In een conversatie met DeepSeek ontstond het volgende:
Wanneer men spreekt over Palestijnse identiteit, lijkt men vaak te vergeten hoe jong dit begrip werkelijk is, hoe abrupt het op het toneel verscheen, en hoezeer het vanaf het begin verbonden was met een politiek project dat niet ging over zelfontplooiing, maar over verzet. Ik begon precies daar: bij de stelling dat
de Palestijnse identiteit geen organisch gegroeide nationale beweging is, maar een ideologisch instrument, ontworpen en ingezet door de PLO in de strijd tegen Israël.
Een identiteit dus die niet voortkwam uit eeuwen van gedeelde geschiedenis, maar uit de noodzaak om een vijandbeeld te scheppen, een vlag te hijsen waaronder men oorlog kon voeren. En inderdaad: onder het Britse Mandaat betekende “Palestijn” eenvoudigweg een inwoner van het gebied — inclusief Joden. Dat Arabische leiders het begrip later exclusief voor zichzelf claimden, is dan een historische vervalsing, een poging om een politieke fictie te presenteren als een oud recht.

DeepSeek antwoordde dat nationale identiteiten altijd modern zijn, altijd geconstrueerd, altijd het product van politieke omstandigheden. Zionisme is ook een moderne beweging, geboren uit nood, uit vervolging, uit de ervaring van diaspora. Palestijnse identiteit, zo stelde DeepSeek, ontstond niet uit het niets in de jaren zestig, maar leefde al in kranten, culturele verenigingen, lokale bewegingen en de ervaring van het Mandaat. Dat het woord “Palestijn” ooit een civiele categorie was, sluit niet uit dat het later een nationale betekenis kon krijgen. Identiteit is geen statisch bezit; zij is een project dat zich vormt in de loop van de geschiedenis.
Maar toen verschoof ik het gesprek van geschiedenis naar theologie. Ik zei dat het uiteindelijke bezwaar tegen Palestijnse staatvorming voor mij niet historisch is, maar theologisch. Het land is door God aan het Joodse volk gegeven, exclusief en permanent. Geen andere natie heeft recht op soevereiniteit in dat land. Ik verwees naar de Qur’an, die in Soera 5:21 de Joodse aanspraak bevestigt, en wees erop dat christelijke claims categoriefouten zijn, omdat het christendom geen nationale religie is. Het land behoort toe aan Israël, niet door macht, maar door goddelijke toewijzing.
“O mijn volk, treed binnen in het heilige land dat God voor jullie heeft bestemd, en keer niet op jullie schreden terug, anders zullen jullie als verliezers terugkeren.” (Soera 5:21)
Dit vers wordt in zowel Joodse als islamitische tradities gelezen als een bevestiging dat het heilige land door God aan de kinderen van Israël is toegewezen.
DeepSeek erkende de interne coherentie van deze positie, maar vroeg wat dit betekent voor de miljoenen Palestijnen die er wonen. Als het land exclusief Joods is, wat is dan hun plaats? Betekent dit verdrijving, onderwerping, of een vorm van permanente ongelijkheid? Kan een theologische claim de basis zijn voor politiek in een wereld waarin meerdere religies naast elkaar bestaan? Ik kreeg geen slogans terug, maar ernst: het is een moeilijke waarheid, maar een waarheid die men niet kan ontlopen.
Daarna kwamen DeepSeek en ik bij de vluchtelingen. Ik stelde dat Palestijnse vluchtelingen hadden moeten worden opgenomen in Arabische landen, zoals Joden uit Arabische landen werden opgenomen in Israël. Dat veel Palestijnen tussen 1948 en 1967 Jordaanse burgers waren, en dat Arabische staten hen bewust stateloos hielden om hen als politiek wapen te gebruiken. DeepSeek erkende dat dit waar is, maar vroeg of hun lijden daarmee verdwijnt. Als hun stateloosheid een politiek instrument is, blijft hun verlies dan niet toch reëel? Ik gaf toe dat 1948 een tragedie was, een onrecht, niet alleen tegen de legitieme Joodse staat, maar ook bedreven door Arabische staten met veel Arabische slachtoffers. Maar ik zei ook dat het herstellen van dat onrecht tegenover de Arabieren — door terugkeer of door het ontmantelen van Israël — een veel groter onrecht zou veroorzaken. Daarom kan er weinig aan dit onrecht worden gedaan. Dat zeg ik niet uit hardheid, maar uit tragische noodzaak.
Toen kwam Gaza. Ik noemde Gaza de ultieme test van Palestijnse autonomie. Israël trok zich volledig terug. Palestijnen kozen Hamas. Hamas bouwde geen staat, maar een lanceerplatform. En op 7 oktober kwam de uitbarsting: een massamoord die volgens mij bewees dat Palestijnse soevereiniteit een existentiële bedreiging vormt. DeepSeek wees erop dat Gaza geen echte staat was, dat het onder blokkade stond, dat de Westelijke Jordaanoever decennialang met Israël samenwerkte. Maar ik voerde dit aan: Israël gaf autonomie, en kreeg terreur terug. De Israëlische samenleving verloor haar vertrouwen. Een Palestijnse staat zou nu worden gezien als een beloning voor geweld.
Toch, midden in deze harde conclusies, deed ik een aanbod dat volgens DeepSeek bijna historisch was: een Palestijnse staat, ontwapend, zonder recht op terugkeer, gericht op vrede en economische samenwerking. Een staat die niet de Joodse soevereiniteit bedreigt, maar naast Israël kan bestaan. DeepSeek vroeg naar de details — Jeruzalem, grenzen, veiligheid — maar kreeg van mij te horen dat dit aanbod niet meer voor nu gold. Het was een voorstel dat vóór 7 oktober mogelijk was. Nu niet. Misschien later. Misschien na generaties. Misschien wanneer terrorisme verdwijnt.
En toen kwam de vraag die alles samenvat: hoe overleven we in de tussentijd? Ik zei dat vrede niet ontstaat door grote gebaren, maar door geleidelijke veranderingen. Wanneer terrorisme afneemt, zal Israël meer bereid zijn tot concessies. Wanneer Israël concessies doet, ontstaat ruimte voor Palestijnse matiging. Wanneer matiging groeit, groeit vertrouwen. En wanneer vertrouwen groeit, wordt een politieke oplossing mogelijk. Niet nu. Niet snel. Maar misschien ooit.
Zo tekende zich mijn positie af: het land is door God aan Israël gegeven; Palestijnse identiteit is secundair, niet omdat Palestijnen niet bestaan, maar omdat hun aanspraak wordt overstemd door Joodse geschiedenis en theologie; het onrecht van 1948 is reëel maar onherstelbaar; 7 oktober heeft elke onmiddellijke oplossing onmogelijk gemaakt; vrede is denkbaar, maar alleen na een lange periode van afnemend geweld, nieuw leiderschap, economische hoop en wederzijds vertrouwen.
Ik ben – uiteraard! – niet gesloten voor vrede. Ik wacht op de tijd waarin vrede mogelijk wordt. In mijn visie is vrede geen akkoord, maar een generatieproces. Geen handtekening, maar een langzaam ontwaken. Geen onmiddellijke oplossing, maar een horizon die alleen zichtbaar wordt wanneer het stof van de geschiedenis eindelijk neerdaalt.