodendom scherp bewaakt werd.

Filippenzen 2:6–11 vormt een tweede cruciale tekst. De hymne beschrijft Christus als iemand die “in de gestalte van God” was, maar zichzelf ontledigde en de gestalte van een slaaf aannam. De tekst vervolgt met de uitspraak dat God hem “de naam boven alle namen” heeft gegeven, opdat “in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen” en “elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is”. Deze formuleringen verwijzen expliciet naar Jesaja 45, waar de buiging van alle knieën en de belijdenis van alle tongen exclusief gericht is op de God van Israël. De hymne past deze uitspraken toe op Christus. Voor de christelijke traditie is dit een van de sterkste aanwijzingen voor Christus’ goddelijkheid. Voor Joodse geleerden is dit juist een aanwijzing dat Paulus een stap zet buiten het Jodendom: de exclusieve eer die in Jesaja aan God wordt gegeven, wordt nu aan Christus gegeven.

Wanneer Filippenzen 2:6–11 wordt gelezen vanuit de vraag naar Christus’ menszijn, verschuift het zwaartepunt van de hymne. De tekst wordt dan niet primair een metafysische uitspraak over een pre-existent goddelijk wezen, maar een beschrijving van een mens die zijn menselijkheid radicaal serieus neemt. De hymne begint met de beroemde woorden dat Christus “in de gestalte van God” was, maar zichzelf ontledigde en de gestalte van een slaaf aannam. Deze formulering is vaak gelezen als een aanwijzing voor Christus’ goddelijke status vóór zijn menswording. Maar wanneer men de tekst leest vanuit de beweging van boven naar beneden, wordt duidelijk dat de nadruk niet ligt op wat Christus was, maar op wat hij werd. De hymne beschrijft geen kosmische biografie, maar een existentiële beweging: Christus kiest ervoor om mens te worden, en wel mens in zijn meest kwetsbare vorm.
De term “ontlediging” (kenosis) is daarbij cruciaal. In veel christelijke tradities is kenosis opgevat als een vrijwillige afstand van goddelijke prerogatieven. Maar vanuit een antropologische lezing is kenosis eerder de radicale aanvaarding van de menselijke conditie. Christus wordt niet minder goddelijk, maar volledig menselijk. Hij neemt niet slechts een lichaam aan, maar de hele existentiële last van menszijn: afhankelijkheid, kwetsbaarheid, sterfelijkheid. De hymne benadrukt dat hij “de gestalte van een slaaf” aannam, een uitdrukking die niet verwijst naar sociale status, maar naar de fundamentele afhankelijkheid die het menselijk bestaan kenmerkt. Christus wordt niet een machtig mens, maar een mens zonder macht.
Deze beweging wordt nog sterker wanneer de hymne spreekt over gehoorzaamheid “tot de dood, ja, de dood aan het kruis”. De nadruk ligt niet op de verlossende kracht van de dood, maar op de radicaliteit van Christus’ menselijkheid. Hij gaat tot het uiterste van wat menszijn betekent: sterfelijkheid, lijden, vernedering. De kruisiging is in deze lezing niet het hoogtepunt van een goddelijk drama, maar de uiterste consequentie van een leven dat volledig solidair is met de menselijke conditie. Christus wordt niet verheerlijkt om zijn goddelijkheid, maar om zijn menselijkheid.
De tweede helft van de hymne, waarin God Christus verhoogt en hem “de naam boven alle namen” geeft, wordt in deze lezing niet een bewijs van Christus’ goddelijke status, maar een bevestiging van de waarde van zijn menselijkheid. De verhoging is geen terugkeer naar een pre-existent goddelijk niveau, maar een erkenning van de weg die Christus als mens is gegaan. De buiging van alle knieën en de belijdenis dat Jezus Christus Heer is, verwijzen niet naar een metafysische status, maar naar de erkenning dat de weg van nederigheid, kwetsbaarheid en gehoorzaamheid de ware weg van menselijkheid is. Christus wordt verhoogd omdat hij de menselijkheid tot haar uiterste consequentie heeft geleefd.
Wanneer men de hymne leest vanuit deze antropologische invalshoek, ontstaat een verrassende parallel met Joodse en filosofische tradities waarin de mens niet wordt gedefinieerd door macht, maar door verantwoordelijkheid. De kenosis van Christus wordt dan niet een theologische uitzondering, maar een existentiële exemplariteit. Christus toont wat menszijn werkelijk betekent: niet zelfverheffing, maar zelfgave; niet autonomie, maar relationaliteit; niet macht, maar kwetsbaarheid. De hymne wordt zo een kritiek op elke religieuze of politieke vorm van macht die zichzelf verheft ten koste van de ander. De weg van Christus is de weg van de mens die zichzelf niet centraal stelt, maar zich laat bepalen door de ander.
In deze lezing wordt Filippenzen 2:6–11 een tekst die niet de goddelijkheid van Christus benadrukt, maar de radicaliteit van zijn menselijkheid. De hymne beschrijft geen metafysische afdaling, maar een existentiële keuze. Christus wordt niet minder goddelijk, maar meer menselijk. Zijn verhoging is geen terugkeer naar een hemelse status, maar de erkenning dat de weg van nederigheid en kwetsbaarheid de ware weg van menselijkheid is. De tekst wordt dan niet een dogmatische uitspraak over de natuur van Christus, maar een hermeneutische uitnodiging om menselijkheid te herdenken in het licht van zijn leven en dood.

Toch is de situatie complexer dan een eenvoudige tegenstelling tussen monotheïsme en christologie. De hymne benadrukt dat Christus zijn verheven positie niet zelf heeft opgeëist, maar dat God hem heeft verhoogd. De beweging is dus niet van beneden naar boven, maar van boven naar beneden en weer omhoog. Christus wordt niet gepresenteerd als een tweede god, maar als degene door wie God zijn heerschappij zichtbaar maakt. Deze nuance is belangrijk, maar zij neemt de hermeneutische spanning niet weg. De vraag blijft of de toepassing van Jesaja’s taal op Christus binnen het Jodendom denkbaar was. Voor veel Joodse geleerden is het antwoord ontkennend: de exclusieve eer van Jesaja 45 kan niet worden gedeeld zonder het monotheïsme te ondermijnen.

Wanneer men Kolossenzen 1 en Filippenzen 2 naast Romeinen 9:5 legt, ontstaat een consistent patroon. In alle drie de teksten wordt Christus geplaatst in de sfeer van goddelijke prerogatieven: schepping, aanbidding, heerschappij, volheid. De christelijke traditie heeft deze teksten gelezen als getuigenissen van Christus’ goddelijkheid. De Joodse traditie leest dezelfde teksten als grensoverschrijdingen die de eenheid van God bedreigen. De spanning tussen deze lezingen is niet eenvoudig op te lossen, maar zij is hermeneutisch vruchtbaar. Zij laat zien hoe religieuze tradities hun eigen grenzen bewaken door te bepalen welke vormen van taal over God wel en niet mogelijk zijn.

Paulus staat precies op dat kruispunt. Hij blijft spreken in de taal van Israël, maar hij gebruikt die taal om een figuur te beschrijven die binnen het Jodendom geen plaats heeft. Zijn christologie is niet bedoeld als breuk met het Jodendom, maar als een interpretatie van de ervaring van de opstanding. Toch leidt deze interpretatie tot een verschuiving in de manier waarop God wordt gedacht. De vraag is dan niet of Paulus trouw blijft aan het Jodendom, maar of het Jodendom ruimte biedt voor de vorm van christologie die Paulus ontwikkelt. Voor veel Joodse geleerden is dat niet het geval. De stap van Jezus als Messias naar Jezus als deel van de goddelijke identiteit is voor hen een stap buiten het monotheïsme dat de Hebreeuwse Bijbel en de rabbijnse traditie kenmerkt.

In die zin vormen Kolossenzen 1, Filippenzen 2 en Romeinen 9:5 geen dogmatische bewijzen, maar hermeneutische spiegels. Zij laten zien hoe dicht Paulus bij het Jodendom blijft, en tegelijk hoe ver hij ervan verwijderd raakt. Zij tonen de kracht van de christelijke interpretatie van Jezus, maar ook de grenzen van wat binnen het Jodendom denkbaar was. De spanning tussen deze twee bewegingen is niet een probleem dat moet worden opgelost, maar een werkelijkheid die moet worden erkend. Zij laat zien hoe religieuze tradities zich ontwikkelen, hoe zij hun grenzen bewaken, en hoe zij reageren op nieuwe ervaringen die hun categorieën uitdagen. Paulus staat precies op dat kruispunt: een Jood die een nieuwe interpretatie van God introduceert, en daarmee de weg bereidt voor een traditie die zich uiteindelijk van het Jodendom zal losmaken.

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in bijbelbespreking, Bijbelse Theologie, Bijbelstudie, Paulus. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *