Sommige messiaans-joodse opvattingen zijn naar mijn overtuiging niet zuiver. Ze laten zien dat er veelal sprake is van een evangelische theologie in een Joods jasje. Het is syncretisme of “lapwerk”.
Je kunt niet geloven in het nieuwe dat het evangelie gebracht heeft zonder te beseffen dat het tegenover het “oude” staat. Je kunt de oudtestamentische kool niet sparen samen met de evangelische geit. D.w.z. het geloof in het evangelie betekent ongeloof in het Verbond met Mozes, afwijzing van de Torah en het rabbijnse jodendom. Is het evangelie noodzakelijk, bijvoorbeeld om het probleem van de dood op te lossen, de tien stammen van Israël te herstellen of de heidenen toegang te geven door het Verbond? In een klassieke Paulinische theologie zijn dat de voordelen van het Nieuwe Verbond.
In zijn tweede brief aan de Korintiërs maakt Paulus een vergelijking tussen twee vormen van bediening: die van de letter en die van de Geest. Het is een contrast dat diep raakt aan de kern van het christelijk geloof – de overgang van de oude naar de nieuwe manier waarop God met mensen omgaat. Paulus zet de bediening van de letter – verbonden met Mozes en de Wet op stenen tafels – tegenover de bediening van de Geest, die komt met Christus en het nieuwe verbond. De oude bediening, zo stelt hij, is er één die “doodt”, terwijl de nieuwe juist “leven geeft” (2 Korintiërs 3:6).
Hij wijst op de glans die Mozes’ gezicht uitstraalde na zijn ontmoeting met God – een glorie die echter langzaam vervaagde. Die vervagende glorie staat voor de tijdelijke aard van het oude verbond. Daartegenover staat de blijvende, alles overtreffende glorie van het nieuwe verbond, mogelijk gemaakt door de Geest van God.
Belangrijk is dat Paulus het oude verbond niet afserveert als slecht of fout. Integendeel: het had een duidelijke functie in Gods heilsplan. De Wet maakte zonde zichtbaar en wees vooruit naar Christus, die de Wet vervult (zie ook Romeinen 7 en Galaten 3–4). Maar hoe positief Paulus ook spreekt, het is duidelijk dat het Verbond met Israël gepasseerd moest worden. Het is niet bij machte om de volkomen verlossing te vinden voor alle volkeren. De Joodse oplossing – het verbond van Noach te bekrachtigen binnen de hermeneutische sfeer van de Torah – is voor Paulus niet voldoende.
De brief aan de Hebreeën spreekt nog explicieter over het oude verbond als “achterhaald”: “Door het nieuwe verbond in te stellen, heeft Hij het eerste voor verouderd verklaard; en wat verouderd is en versleten, zal spoedig verdwijnen” (Hebreeën 8:13). Waar Paulus nog nuanceert, gaat de schrijver van de brief aan de Hebreeën nog veel verder in zijn theologische conclusie.
Wat Paulus uiteindelijk duidelijk maakt, is dat de Wet en Mozes weliswaar niet worden verworpen, maar wel worden terzijde geschoven omdat ze hun bestemming vinden in Christus. De Torah is niet waardeloos geworden, maar haar rol als fundament voor de relatie tussen God en mens is veranderd. In Jezus wordt de Wet niet afgedankt, maar vervuld en overstegen – en daarmee opent zich een nieuwe weg van leven door de Geest.
Er is geen andere manier om dat bij Paulus te begrijpen: het eeuwige verbond met Israel wordt als achterhaald gezien, terwijl die mogelijkheid niet in Tenach wordt gegeven. Het Christendom vestigt zich, op grond van de theologie van Paulus, als het tegendeel van het Jodendom, omdat het het Verbond van Mozes als achterhaald ziet, als verdwijnend, als deel van de “oude” wereld.
Het maakt weinig verschil of je nu zegt: onder het Oude Verbond was het probleem van de dood nog niet opgelost, of: het probleem van de relatie tussen God en de niet-Joodse volkeren was nog niet opgelost. Of dat je zegt dat God nog de Tien stammen moest gaan redden. Ook dan zul je moeten volhouden dat het Oude Verbond nu is afgeschaft en een Nieuw Verbond de plaats inneemt van het Oude.
Daartegen zou ik willen volhouden dat het Oude Verbond een antwoord geeft op al deze kwesties. In de eerste plaats, spreekt juist het Oude Verbond niet ook over het Messiaanse Rijk als de tijd waarin de dood geen macht meer heeft? (Gen. 5:24; Psalm 16:10; Daniël 12:2) Het lijkt erop dat in Paulus’ prediking de notie van de onsterfelijkheid van de ziel is toegevoegd aan het Joodse denken. (2 Tim. 1:10; ondanks 1 Kor. 15:53, 54 waar Paulus niet de onsterfelijkheid van de ziel, maar een eeuwig leven als geschenk aan de orde stelt) En in de tweede plaats, is het “offer” van Jezus – in strijd met Tenach – wel nodig om deze falende elementen van het Oude Verbond te regelen? Is het denkbaar dat Jezus’ offerdood doet wat de Torah niet kan? (Want het offer van een mens is nadrukkelijk uitgesloten: Lev. 18:21; Deut. 12:31.) Het Nieuwe Testament zegt echter nadrukkelijk dat het offer van Jeus als mens en als Zoon van God verzoening bewerkt.
Hebreeën 9:12-14: “Niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed is Hij eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom, en heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht.”
Je kunt je dan ook afvragen of het idee van de dood van een mens als offer niet ook afkomstig is uit het heidendom. Zijn er niet ook andere parallellen tussen de Mithras-godsdienst en het vroege christendom?

Opnieuw maakt het niet echt veel uit hoe je dat inkleurt. Het offer van Jezus kun je als een initiatie-offer zien, vergelijkbaar met de offeranden die bij de oprichting van het Oude Verbond werden uitgevoerd. Je verklaart dan simpelweg dat hier een analogie ligt. Zoals destijds het verbond met Israel werd begonnen, zo ook het Nieuwe Verbond in het offer van Jezus. (Wat trouwens alleen aanvaardbaar zou kunnen zijn, als deze Jezus de volmaakte mens en tegelijkertijd God is.)
Het offer van een mens wordt in het Oude Testament niet gepresenteerd als een geldige of gewenste vorm van verzoening — met uitzondering van profetische schaduwen zoals in Jesaja 53. In het Nieuwe Testament wordt dat idee radicaal herschreven in het licht van Jezus’ vrijwillige, zondeloze overgave. Zijn volmaakte mens-zijn én goddelijke identiteit maken Zijn offer uniek en krachtig genoeg om werkelijk zonden te verzoenen.