Paulus’ verhouding tot de Thora blijft een van de meest fel bediscussieerde onderwerpen binnen het nieuwtestamentisch onderzoek, en dat is niet zonder reden. Zijn brieven zijn doordrenkt van Schriftcitaten, maar zijn conclusies over de Wet lijken verder te gaan dan alles wat we kennen uit eerdere Joodse tradities. Al decennialang vragen onderzoekers zich af of Paulus binnen het jodendom staat, er net buiten, of er uiteindelijk radicaal mee breekt.
Het moderne beeld van het 1e-eeuwse jodendom
E.P. Sanders heeft het gesprek ingrijpend veranderd door het jodendom te beschrijven als een religie van “covenantal nomism”: gehoorzaamheid aan de Wet is geen middel om het verbond te verdienen, maar een manier om binnen het verbond te blijven. ¹ Vanuit dit perspectief vormt Paulus’ afwijzing van de Wet een breuk met het Joodse religieuze patroon zelf. James Dunn stelde daarentegen dat Paulus niet de Wet als zodanig bekritiseerde, maar het Joodse exclusivisme — het gebruik van de Wet om etnische grenzen te trekken die heidenen buitensloten. ² In die lezing is Paulus’ kritiek minder een theologische breuk en meer een protest tegen nationalistisch exclusivisme. Paulus zag in de komst van Jezus juist de vervulling van Gods belofte dat uiteindelijk door Israël en de Thora ook de volkeren verlost zouden worden.
John Collins gaat nog een stap verder. Wat Paulus ook bedoeld mag hebben, zo betoogt Collins, zijn stelling dat de Mozaische Wet niet langer bindend is en dat rechtvaardiging uitsluitend door Christus komt, betekent feitelijk een echte breuk met het jodendom. ³ Zelfs als Paulus zichzelf zag als iemand die trouw bleef aan Israëls verhaal, was de uitwerking van zijn theologie revolutionair: de Thora bepaalde niet langer wie tot Gods volk behoort.
Een belangrijk uitgangspunt voor het begrijpen van Paulus’ houding tegenover de Thora is de zogeheten “development theory”, vooral verbonden met het werk van Heikki Räisänen. Volgens hem vertonen Paulus’ brieven duidelijke spanningen, inconsistenties en zelfs tegenstrijdigheden, wat erop wijst dat Paulus’ visie op de Wet geen kant‑en‑klaar systeem was dat hij bij zijn roeping ontving. In plaats daarvan ontwikkelde zijn theologie zich gaandeweg, vooral in de context van conflicten met tegenstanders die eisten dat heidenen zich aan de Thora zouden onderwerpen. Zo wijken de scherpe, polemische argumenten in Galaten — een latere brief geschreven in een verhitte strijd — opvallend af van de meer ontspannen houding die Paulus in eerdere fasen van zijn werk lijkt te hebben gehad. Deze dynamiek suggereert dat Paulus’ denken niet statisch was, maar gevormd werd door missionaire ervaringen, spanningen binnen de vroege gemeenten en de noodzaak om telkens opnieuw theologisch te doordenken wat het betekende dat Christus de Thora had vervuld.
De Thora heeft een tijdelijke functie
Paulus beschrijft de Wet zelf als heilig, rechtvaardig en goed, maar ook als tijdelijk. Hij tekent haar als een paidagogos, een opvoeder of voogd die nooit bedoeld was om permanent te blijven. De Wet kon zonden aan het licht brengen, maar niet genezen; ze kon rechtvaardigheid eisen, maar niet schenken. Haar functie was voorbereidend: ze begeleidde Israël tot de komst van Christus, waarna haar toezichthoudende rol ten einde kwam. ⁴
Geloof gaat vooraf aan gehoorzaamheid aan de Thora
Een sleutelrol in Paulus’ argumentatie wordt gespeeld door Abraham, die voor hem het levende bewijs vormt dat het principe van geloof ouder en fundamenteler is dan de Wet. In zowel Galaten 3 als Romeinen 4 benadrukt Paulus dat Abraham gerechtvaardigd werd door geloof, lang voordat de Mozaische Wet bestond. Daarmee presenteert hij Abraham als de oervader van een geloofsgemeenschap die niet door halachische naleving wordt bepaald, maar door vertrouwen op Gods belofte. Die belofte was volgens Paulus onvoorwaardelijk en vanaf het begin bedoeld voor “alle volken”, niet slechts voor Israël. De Wet, die eeuwen later werd toegevoegd, kan daarom nooit de basis vormen voor rechtvaardiging of voor het bepalen van wie tot Gods volk behoort. In Paulus’ theologie staat het geloof niet alleen naast de Wet, maar principieel bóven de Wet: het is het oorspronkelijke, universele principe waarop God zijn relatie met de mensheid heeft gebouwd.
Werken van de Thora vs. geloof
Centraal in Paulus’ betoog staat de uitdrukking “werken van de Thora”. Traditioneel werd dit opgevat als menselijke inspanning om redding te verdienen. James Dunn stelde echter dat Paulus hiermee doelde op Joodse identiteitsmarkeringen—besnijdenis, voedselwetten, sabbat—die als sociale grenzen fungeerden tussen Joden en heidenen. ⁵ Maar de Qumran-tekst 4QMMT gebruikt dezelfde uitdrukking voor specifieke halachische bepalingen, wat erop wijst dat “werken van de Wet” breder verwees naar wettelijke voorschriften. ⁶ Als dat klopt, richtte Paulus’ kritiek zich mogelijk niet alleen op etnische grensmarkeringen, maar op het hele systeem van halachische naleving als criterium voor verbondslidmaatschap.
Misleidend gebruik van Tenach
Een bijzonder scherp voorbeeld van Paulus’ “creatieve”, maar ook misleidende omgang met de Schrift zien we in zijn gebruik van Deuteronomium 30 in Romeinen 10. In Deuteronomium 30:12 verzekert Mozes het volk dat de geboden niet onbereikbaar of onuitvoerbaar zijn: het is niet nodig om naar de hemel op te stijgen om Gods wil te ontvangen. De pointe van Deuteronomium is dat de Wet nabij is, toegankelijk, uitvoerbaar—een bron van leven voor Israël in het land. Mozes benadrukt dat Israël geen onmogelijke opdracht krijgt; de Thora is geen hemels mysterie, maar een concrete levenswijze die in het hart en in de mond van het volk gelegd is.
Paulus neemt precies deze passage over, maar geeft haar een totaal andere wending. In Romeinen 10:6–7 citeert hij de woorden van Deuteronomium, maar past hij ze toe op Christus: niemand hoeft naar de hemel te gaan om Christus te halen, niemand hoeft in de afgrond af te dalen om hem op te wekken. De nabijheid van de Wet wordt bij Paulus de nabijheid van Christus. De tekst die oorspronkelijk bedoeld was om de uitvoerbaarheid en blijvende geldigheid van de Thora te onderstrepen, wordt door Paulus ingezet om de Thora te relativiseren en te vervangen door het “woord van het geloof” dat hij verkondigt. Het is een hermeneutische verschuiving die de oorspronkelijke betekenis van Deuteronomium 30:12 vrijwel volledig omkeert: waar Mozes zegt “je hebt de Wet, en dat is genoeg,” zegt Paulus “je hebt Christus, en dat is genoeg.”
Christus als het einde van de Thora
Deze herlezing vormt de opmaat naar Paulus’ opvallende uitspraak in Romeinen 10:4 dat Christus het telos van de Wet is. Het Griekse telos kan “einde” betekenen, maar ook “doel”, “vervulling” of “culminatie”. Sommige uitleggers stellen dat Paulus hiermee niet zonder meer de afschaffing van de Thora bedoelt, maar haar vervulling—een gedachte die sterk aansluit bij Jezus’ woorden in Matteüs 5:17, waar hij zegt dat hij niet gekomen is om de Thora af te schaffen, maar om haar te vervullen. ⁷ In deze interpretatie belichaamt Christus de diepste bedoeling van de Thora in plaats van haar te annuleren. De Thora bereikt in hem haar bestemming, niet omdat zij wordt weggegooid, maar omdat haar doel is gerealiseerd. Paulus’ gebruik van telos markeert desondanks toch een beslissende overgang: zodra het doel is bereikt, blijft de eerdere fase achter. De dubbelzinnigheid van het woord laat enige ruimte voor de mogelijkheid dat Paulus meer continuïteit zag dan latere lezers hebben aangenomen.
Paulus en de hellenisten
Een belangrijk deel van Paulus’ visie op de Thora is bovendien te herleiden tot de invloed van de hellenisten, de Grieks‑sprekende Joodse gelovigen die al vóór hem een vrijere omgang met de Wet hadden ontwikkeld. Na zijn roeping sloot Paulus zich aan bij de Antiochense gemeenschap die door deze Hellenisten was gesticht. Daar ontmoette hij een vorm van christelijk leven waarin de rituele bepalingen van de Wet niet langer als bindend golden, vooral niet voor heidenen. Paulus nam deze open houding over en dreef haar zelfs verder door, waardoor zijn missionaire praktijk vanaf het begin werd gekenmerkt door een opvallende vrijheid ten opzichte van de halachische traditie. Toch is zijn theologie geen simpele kopie van hellenistische ideeën. De scherpe tegenstelling die hij formuleert tussen “geloof” en “werken”, en zijn argument dat rechtvaardiging uitsluitend op geloof berust, zijn geen echo’s van de hellenisten, maar eigen, originele bijdragen. Paulus bouwde voort op hun fundament, maar gaf er een theologische diepgang en radicaliteit aan die uniek voor hem is.
Wat in elk geval duidelijk is, is dat voor Paulus met de komst van Christus een nieuw tijdperk is aangebroken. Of men dit nu verstaat als vervulling of beëindiging, volgens Paulus is de rol van de Thora in het vormen van Gods volk fundamenteel veranderd. Het verhaal van Israël eindigt niet, maar de voorwaarden voor deelname zijn herschreven rondom de gekruisigde en opgestane Messias. Paulus’ fundamentele gedachtengang lijkt dus te zijn, dat de Torah ondergeschikt wordt gemaakt aan de realiteit vban de vervulling van Gods beloften. Met een op Joodse wijze geïnterpreteerde Thora zou het onmogelijk zijn de volkeren als zodanig te laten deelnemen aan de gemeenschap van de verlosten. In het werk van Paulus levert dat een spanning op tussen zijn joodse bevestiging van de Thora – hij zelf leefde immers volledig volgens de halacha – en zijn inspanning om heidenen toegang te verlenen tot een verruimd Israël zonder de Thora op hen toe te passen.
Noten
- E.P. Sanders, Paul and Palestinian Judaism (Philadelphia: Fortress Press, 1977).
- James D.G. Dunn, “The New Perspective on Paul,” Bulletin of the John Rylands Library 65 (1983): 95–122.
- John J. Collins, What Are Biblical Values? (New Haven: Yale University Press, 2019), vooral zijn bespreking van Paulus en de Wet.
- Zie Galaten 3:24–25 voor Paulus’ metafoor van de paidagogos.
- Dunn, The Theology of Paul the Apostle (Grand Rapids: Eerdmans, 1998), met name zijn behandeling van “werken van de Wet”.
- 4QMMT (Miṣvat ha-Torah), een halachische tekst uit Qumran, gebruikt de uitdrukking “werken van de Wet” (ma‘ase ha-torah) voor specifieke wetsbepalingen.
- Voor de interpretatie van telos als “doel” of “vervulling”, zie de discussie rond Romeinen 10:4 en de intertekstuele verbinding met Matteüs 5:17.