Paul van Buren behoort tot de meest onderschatte theologen van de twintigste eeuw. Hij begon zijn carrière als leerling van Karl Barth, promoveerde op diens christologie, en leek aanvankelijk op weg naar een orthodoxe gereformeerde theologie. Maar in 1963 publiceerde hij The Secular Meaning of the Gospel, een boek dat hem onmiddellijk beroemd en omstreden maakte. Daarin stelde hij dat de taal over God in een seculiere wereld niet langer functioneert — niet omdat God niet bestaat, maar omdat de cognitieve inhoud van godsdienstige uitspraken niet verifieerbaar is in de termen van de analytische filosofie. Theologie moest daarom worden herschreven als een analyse van wat christelijke taal doet, niet van wat zij beschrijft.

Maar de werkelijk beslissende wending in Van Burens denken kwam later, en werd ingezet door een vraag die hij zichzelf niet kon ontwijken: wat betekent het christendom na Auschwitz? In zijn driedelige werk A Theology of the Jewish-Christian Reality (1980–1988) onderging zijn theologie een grondige transformatie. Van Buren concludeerde dat christelijke theologie structureel had bijgedragen aan de klimaat waarin de Shoah mogelijk werd — niet alleen door incidentele haatprediking, maar door haar diepste overtuiging: dat de kerk Israël had vervangen als het ware volk van God. Dit supersessionisme, zo begreep hij, was geen randverschijnsel maar het hart van de klassieke triniteitsleer en christologie. Zolang christenen geloofden dat Jezus de voltooiing was van Israëls verhaal, en de kerk de erfgename van Israëls verkiezing, bleef de theologie medeplichtig aan een logica van verdringing die in de twintigste eeuw haar meest verschrikkelijke consequenties had gehad.
Van Burens antwoord was radicaal. Hij herformuleerde de gehele christelijke theologie vanuit de blijvende verkiezing van Israël. De God tot wie christenen zich richten is de God van Israël — niet een universele grond van het zijn, niet een soevereine Ander boven de geschiedenis, maar de God die Israël riep en trouw blijft aan dat verbond. Christenen zijn, via de Jood Jezus, ingelijfd in een verhaal dat niet van hen is. Zij zijn geen erfgenamen maar gasten. Geen voltooiing maar een aftakking. En de drie-eenheid — de grammatica waarmee christenen over die God spreken — moet die positie van gastvrijheid en afhankelijkheid weerspiegelen, niet verhullen.
Karl Barth en Paul Tillich spreken beide over de drie-eenheid, maar wat zij daarmee doen — en wat zij daarmee verzwijgen — maakte hen tot getuigen van een christelijke zelfoverschatting die Van Buren niet langer kon delen.
Tillich is de meest verleidelijke van de twee. Zijn project is indrukwekkend: de klassieke dogma’s redden door ze te herlezen als symbolen van het goddelijke leven. De drie-eenheid als venster op het zijn, als universele structuur die de diepte van de werkelijkheid uitdrukt. Maar precies daar schuilt het probleem. Door de drie-eenheid te verbinden met een ontologie van het zijn, maakt Tillich haar los van haar historische wortels. De God van Abraham, Isaak en Jakob verdwijnt in de “grond van het zijn.” Israël verdwijnt in het universele. En dat is geen kleine prijs — dat is de prijs van supersessionisme in filosofisch gewaad.
Barth maakte de omgekeerde fout. Hij verwierp Tillichs filosofische ambities terecht, maar bouwde in de plaats daarvan een trinitarisch systeem dat zo soeverein is, zo zelfvoorzienend, dat het geen ruimte meer laat voor de vraag wat christenen eigenlijk doen wanneer zij trinitarisch spreken. Bij Barth is de drie-eenheid de levende werkelijkheid van Gods handelen zelf — de Vader spreekt, de Zoon gehoorzaamt, de Geest heiligt. Dat klinkt profetisch, zeker en onweerlegbaar. Maar het is ook een vorm van theologische afgeslotenheid: alsof christenen directe toegang hebben tot de innerlijke beweging van God, alsof de kerk haar eigen taal niet hoeft te verantwoorden omdat God zelf die taal gegarandeerd heeft.
Wat beide denkers missen, is bescheidenheid over de oorsprong van christelijke taal. En het is precies die bescheidenheid die Paul van Buren als uitgangspunt neemt.
Zijn vertrekpunt is niet het zijn, en niet de openbaring, maar de praktijk. Wat doen christenen wanneer zij spreken? Wat gebeurt er wanneer een gemeente bidt tot de Vader, wanneer zij de naam van Jezus uitspreekt, wanneer zij zich wil toerusten in de Geest? Theologie is in de eerste plaats een analyse van die taalspelen — Van Buren is sterk beïnvloed door de analytische filosofie en zegt het hier Wittgenstein na – niet een constructie van metafysische systemen. De drie-eenheid is geen beschrijving van Gods innerlijk leven, maar een set taalregels, een grammatica: een ordening van de manier waarop christenen over God spreken, tot God spreken, en in de naam van God handelen.
Die grammatica heeft een geschiedenis, en die geschiedenis begint niet met Jezus maar met Israël. De God tot wie christenen zich richten wanneer zij “Vader” zeggen, is de God die Abraham riep, die Israël bevrijdde uit Egypte, die door de profeten sprak. Christenen hebben die God niet ontdekt — zij hebben hem geërfd, via de Jood Jezus, die zelf leefde en stierf als een gelovige Israëliet. De “Zoon” in de trinitarische grammatica is geen kosmische figuur die neerdaalt uit een boventijdelijke sfeer; hij is een mens van vlees en bloed, wiens gehoorzaamheid aan de God van Israël voor christenen de beslissende vorm van geloof is geworden. En de “Geest” is niet een zelfstandige goddelijke kracht, maar de naam voor de manier waarop die gehoorzaamheid levend blijft in een gemeenschap die zichzelf verstaat als gevormd door Jezus’ weg.
Dit alles is afgeleid. Christelijke taal is niet autonoom. Zij heeft geen eigen, onafhankelijke toegang tot God — zij spreekt altijd in de schaduw van, en in de schuld aan, de traditie waaruit zij is voortgekomen. Dat erkennen is niet een teken van zwakte, maar van theologische eerlijkheid. En die eerlijkheid heeft na Auschwitz een bijzondere urgentie gekregen. De Shoah heeft blootgelegd wat er gebeurt wanneer christelijke theologie haar eigen afgeleidheid vergeet: wanneer zij zich opstelt als de voltooiing van Israëls verhaal, als de hogere waarheid die het Jodendom achter zich heeft gelaten. Supersessionisme is niet alleen een theologische fout — het is een morele catastrofe met historische gevolgen die niet kunnen worden weggedacht.
Daarom moet de drie-eenheid worden heroverwogen, niet als metafysica maar als ethiek. De vraag is niet: wat zegt de drie-eenheid over de innerlijke structuur van God? De vraag is: wat doet trinitarische taal met de verhouding tussen christenen en Joden? Bewaart zij de eenheid van God die het hart vormt van de Joodse belijdenis? Erkent zij de blijvende verkiezing van Israël? Of plaatst zij de kerk opnieuw in de positie van de ware erfgename, de definitieve getuige, de gemeenschap die Israël heeft overtroffen?
Een trinitarische grammatica die deze vragen serieus neemt, ziet er anders uit dan de klassieke leer. Zij spreekt van “Vader” met de eerbied van iemand die weet dat zij bidt tot de God van een ander volk — een volk dat ouder is, dieper geworteld, en niet vervangen. Zij spreekt van “Zoon” met de bescheidenheid van iemand die in Jezus niet de ontkenning van het Jodendom ziet, maar een gestalte van Joods geloof die voor haar beslissend is geworden. Zij spreekt van “Geest” als de naam voor een gemeenschap die haar eigen continuïteit niet garandeert, maar afhankelijk blijft van de levende traditie waaruit zij is geboren.
Na Auschwitz is dit geen academische kwestie meer. Elke christelijke theologie die spreekt alsof zij een autonome, zelfstandige toegang tot God heeft — of via het zijn, of via het Woord — raakt verstrikt in de schaduw van een traditie die heeft bijgedragen aan de vernietiging van het Joodse volk. De drie-eenheid moet worden ontdaan van haar metafysische en triomfantelijke pretenties. Zij is geen beschrijving van Gods innerlijk leven. Zij is een grammatica van gehoorzaamheid: een ordening van christelijke taal die haar eigen afgeleidheid erkent, die zich niet boven Israël plaatst maar na Israël luistert.
Dat maakt de drie-eenheid kleiner. Maar ook eerlijker. En in een tijd waarin christelijke theologie opnieuw moet leren wat het betekent om niet te heersen maar te getuigen, is kleinheid geen tekort — het is de enige vorm van integriteit die nog over is.