Nog eens Jesaja 53 – n.a.v. het commentaar van Jan Luiten

Jan Luiten schreef terecht:


Naar aanleiding van Jesaja 53-4-10 zou ik het volgende willen zeggen.

Het lijkt me dat je moet beginnen bij vers 1, want vers 4 sluit aan bij vers 1-3.
Vervolgens zie je dan dat er steeds sprake is van een tegenstelling. Als volgt:

v3–HIJ veracht—————————- WIJ hebben hem niet geacht
v4–HIJ droeg—————————— ONZE ziekte
v5–HIJ doorboord———————— om ONZE overtredingen
v5–ZIJN striemen————————- brengen ONS genezing
v6–HIJ droeg onze ongerechtigheid—- WIJ dwaalden als schapen
v8–HIJ weggenomen———————-ZIJN TIJDGENOTEN denken niet aan hem
v9–HIJ de plaag—————————-om de overtredingen van MIJN VOLK
v10-HIJ de rechtvaardige—————–VELEN maakt hij rechtvaardig

Als HIJ het volk Israel is, wie zijn dan WIJ, de TIJDGENOTEN, MIJN VOLK en DE VELEN
Die WIJ kunnen dan niet Israel ZIJN, maar wie dan wel?


Ik heb de rabbijnse toepassing verward met de exegese en Jan Luiten heeft gelijk, de exegese vereist dat we onderscheid maken tussen de Knecht – een individu – en het volk Israël. Hieronder een exegese van het gehele hoofdstuk.


Wanneer je Jesaja 52:13–53:12 leest, betreed je het vierde en laatste lied van de Knecht in Jesaja 40–55. Deze liederen vormen een literaire eenheid waarin een mysterieuze figuur centraal staat: de Knecht van de HEER. Soms wordt deze Knecht expliciet geïdentificeerd met Israël als geheel, zoals in Jesaja 41:8: “עַבְדִּי יִשְׂרָאֵל” (mijn knecht Israël). Maar op andere momenten verschijnt hij als een individu binnen Israël, iemand die een unieke roeping heeft ten behoeve van het volk. Jesaja 49 is daarvan het duidelijkste voorbeeld: de Knecht wordt daar geroepen om Israël terug te brengen tot God, wat onmogelijk kan betekenen dat de Knecht identiek is aan het volk dat hij moet herstellen.

Het lied begint met een verrassende aankondiging: “יַשְׂכִּיל עַבְדִּי” (mijn knecht zal verstandig handelen) en “יָרוּם וְנִשָּׂא וְגָבַהּ מְאֹד” (hij zal verhoogd, verheven en zeer hoog zijn). Maar onmiddellijk daarna volgt een scherpe wending: velen zullen zich over hem verbazen, omdat zijn uiterlijk misvormd is door lijden. De verheffing van de Knecht staat dus in contrast met zijn vernedering. Deze paradox vormt de sleutel tot het hele lied: de weg omhoog loopt via de weg omlaag.

Vanaf 53:1 verandert het perspectief. De sprekers zijn niet langer God of de profeet, maar een collectief “wij”. Dit “wij” is in Jesaja 40–55 vrijwel altijd Israël. Het volk kijkt terug en erkent dat het de Knecht niet heeft herkend. Hij was als een loot uit droge grond, zonder uiterlijk of majesteit. Hij werd veracht, gemeden, niet geacht. De sprekers belijden dat zij hem verkeerd beoordeeld hebben: “וַאֲנַחְנוּ חֲשַׁבְנֻהוּ נָגוּעַ” (wij hielden hem voor door God geslagen), maar nu zien zij dat “הוּא חֳלָיֵנוּ נָשָׂא” (hij onze ziekten droeg) en “מַכְאֹבֵינוּ סְבָלָם” (onze pijnen op zich nam).

De tegenstelling tussen “Hij” en “wij” is niet alleen stilistisch, maar theologisch essentieel. Het volk erkent dat het de Knecht verkeerd heeft ingeschat en dat zijn lijden niet zijn eigen schuld was, maar het gevolg van hun zonde. De structuur van het lied versterkt deze tegenstelling. De Knecht wordt beschreven als iemand die “מְחֹלָל מִפְּשָׁעֵינוּ” (doorboord om onze overtredingen) en “מְדֻכָּא מֵעֲוֹנֹתֵינוּ” (verbrijzeld om onze ongerechtigheden). Zijn striemen brengen ons genezing: “וּבַחֲבֻרָתוֹ נִרְפָּא־לָנוּ”. De sprekers belijden dat zij als schapen dwaalden: “כֻּלָּנוּ כַּצֹּאן תָּעִינוּ”, maar dat de HEER de ongerechtigheid van ons allen op hem deed neerkomen: “וַיהוָה הִפְגִּיעַ בּוֹ אֵת עֲוֹן כֻּלָּנוּ”.

Deze taal van representerend (niet: plaatsvervangend!)  lijden is uniek in het Oude Testament. Het is niet de taal van collectief lijden van Israël onder de volkeren, maar van een individu dat lijdt vanwege (om) het volk. Het lied gaat verder met de beschrijving van de dood van de Knecht. Hij werd weggenomen uit de levenden: “מֵאֶרֶץ חַיִּים נִגְזָר”, om/vanwege de overtreding van “עַםִּי” (mijn volk). Deze uitdrukking is in Jesaja altijd een aanduiding voor Israël. Als de Knecht Israël zou zijn, zou de tekst moeten zeggen dat hij stierf voor de overtreding van de volkeren, maar dat doet de tekst niet. De Knecht sterft voor “mijn volk”, en dat volk is Israël. De Knecht is dus niet identiek aan Israël, maar staat tegenover Israël als degene die door hun schuld het lijden ondergaat – en zo hun schuld zichtbaar maakt.

De beschrijving van zijn begrafenis versterkt dit beeld. Hij kreeg een graf bij de goddelozen, maar bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen geweld had gedaan en er geen bedrog in zijn mond was: “וְלֹא חָמָס עָשָׂה וְלֹא מִרְמָה בְּפִיו”. De Knecht is rechtvaardig, zonder schuld. Israël wordt in Jesaja nooit als geheel rechtvaardig genoemd; integendeel, het volk wordt herhaaldelijk beschreven als blind, doof, dwalend en ongehoorzaam. De Knecht is dus niet het volk, maar iemand die het volk vertegenwoordigt en vanwege het volk lijdt.

Het lied eindigt met een verrassende wending: de Knecht zal leven, hij zal het licht zien: “יִרְאֶה אוֹר”. En ook: “וְצַדִּיק עַבְדִּי לָרַבִּים יַצְדִּיק” (mijn rechtvaardige knecht zal velen rechtvaardig maken). Zijn lijden is niet het einde, maar de weg naar verhoging. Hij draagt de ongerechtigheden van velen, d.w.z. de gevolgen van hun zonde ervaart hij “aan den lijve”: “וַעֲוֹנֹתָם הוּא יִסְבֹּל”, en: “וְלַפֹּשְׁעִים יַפְגִּיעַ” (hij pleit voor overtreders).

Sommige rabbijnse commentaren, vooral vanaf de middeleeuwen, hebben Jesaja 53 gelezen als een beschrijving van Israël dat lijdt onder de volkeren, terwijl de volkeren in de toekomst erkennen dat Israël onschuldig heeft geleden. Deze interpretatie is begrijpelijk vanuit de historische ervaring van Joodse vervolging, maar zij past niet goed bij de tekst zelf. De sprekers in Jesaja 53 belijden dat zij dwaalden als schapen, dat zij de Knecht verachtten, dat zij dachten dat hij door God geslagen was. In Jesaja worden de volkeren nooit beschreven als dwalende schapen; dat beeld is exclusief voor Israël. Bovendien wordt de Knecht geslagen om de overtreding van “עַמִּי” (mijn volk), wat in Jesaja altijd Israël is. De rabbijnse lezing is dus mogelijk als theologische herinterpretatie, maar niet als tekstuele exegese.

Wanneer je Jesaja 52:13–53:12 leest in de bredere context van Jesaja 40–55, zie je dat de Knecht een unieke figuur is. Hij is verbonden met Israël, maar niet identiek aan Israël. Hij vertegenwoordigt Israël, maar overstijgt het volk in zijn roeping. Hij is de rechtvaardige binnen het onrechtvaardige volk, de gehoorzame binnen de ongehoorzamen, de lijdende die door de schuld van anderen lijdt. En op die manier de feitelijkheid van die schuld aantoont.

Jesaja 52:13–53:12 is daarmee geen beschrijving van het lijden van Israël door de volkeren, maar een schuldbelijdenis van Israël over iemand anders — de rechtvaardige Knecht die door hun ongerechtigheid lijdt = draagt. Het lied is een profetische meditatie op de paradox van verlossing: dat de weg naar herstel loopt via het lijden van een rechtvaardige vanwege de schuldigen.


Maar… de blog waarop Jan Luiten reageerde, wilde alleen duidelijk maken dat in deze passage geen sprake is van plaatsvervangend lijden en de tekst dus niet de leer van substitutie of van het zondoffer van Christus ondersteunt. 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *