Nogmaals: toerekening van gerechtigheid

Er zit een merkwaardige beweging in de Schrift wanneer het gaat over rechtvaardiging. Soms lijkt het alsof God een mens rechtvaardigt op het moment dat die mens iets doet wat alle gewone menselijke motieven overstijgt. Abraham staat daar als eerste voorbeeld. Hij gelooft God, zegt Genesis, en dat geloof wordt hem tot gerechtigheid gerekend. Maar dat geloof blijft niet zweven in de lucht: het krijgt gestalte in de daad op de berg Moria, waar hij zijn zoon aanbiedt. Pas achteraf wordt die daad door God bevestigd als een daad van geloof, als iets dat niet uit menselijke redenering voortkwam maar uit vertrouwen dat sterker was dan angst, sterker dan de logica van het hart. Abraham wordt niet gerechtvaardigd omdat hij iets uitzonderlijks deed, maar omdat zijn daad zichtbaar maakte wat er al in hem leefde: een vertrouwen dat zichzelf pas in de handeling openbaarde.

Pinchas staat in Psalm 106 naast hem als een tweede, bijna schokkend voorbeeld. Zijn daad bij Baäl-Peor is geen daad van contemplatief geloof, maar een daad van heilige verontwaardiging. Toch zegt de psalm dat God hem “rechtvaardigde” na zijn ingrijpen, alsof die ene handeling een licht wierp op zijn innerlijke houding. Ook hier is het achteraf: de daad wordt gezien, gewogen, en erkend als een uitdrukking van trouw die niet uit menselijke berekening voortkwam. Pinchas handelde in een moment waarin angst, woede en chaos door het kamp gingen, maar zijn daad werd door God gelezen als een teken van toewijding, als een daad die de gemeenschap beschermde en het verbond eerde. Het is alsof God zegt: dit is niet zomaar een daad, dit is een openbaring van wie jij bent.

Wanneer Paulus spreekt over rechtvaardiging door geloof alleen, lijkt hij iets heel anders te zeggen. Maar onder de oppervlakte is dezelfde beweging zichtbaar. Geloof in Jezus is geen rationele keuze, geen daad die door menselijke redenen volledig gedekt wordt. Het is een sprong, een overgave, een vertrouwen dat zich pas achteraf laat begrijpen. Wie gelooft, doet iets wat de logica overstijgt: men legt het eigen leven in handen van een gekruisigde en opgestane Heer. Dat geloof wordt door God gezien, erkend, en tot gerechtigheid gerekend. Niet omdat het een prestatie is, maar omdat het een daad van vertrouwen is die zichzelf pas in het leven van de gelovige ontvouwt.

Jacobus lijkt daar tegenin te gaan wanneer hij zegt dat Abraham uit zijn werken gerechtvaardigd werd. Maar Jacobus kijkt niet naar een tegenstelling tussen geloof en werken; hij kijkt naar dezelfde beweging die we bij Abraham en Pinchas zien. Een geloof dat zich niet belichaamt, blijft onzichtbaar. Een geloof dat zich uit in een daad, wordt door God gelezen en bevestigd. Rechtvaardiging door geloof is geen abstracte status, maar een relatie waarin God het vertrouwen van de mens ziet en erkent. En die erkenning gebeurt vaak achteraf, wanneer de daad het innerlijke zichtbaar maakt.

Zo ontstaat er een lijn tussen Abraham, Pinchas en de gelovige in Christus. In alle drie gevallen is er een moment waarop de mens iets doet dat niet door angst, berekening of menselijke zekerheid wordt gestuurd. Abraham legt zijn toekomst in Gods handen. Pinchas beschermt het verbond in een moment van crisis. De gelovige legt zijn leven in Christus’ handen. En telkens is het God die zegt: dit is gerechtigheid. Niet omdat de mens iets uitzonderlijks presteert, maar omdat de daad het geloof zichtbaar maakt dat al aanwezig was. Rechtvaardiging is dan geen beloning, maar een goddelijke erkenning van vertrouwen dat sterker is dan angst.

Dit bericht is geplaatst in Theologie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *