Wanneer christenen nadenken over de plaats van Israël in Gods heilsplan, komen zij al snel terecht in een veld vol gevoeligheden, historische ballast en diepgewortelde overtuigingen. Twee Nederlandse theologen die zich intensief met deze vraag hebben beziggehouden, Willem Ouweneel en S.U. Zuidema, vertegenwoordigen twee heel verschillende manieren van kijken. Hun verschil is niet slechts exegetisch of dogmatisch; het raakt aan de manier waarop zij überhaupt theologisch denken, aan hun houding tegenover de ander, en aan hun begrip van de relatie tussen kerk en Israël. Juist daarom is een vergelijking tussen beiden verhelderend.
Willem Ouweneel leest de toekomst van Israël vanuit een uitgesproken evangelicale eschatologie. Voor hem is Israël blijvend Gods volk, onopgeefbaar en door God bewaard door de eeuwen heen. Maar die blijvende verkiezing is voor hem niet het eindpunt; zij is een belofte die pas tot volle vervulling komt wanneer Israël Jezus als Messias erkent. Ouweneel leest Romeinen 11 in de klassieke lijn van een toekomstige nationale bekering, een moment waarop de bedekking wordt weggenomen en Israël zijn bestemming vindt in Christus. Zonder die bekering blijft Israël weliswaar geliefd, maar niet compleet. De geschiedenis van het Joodse volk is in deze visie een weg die uiteindelijk moet uitlopen op de erkenning van Jezus. De toekomst is teleologisch: zij beweegt naar een eindpunt dat al vastligt in de christelijke openbaring.
Zuidema daarentegen benadert Israël vanuit een geheel andere gevoeligheid. Zijn denken is gevormd door een fenomenologie, door een diep besef van de geschiedenis van christelijk anti-judaïsme, en door een ethiek die de ander niet reduceert tot een functie in het eigen verhaal. Waar Ouweneel Israël ziet als een volk dat onderweg is naar Christus, ziet Zuidema Israël als een geheim dat zich aan christelijke beheersing onttrekt. Israël staat niet achter de kerk als een volk dat nog “moet komen”, maar naast de kerk als een volk met een eigen, door God gewilde weg. Zuidema verzet zich tegen elke vorm van theologie die Israël inlijft in een christelijk schema. Hij benadrukt dat christenen niet kunnen beschikken over de toekomst van Israël, en dat elke uitspraak over een noodzakelijke bekering opnieuw de oude fout van het christelijk triomfalisme dreigt te herhalen.
Het fundamentele verschil tussen beiden ligt in hun houding ten opzichte van het mysterie van Israël. Ouweneel denkt vanuit een heilshistorisch schema waarin Israël een rol speelt binnen de christelijke eschatologie. Zuidema denkt vanuit een ethiek van nederigheid, waarin Israël niet wordt beoordeeld, maar erkend in zijn andersheid. Voor Ouweneel is de toekomst van Israël onaf zonder Christus; voor Zuidema is het theologisch problematisch om dat te zeggen, omdat het Israël reduceert tot een incomplete versie van de kerk. Ouweneel vertrouwt op de helderheid van het eschatologisch plan; Zuidema vertrouwt op de terughoudendheid die past bij een volk dat door God zelf wordt geleid op een manier die christenen niet kunnen overzien.
Deze twee benaderingen vertegenwoordigen twee manieren van geloven. De ene zoekt helderheid, structuur en een zichtbare voltooiing van Gods plan. De andere zoekt eerbied, voorzichtigheid en het vermogen om het geheim van de ander te laten bestaan. Beide willen trouw zijn aan de Schrift, maar zij lezen haar vanuit verschillende gevoeligheden. Misschien is dat de diepste les van deze vergelijking: dat de manier waarop wij over Israël spreken, niet alleen iets zegt over Israël, maar vooral over onszelf. Over onze neiging om te begrijpen of te beheersen, over onze bereidheid om te luisteren of te wachten, over onze omgang met het mysterie van Gods handelen in de geschiedenis.
Wie Ouweneel leest, proeft de verwachting van een toekomst waarin Israël en de kerk samenkomen in Christus. Wie Zuidema leest, proeft de nederigheid van een theologie die weigert om over de ander te beschikken. Tussen die twee stemmen ligt een ruimte waarin christenen vandaag opnieuw moeten leren spreken – voorzichtig, respectvol, en met het besef dat Israël niet ons bezit is, maar Gods geheim.