Paul van Buren: triniteit als grammatika

Paul van Burens werk over de drie-eenheid is  een langzame, gedisciplineerde heropvoeding van christelijke taal. Wanneer hij zijn “Joodse wending” bereikt, in A Theology of the Jewish–Christian Reality, is de klassieke leer van de drie-eenheid niet weerlegd; zij heeft eenvoudig haar grondslag verloren. Wat overblijft is geen metafysische structuur maar een linguïstische praktijk — een grammatica waarmee christenen leren spreken over de God van Israël in het licht van Jezus.

Om Van Burens benadering te begrijpen, moet men beginnen bij zijn wantrouwen tegenover metafysica. Hij werd gevormd in de wereld van de analytische filosofie van de twintigste eeuw, waar de vraag niet luidt: “Is deze doctrine waar?”, maar: “Wat doet deze zin eigenlijk?” De drie-eenheid is in dat licht geen beschrijving van Gods innerlijke wezen. Zij is een manier van spreken, een patroon van taal dat christenen gebruiken om hun ervaring van Gods aanwezigheid, Jezus’ roep en het gemeenschapsleven dat door die roep wordt gevormd, te ordenen. De leer is geen metafysische kaart maar een linguïstische gewoonte. Dit sluit nauw aan bij postliberale theologie.

Deze verschuiving van ontologie naar grammatica is al aanwezig in zijn vroege seculiere theologie, maar wordt pas beslissend na zijn ontmoeting met het Jodendom. De “Joodse wending” is geen thematische toevoeging; het is een methodische bekering. Van Buren ontdekt dat christelijke theologie niet waarachtig kan spreken tenzij zij na Israël spreekt — na de Hebreeuwse Schrift, na het verbond, na de Sjoa, na de lange en vaak gewelddadige geschiedenis van christelijk supersessionisme. De God tot wie christenen zich richten is allereerst de God van Israël. Elke christelijke doctrine die dit verduistert, of die beweert toegang te hebben tot God buiten Israëls getuigenis om, wordt theologisch verdacht.

De drie-eenheid, in haar klassieke vorm, is precies zo’n doctrine. Zij pretendeert Gods innerlijk leven te beschrijven — drie personen, één wezen — op een manier die de Joodse grammatica van goddelijke eenheid omzeilt. Zij introduceert metafysische categorieën die vreemd zijn aan de Hebreeuwse Bijbel en onbegrijpelijk binnen Joodse denktradities. En historisch heeft zij gefunctioneerd als een grensmarkering: een manier om christenen van Joden te onderscheiden, vaak met catastrofale gevolgen. Voor Van Buren is dit niet alleen een historisch probleem maar een theologisch probleem. Een christelijke doctrine die niet in het bijzijn van Joden kan worden uitgesproken zonder vervorming of aanstoot, is een doctrine die haar eigen wortels vergeten is. Dit raakt direct aan zijn bredere Joods-christelijke theologie.

Daarom moet de drie-eenheid niet eenvoudig verworpen worden maar herlezen, in een nieuw perspectief worden geplaatst. Van Buren stelt geen niet-trinitarisch christendom voor; hij stelt een niet-metafysisch christendom voor. De drie-eenheid wordt een manier van spreken, geen manier van definiëren. Zij is een grammatica die christenen in staat stelt te zeggen: de God tot wie wij ons richten is de God van Israël; degene die ons roept is de Jood Jezus; het leven dat wij delen wordt door die roep gevormd. “Vader”, “Zoon” en “Geest” zijn geen namen van goddelijke personen maar rollen binnen de christelijke taalwereld — relationele markeringen, geen metafysische entiteiten.

Deze grammaticale benadering heeft twee gevolgen. Het eerste is dat christelijke taal bevrijd wordt van de last om uit te leggen hoe drie één kan zijn. De vraag lost op zodra de leer niet langer wordt opgevat als een numeriek raadsel maar als een narratief patroon. Christenen spreken van God als “Vader” omdat zij deze naam hebben geleerd uit de Schrift van Israël; zij spreken van Jezus als “Zoon” omdat zijn leven de gehoorzaamheid en nabijheid belichaamt (geen “incarnatie” dus) die Israël aan Gods gezalfde toeschrijft; zij spreken van de “Geest” omdat het gemeenschapsleven dat uit Jezus’ roep voortkomt een eigen, herkenbare gestalte heeft. Dit zijn geen metafysische claims maar linguïstische gebaren — manieren om zichzelf binnen een verhaal te situeren.

Het tweede gevolg is dat christelijke theologie verantwoording kan afleggen aan het Jodendom. Wanneer trinitarische taal grammatica is in plaats van ontologie, staat zij niet langer in concurrentie met Joodse monotheïsme. Zij beweert niet dat God drie is; zij beweert dat christenen, in hun poging te antwoorden op de God van Israël, in een drievoudig patroon zijn gaan spreken. De leer wordt beschrijvend voor het christelijke leven, niet beschrijvend voor het wezen van God. Zij is een christelijk dialect binnen de bredere taal van Israël, geen rivaliserende metafysica.

Daarom benadrukt Van Buren dat de drie-eenheid moet worden verstaan als een vorm van christelijk spreken. Het beoogt geen universele waarheid over God mee te delen maar probeert een gemeenschappelijke praktijk tot stand te brengen. Christenen spreken zo omdat zij door het verhaal van Jezus gevormd zijn, niet omdat zij geheime kennis bezitten van Gods innerlijk leven. En omdat dit spreken rekenschap verschuldigd is aan Israël, moet zij altijd bescheiden blijven, voorlopig, open voor correctie. De drie-eenheid kan geen metafysische claim zijn zonder een theologische aanstoot te worden.

In die zin is Van Burens Joodse wending geen omweg maar de voltooiing van zijn hele project. Zijn vroege seculiere theologie probeerde de christelijke taal begrijpelijk te maken in een publieke wereld gevormd door wetenschap en analytische filosofie. Zijn latere Joodse theologie probeert christelijke taal verantwoordelijk te maken in een wereld getekend door de Sjoa en door de blijvende aanwezigheid van het Rabbijnse Jodendom. In beide gevallen wordt de drie-eenheid grammatica: een manier van spreken die niet gerechtvaardigd wordt door metafysische speculatie maar door ethische verantwoordelijkheid en historische nederigheid.

Wat ontstaat is een christendom dat zacht spreekt, bewust van zijn eigen grenzen. Het claimt niet Gods wezen te kennen. Het claimt geen superieure openbaring te bezitten. Het spreekt over de God van Israël in het licht van Jezus, en doet dat met het besef dat zijn taal een menselijke praktijk is, geen goddelijk blauwdruk. De drie-eenheid is in deze visie geen doctrine om te verdedigen maar een taal die wijs, dankbaar en met een voortdurend oor voor de Joodse stem die eraan voorafgaat, gebruikt moet worden.

Van Burens bijdrage is daarom geen nieuwe trinitarische theorie maar een nieuwe houding: een christendom dat zijn eigen spreken begrijpt als grammatica in plaats van metafysica, en dat deze grammatica verstaat als rekenschap verschuldigd aan het volk wiens God het noemt. In een wereld waarin christelijke theologie te vaak over het Jodendom heen heeft gesproken, leert Van Buren christenen om na het Jodendom te spreken en eerst grondig en diep te luisteren — nederig, ethisch, en met een hernieuwd besef van het mysterie dat geen enkele grammatica kan omvatten.

Dit bericht is geplaatst in polemiek, Theologie, Theologische kritiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *