De geschiedenis van de christelijke theologie bevat een diep en pijnlijk spanningsveld: ideeën die in de eerste generaties van de Jezusbeweging ontstonden, vaak binnen de interne discussies van het jodendom zelf, groeiden in de loop van eeuwen uit tot een mythologisch kader dat de Joden tot kosmische tegenstanders maakte. De bronnen maken duidelijk hoe een hoge christologie, een dualistisch wereldbeeld en de leer van de vervanging samen een culturele atmosfeer creëerden waarin de Holocaust denkbaar werd. Hoewel we onderscheid moeten maken tussen Paulus’ oorspronkelijke intenties en latere interpretaties, is de conclusie onontkoombaar dat bepaalde thema’s uit zijn theologie mede de voedingsbodem vormden voor een antisemitisme dat uiteindelijk genocidale proporties aannam.
Een eerste cruciale factor is de ontwikkeling van een hoge christologie. In plaats van een menselijke messias uit het huis van David, zoals het jodendom verwachtte, presenteerde de vroege kerk Jezus als een unieke god-menselijke figuur van wie het heil van de gehele mensheid afhing. Deze concentratie van kosmische betekenis in één persoon veranderde de rol van de Joden in het christelijke verbeeldingskader. Waar gnostische systemen een reeks van leraren kenden, plaatste het christendom één goddelijke figuur in het centrum van de geschiedenis. De vermeende verwerping en kruisiging van deze figuur door Joden werd zo het dramatische middelpunt van een kosmisch conflict. De beschuldiging van deicide — de moord op God — gaf aan antijoodse gevoelens een intensiteit die in de antieke wereld nauwelijks een parallel kende. Het ging niet langer om etnische rivaliteit of religieuze verschillen, maar om een metafysische afkeer: een overtuiging dat de Joden niet slechts dwalend waren, maar op een of andere manier demonisch.
Hiermee hangt een tweede ontwikkeling samen: het dualisme dat in de paulinische theologie een centrale rol speelt. Paulus verwierp weliswaar de gnostische gedachte van een slechte schepper, maar hij schetste de wereld als gedomineerd door vijandige machten, met Satan als “vorst van deze wereld”. Binnen dit kader kregen Joden die de Torah bleven onderhouden een nieuwe betekenis: zij werden gezien als degenen die zich tegen het licht keerden en de komst van Christus saboteerden. Moderne pogingen om Paulus te scheiden van later antisemitisme — door te stellen dat hij antijudaïsch was, maar niet antijoods — worden door sommige onderzoekers als ontoereikend beschouwd. In zijn brieven zijn mythologische elementen aanwezig die later gemakkelijk konden worden uitvergroot tot een paranoïde wereldbeeld waarin Joden niet alleen Christus verwierpen, maar verantwoordelijk werden voor het voortbestaan van het kwaad zelf. Wat bij Paulus nog een theologische spanning was, werd in de traditie een collectieve schuldtoewijzing.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het voor veel christelijke denkers onontkoombaar om onder ogen te zien dat deze eeuwenoude “leer van minachting” een culturele en psychologische atmosfeer had geschapen waarin de Holocaust mogelijk werd.
De Amerikaanse theologe Rosemary Ruether stelde dat anti-judaïsme zo diep in de christelijke theologie verankerd is — inclusief in haar christologie — dat het onmogelijk te verwijderen is zonder het hele bouwwerk te ontmantelen. De nazi-ideologie hoefde deze traditie niet uit te vinden; zij hoefde haar slechts te seculariseren en te herinterpreteren in raciale termen. Nazi-theologen bewogen zich tussen twee polen: sommigen probeerden Jezus tot Ariër te maken, anderen verwierpen het christendom als een joodse besmetting. Maar beide groepen konden putten uit een reservoir van eeuwenoude anti-joodse beelden en motieven die de christelijke traditie had voortgebracht. Deze motieven fungeerden als ideologische “stormtroepen” die de weg effenden voor de uiteindelijke vernietiging.
Een laatste element dat deze geschiedenis mede vormde, is de leer van de vervanging: het idee dat de kerk Israël als Gods volk had vervangen. In veel klassieke theologieën werd het voortbestaan van het joodse volk na Christus gezien als een theologische onmogelijkheid. Joden werden niet beschouwd als een volk met een eigen bestaansrecht, maar als een levend bewijs van ongeloof. Dit leidde tot het hardnekkige beeld van de “zwervende Jood”, een volk dat gedoemd was tot lijden en ballingschap totdat het zich zou bekeren. Gedurende bijna tweeduizend jaar gaf dit beeld vorm aan de christelijke perceptie van de joodse geschiedenis. Het maakte het gemakkelijk om joodse kwetsbaarheid te interpreteren als verdiend en joodse vernietiging als een tragische maar begrijpelijke consequentie van een goddelijk oordeel.
Paulus zelf bewoog zich binnen het jodendom en had niet de bedoeling een traditie van etnische haat te scheppen.
Maar de hoge christologie die hij hielp articuleren, en het dualistische kader waarin hij haar plaatste, werden in de loop van de tijd omgevormd tot een christelijk antisemitisch mythologisch systeem. Dit systeem concentreerde collectieve schuld op het Joodse volk en legde de ideologische fundamenten waarop modern antisemitisme — inclusief zijn genocidale vorm — kon worden gebouwd. De Holocaust was geen noodzakelijk gevolg van het christendom, maar zij was evenmin denkbaar zonder de lange geschiedenis waarin christelijke ideeën de Europese verbeelding hadden gevormd. Dat doctrines die bedoeld waren om redding te verkondigen uiteindelijk konden bijdragen aan vernietiging, is een van de meest tragische ironieën van de westerse geschiedenis.